ECLI:NL:RBDHA:2026:6819

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
NL26.7770
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 VwArt. 31 ProcedurerichtlijnArt. 8:57 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Den Haag bevestigt opschorting beslistermijn asielaanvraag Syrië en legt nieuwe termijn en dwangsom op

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Den Haag het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag gegrond verklaard. De aanvraag dateert van 20 februari 2023. De rechtbank oordeelt dat het Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) voor Syriërs, ingesteld door de minister op 11 december 2024 en van kracht van 14 december 2024 tot 13 juni 2025, de beslistermijn opschort. Hierdoor liep de beslistermijn niet door tijdens het BVM.

De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn, die op 3 september 2024 opnieuw was gestart met een termijn van zestien weken, door het BVM werd onderbroken. Na afloop van het BVM resteerde nog een korte beslistermijn die eindigde op 21 juni 2025. Omdat de minister niet binnen deze termijn heeft beslist, is het beroep ontvankelijk en gegrond.

De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van vier weken op, rekening houdend met eerdere nadere gehoorprocedures, en bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100 per dag moet betalen bij overschrijding, met een maximum van € 15.000. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 233,50.

De uitspraak bevestigt dat het BVM als opschorting van de beslistermijn moet worden gezien, in lijn met de Europese Procedurerichtlijn en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025. De rechtbank benadrukt dat de dwangsom een prikkel is om tijdig te beslissen en dat een verhoging niet nodig is ondanks eerdere overschrijdingen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een nieuwe beslistermijn van vier weken op en een dwangsom van € 100 per dag bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.7770

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. J. Oosterhof ),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In een eerdere procedure heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. De minister moest binnen een termijn van zestien weken alsnog een besluit nemen op de asielaanvraag. Daarbij heeft de rechtbank ook bepaald dat als de minister niet op tijd een besluit neemt, hij een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.
1.1.
Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 20 februari 2023.
1.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. De rechtbank heeft het beroep daarom niet op zitting behandeld en sluit hierbij het onderzoek. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2. Gelet op de datum van de aanvraag is WBV 2023/3 [2] het in deze zaak toepasselijke wijzigingsbesluit. Anders dan deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 11 april 2024 [3] heeft geoordeeld, is zij thans van oordeel dat dit besluit onrechtmatig is, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025. [4] Dit betekent dat de minister in dit geval in beginsel binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag van eiser diende te nemen. Met het besluit van 11 december 2024 heeft de minister een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Syrië [5] , in werking getreden op 14 december 2024. Het BVM gold tot en met 13 juni 2025.
3. De grondslag voor het BVM ligt in artikel 43, eerste lid, van de Vw, waarin artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd. In artikel 43, eerste lid, van de Vw staat dat de minister de beslistermijn kan
verlengentot ten hoogste 21 maanden, indien naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de situatie in het land van herkomst. In artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn staat dat de lidstaten de onderzoeksprocedure kunnen
uitstellenin individuele gevallen bij een onzekere situatie in het land van herkomst.
4. De rechtbank ziet aanleiding om de term verlengen in het BVM op te vatten als opschorten. Daarbij neemt de rechtbank het bepaalde in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn in aanmerking en het feit dat de Procedurerichtlijn van recentere datum is dan de totstandkoming van de Vreemdelingenwet en het bepaalde in artikel 43. Verder is van belang dat de Engelse versie van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn het heeft over postpone. De rechtbank vindt ook steun in het doel en de strekking van een BVM. Een BVM ziet op de situatie waarin niet beslist kan worden op aanvragen, omdat de situatie in het land van herkomst zodanig complex is dat geen weloverwogen besluit kan worden genomen. Op het moment dat de situatie niet langer complex is en het BVM niet langer van kracht is, gaat de beslistermijn weer lopen en kan de minister weer besluiten nemen. Dat de wet en het BVM zelf over verlengen spreken in plaats van over opschorten doet hieraan niet af. [6]
5. Het voorgaande maakt dat de rechtbank uitgaat van een opschorting van de beslistermijn gedurende de geldigheid van het BVM. Deze opschorting geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken op het moment dat het BVM van kracht werd. [7] In de zaak van eiser is de aanvraag ingediend op 20 februari 2023. De beslistermijn was voordat het BVM van kracht werd al verstreken. In het eerste beroep niet tijdig beslissen van 2 september 2024 is er een beslistermijn opgelegd van zestien weken. [8] De beslistermijn begon te lopen op 3 september 2024. In dit geval had de minister uiterlijk op 23 december 2024 een besluit moeten nemen op de asielaanvraag. Dit is tijdens het BVM. Tot de ingangsdatum van het BVM waren er veertien weken en vijf dagen verstreken. Dat betekent dat vanaf 14 juni 2025 nog zeven dagen van de beslistermijn resteerde. De opschorting van de beslistermijn betekent in dit geval dat de beslistermijn eindigde op 21 juni 2025. Eiser heeft op 11 februari 2026 een tweede beroep ingesteld. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
6. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. [9] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. [10]
7. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden [11] is overschreden een kortere beslistermijn passend is. In beginsel geldt dan dat de minister binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. In dit geval heeft op 6 augustus 2024 en 21 oktober 2025 echter een nader gehoor plaatsgevonden. Dit heeft tot gevolg dat de minister binnen een termijn van vier weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
8. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. [12]
9. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. [13] De rechtbank overweegt dat deze dwangsom redelijk is. De dwangsom is bedoeld als prikkel om het bestuursorgaan te bewegen een besluit te nemen. In de meeste gevallen is een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- daarvoor voldoende. In het feit dat de eerder opgelegde dwangsom niet heeft geleid tot het nemen van een besluit ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding voor een verhoging van de dwangsom.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister vier weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
11. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt de wegingsfactor die gebruikt wordt bij het bepalen van de hoogte van die proceskostenvergoeding op 0,25. Hiertoe ziet zij aanleiding omdat de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn voor een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen beperkter zijn dan voor een eerste beroep. [14] Dat betekent dat de proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op €233,50. [15]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen vier weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 233,50,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, rechter, in aanwezigheid van
A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
2.Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2023, 3235.
4.ECLI:EU:C:2025:326, alsmede de conclusie van de advocaat-generaal: ECLI:EU:C:2024:1028.
5.Besluit van 11 december 2024 tot het instellen van een besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië (
8.NL24.26218.
9.Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
11.Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
13.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
14.Zie r.o. 6.2 ECLI:NL:RBDHA:2025:22665
15.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,25.