ECLI:NL:RBDHA:2026:6228

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
NL26.9209 en NL26.9210
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J. J. P. Bosman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 8:54 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
18 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk

Eiser, van Libische nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling. Hij stelt dat de opvang in Frankrijk tekortschiet en beroept zich op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 van Pro het Handvest.

De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk nog steeds geldt en dat de door eiser aangevoerde problemen in Frankrijk niet zodanig ernstig zijn dat overdracht leidt tot een reëel risico op onmenselijke behandeling. Eiser heeft onvoldoende individuele omstandigheden en medische onderbouwing aangeleverd om van de overdracht af te zien.

De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit zorgvuldig en voldoende gemotiveerd is genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.9209 en NL26.9210
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.Y. Hodak),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 18 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Libische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1995 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat dit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd. Eiser verzoekt om hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser voert aan dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang in Frankrijk, zoals systeemfouten en dat verweerder in zijn algemeenheid heeft verwezen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel zonder de persoonlijke ervaringen van eiser daarbij te betrekken. Eiser verwijst hierbij naar het AIDA-rapport van 2025 (update 2024), waaruit blijkt dat de opvangcapaciteit structureel onder druk staat, dat een aanzienlijk deel van de asielzoekers geen toegang heeft tot opvang of financiële ondersteuning en dat detentie- en huisarrestmaatregelen zijn verscherpt. Volgens eiser zou overdracht aan Frankrijk leiden tot schending van artikel 3 van Pro het EVRM [2] en artikel 4 van Pro het Handvest. [3] Tot slot beroept eiser zich op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, omdat volgens hem sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Verweerder heeft niet in onderlinge samenhang de medische omstandigheden
(die hij lastig kan onderbouwen omdat hij in detentie verbleef), eerdere geweldservaring in Duitsland, het langdurig verblijf in Frankrijk zonder duurzame bescherming en de actuele opvangproblematiek in Frankrijk van eiser betrokken en stelt dat verweerder deze omstandigheden individueel moest beoordelen. Hierbij verwijst eiser naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie van de Europese Unie. [4]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank oordeelt dat de Franse autoriteiten met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Dit is alleen anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest, waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt. [5] In de uitspraken van 4 september 2024 [6] heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden te weerleggen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat volgens Afdelingsrechtspraak ten aanzien van Frankijk nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [7] In de uitspraak van 5 april 2023 heeft de Afdeling geoordeeld dat alhoewel er kan worden aangenomen dat sprake was van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in Frankijk, niet is gebleken dat die problemen zodanig structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. [8] Het beroep van eiser op het AIDA-rapport (update 2024) van 2025 maakt dat niet anders. De Afdeling heeft bij uitspraak van 31 juli 2025 geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst dan de landeninformatie die de Afdeling bij de uitspraak van 30 augustus 2024 [9] heeft betrokken. Mocht eiser in Frankrijk problemen ervaren, dan dient hij zich hiervoor te wenden tot de (hogere) Franse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is of dat de Franse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen. Het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Eiser betoogt dat verweerder zijn asielaanvraag onverplicht aan zich had moeten trekken. Eiser wijst erop dat hij medicatie gebruikt voor zijn medische toestand en dat terugkeer naar Frankrijk bij hem hevige angst en psychische ontregeling veroorzaakt. Eiser vreest dat overdracht aan Frankrijk een negatieve invloed zal hebben op zijn welzijn.
6.1.
Naar oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft in dit geval in redelijkheid kunnen beslissen dat er geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Frankrijk. Eiser heeft zijn gestelde medische omstandigheden niet met medische documenten of ander bewijs onderbouwd. Daarnaast heeft verweerder in de omstandigheid dat eiser in Duitsland slachtoffer is geworden van een gewelddadige incident geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag aan zich te trekken. De rechtbank miskent de ernst van de gewelddadige incident niet, maar oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat moet worden afgezien van de overdracht aan Frankrijk wegens een onevenredige hardheid. Daarnaast heeft eiser aangegeven medische behandeling te hebben ondergaan in Frankrijk. Niet is gebleken dat Nederland het aangewezen land is om eiser te behandelen, nu Frankrijk vergelijkbare medische voorzieningen kent als Nederland en eiser daar bovendien circa drie jaar gebruik van heeft gemaakt. Hierdoor slaagt het beroep op de arresten Paposhvili en Jawo niet. Het beroep op het arrest Savran slaagt naar het oordeel van de rechtbank evenmin, omdat in die zaak sprake was van medisch specialistische behandeling en een behandelplan dat door uitzetting naar het land van herkomst teniet gedaan zou kunnen worden. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake. Verweerder stelt dat, als eiser daarvoor toestemming geeft, op grond van artikel 32 van Pro de Dublinverordening, hij de Franse autoriteiten voorafgaand aan de overdracht kan inlichten over eisers medische situatie. Verweerder hoefde gelet op het voorgaande geen individuele garanties bij de Franse autoriteiten te vragen.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
8. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [10] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. J. P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Zie de uitspraken van het EHRM 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810 (Paposhvili), EHRM 1 oktober 2019, ECLI:CE:ECHR:2021:1207JUD005746715 (Savran) en HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo)
5.Dit volgt uit het Jawo-arrest van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
6.Zie de uitspraken van de Afdeling van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455 en ECLI:NL:RVS:2024:3456.
7.Zie de uitspraken van de Afdeling van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623, 7 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3724 en 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5715.
8.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1318.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552.
10.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.