ECLI:NL:RBDHA:2026:5747
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming van derdelander Oekraïne en terugkeerbesluit
Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende derdelander Oekraïne, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland na zijn vlucht uit Oekraïne vanwege de inval van Rusland in 2022. Verweerder besloot op 7 februari 2024 de tijdelijke bescherming te beëindigen, waarna een bevriezingsmaatregel werd toegepast. Na jurisprudentie van het HvJ EU en de Afdeling bestuursrechtspraak werd op 30 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen.
Eiser voerde aan dat het besluit onrechtmatig was, dat hij mocht vertrouwen op voortzetting van bescherming, dat terugkeer naar Algerije onaanvaardbaar is op grond van artikel 3 EVRM Pro, en dat zijn privéleven in Nederland bescherming verdient op grond van artikel 8 EVRM Pro. Ook stelde hij dat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen zijn persoonlijke omstandigheden toe te lichten en dat het SIS-signaal onrechtmatig is.
De rechtbank oordeelde dat het facultatieve karakter van de tijdelijke bescherming beëindiging rechtvaardigt, dat de bevriezingsmaatregel geen rechtmatig verblijf oplevert en geen schending van rechtszekerheid of vertrouwen inhoudt. Het risico op ernstige schade bij terugkeer is niet aannemelijk gemaakt, en de omstandigheden van werk en sociale kring zijn onvoldoende voor bescherming op grond van artikel 8 EVRM Pro. Eiser had voldoende gelegenheid tot het indienen van een zienswijze. Het beroep is ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.