Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6917

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
26/1358 en 26/1766
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 AwbArt. 130 Wvw 1994Art. 131 Wvw 1994Art. 3:2 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging onderzoek rijvaardigheid in plaats van educatieve maatregel gedrag en verkeer

Verweerder legde eiser aanvankelijk een educatieve maatregel gedrag en verkeer (EMG) op vanwege vermoedens van onvoldoende rijvaardigheid. Na een voorgesprek bleek dat eiser de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om de EMG te kunnen volgen, waarna verweerder besloot een onderzoek naar de rijvaardigheid op te leggen.

Eiser betwistte het besluit, onder meer omdat hij ontkende met de telefoon in de hand te hebben gereden en stelde dat de snelheidsovertredingen onvoldoende waren voor een EMG. Ook voerde hij aan dat hij de Nederlandse taal wel voldoende beheerst en dat het onderzoek onevenredige gevolgen heeft.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder terecht uitging van de politiegegevens en dat de gedragingen van eiser voldoende concreet waren om een vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid te rechtvaardigen. De trainer had op professionele gronden vastgesteld dat eiser onvoldoende Nederlands spreekt voor deelname aan de EMG.

De rechtbank concludeerde dat verweerder op goede gronden het onderzoek naar de rijvaardigheid heeft opgelegd en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het opleggen van het onderzoek naar de rijvaardigheid is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 26/1358 en 26/1766
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 maart 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.W.M. de Leest),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder
(gemachtigde: mr. S. van der Ark).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid van eiser. Verweerder heeft met het besluit van 25 augustus 2025 aan eiser een educatieve maatregel gedrag en verkeer (EMG) opgelegd. Omdat eiser volgens verweerder bij nader inzien de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om de maatregel te kunnen volgen, heeft verweerder in plaats van de EMG op 31 december 2025 een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Met het bestreden besluit van 23 februari 2026 op het bezwaar van eiser is verweerder bij die beslissing gebleven. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiser, vergezeld van zijn dochter, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
1.4.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verweerder heeft op 11 augustus 2025 van de politie de mededeling ontvangen dat het vermoeden bestaat dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel lichamelijke of geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van een auto. [2] De politie heeft aan verweerder doorgegeven dat eiser op 6 augustus 2025 als bestuurder van een auto driemaal de maximumsnelheid heeft overschreden. De maximumsnelheid die ter plaatse geldt is 100 kilometer per uur en eiser reed op een gegeven moment met een snelheid van 153 kilometer per uur. Daarbij komt dat op dat moment sprake was van wegwerkzaamheden. Ook reed eiser met een mobiele telefoon in de hand. [3] Verweerder heeft daarom in eerste instantie een EMG opgelegd. [4]
3. Tijdens het voorgesprek bleek echter volgens de trainer dat eiser de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om de maatregel te kunnen volgen. Verweerder heeft daarom in plaats van de EMG een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd. [5] Dit onderzoek zou plaatsvinden op 3 maart 2026. Als eiser het onderzoek niet met goed gevolg aflegt, dan verklaart verweerder het rijbewijs van eiser ongeldig. [6] Deze zaak gaat over de vraag of verweerder terecht een onderzoek naar de rijvaardigheid heeft opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het opleggen van het onderzoek naar de rijvaardigheid. Verweerder heeft het bestreden besluit volgens hem onvoldoende onderbouwd. Hij wijst op rechtspraak van de Afdeling, waaruit volgt dat met voldoende zekerheid moet komen vast te staan dat betrokkene daadwerkelijk de bestuurder van de auto was en dat de waarnemingen van de verbalisanten voldoende concreet, en de mededeling voldoende nauwkeurig en uitgebreid moeten zijn om een maatregel te rechtvaardigen. [7] Eiser weerspreekt dat hij zou hebben gereden met de telefoon in de hand en dat sprake was van een incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer. Er waren op dat moment namelijk zo goed als geen andere weggebruikers. De verbalisanten verklaren bovendien zelf dat zij door eiser met slechts geringe snelheid werden ingehaald. Een snelheidsovertreding van (gecorrigeerd) 48 km/uur is volgens eiser op zichzelf te weinig om een EMG te kunnen opleggen. Verder stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat eiser de Nederlandse taal in onvoldoende mate beheerst. Verweerder had ook daarom geen onderzoek mogen opleggen. Het bestreden besluit is volgens hem niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. [8] Eiser wijst erop dat hij, anders dan bij een EMG, zijn rijbewijs kan kwijtraken als hij het onderzoek niet met goed gevolg aflegt. Dit terwijl hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk, hij een nieuw huis heeft en een groot gezin om te onderhouden.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
5. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit voor eiser heeft.
5.1.
De voorzieningenrechter benoemt allereerst dat het onderzoek naar de rijvaardigheid zou plaatsvinden op 3 maart 2026 om 10.20 uur, op de dag na de mondelinge behandeling op zitting. Eiser heeft op zitting uitgelegd dat hij geen lesauto voor het onderzoek heeft geregeld omdat hij op de dag van het onderzoek moet werken. Omdat eiser niet tijdig een lesauto heeft geregeld, heeft verweerder het onderzoek geannuleerd. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder heeft toegezegd dat het rijbewijs van eiser nog niet ongeldig wordt verklaard. Wanneer eiser in deze procedure geen gelijk krijgt, wordt hij door verweerder eerst opnieuw in de gelegenheid gesteld om mee te werken aan het onderzoek.
5.2.
De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de gegevens van de politie. [9] Hiervoor is geen op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal vereist. [10] In het mutatierapport van 11 augustus 2026 staan drie snelheidsovertredingen vermeld, waarvan twee bij wegwerkzaamheden en één (153 km/uur) met de mobiele telefoon in de hand. Verweerder heeft naar aanleiding van het bezwaar van eiser de politie om een aanvullende reactie gevraagd. Gelet op de aanvullende reactie van de politie (met verwijzing naar de twee digibonnen) heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de door de politie gerapporteerde gedragingen voldoende concreet zijn om een vermoeden van onvoldoende rijvaardigheid te rechtvaardigen.
5.3.
Weliswaar voldoet de gecorrigeerde snelheidsovertreding niet aan het in de primaire beslissing genoemde criterium van een overschrijding van 50 km/uur of meer. [11] De gemeten (afgelezen) gemiddelde snelheid bedroeg namelijk 153 km/uur, de werkelijke (gecorrigeerde) gemiddelde snelheid 148 km/uur. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat dit punt (sub h) daarom komt te vervallen. Maar verweerder stelt zich desalniettemin in het bestreden besluit terecht op het standpunt dat de (herhaaldelijke) gedragingen volledig binnen de reikwijdte vallen van artikel 14, eerste lid, onder a, van de Regeling. Dit aangezien eiser volgens de verbalisanten tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthield, en op meerdere momenten (terwijl sprake was van wegwerkzaamheden) met een fors hogere snelheid reed dan ter plaatse is toegestaan. [12]
5.4.
De enkele weerspreking door eiser en zijn dochter, die bij hem in de auto zat, dat geen sprake was van wegwerkzaamheden, eiser geen mobiele telefoon in zijn hand had (de auto zou een CarPlaysysteem hebben), en dat de verbalisanten dit ook niet zouden hebben kunnen zien door de getinte ramen van de auto, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij erkent eiser dat hij te hard heeft gereden. Hij heeft op zitting toegelicht dat hij hiervoor een boete van € 800,- opgelegd heeft gekregen. Dit betreft de snelheidsovertreding van 148 km/uur na correctie. De politie vermeldt dat de overige snelheidsovertredingen (108 en 118 km/uur) en het negeren stoptransparant met een waarschuwing zijn afgedaan.
5.5.
Uit het driemaal overschrijden van de toegestane maximumsnelheid heeft verweerder mogen afleiden dat is gebleken dat eiser heeft gereden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid. Dat er buiten eiser en de verbalisanten naar gesteld weinig andere verkeersdeelnemers waren ten tijde van de geverbaliseerde feiten, maakt dus niet dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser heeft gereden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid. [13] Dit betekent dat verweerder terecht is overgegaan tot het nemen van een maatregel. [14]
5.6.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder op goede gronden een onderzoek heeft opgelegd in plaats van een EMG. De trainer heeft tijdens het voorgesprek voor de EMG-cursus geconstateerd dat de beheersing van de Nederlandse taal door eiser onvoldoende is om te kunnen deelnemen. Hoewel eiser liet weten dat hij de Nederlandse taal begrijpt, bleek een inhoudelijk gesprek en effectieve deelname in groepsverband niet mogelijk. Eiser vroeg verschillende malen of hij Google Translate mocht gebruiken, aldus de trainer. Verweerder wijst erop dat de EMG geen luistercursus is maar een gedragsinterventie waarin actieve verbale deelname, reflectie en discussie centraal staan. Een deelnemer moet om deel te kunnen nemen in staat zijn om zonder hulpmiddelen in het Nederlands te kunnen communiceren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in dit kader terecht op het standpunt gesteld dat de trainer als professional is belast met de beoordeling van de taalvaardigheid en dat hij mag afgaan van de observaties van de gecertificeerde trainer, zolang deze concreet en begrijpelijk zijn weergegeven. [15] Het door eiser overgelegde inburgeringsdiploma maakt dit niet anders. Ook op zitting lukte het eiser niet zich voldoende verstaanbaar te maken.
5.7.
De bepalingen uit de Wvw 1994 en de Regeling zijn dwingendrechtelijk van aard en laten geen ruimte voor een belangenafweging. Uitsluitend wanneer het zou gaan om zeer uitzonderlijke omstandigheden waarbij de gevolgen onevenredig zouden uitwerken kan een belangenafweging plaatsvinden. Daarvan is in dit geval geen sprake.
5.8.
De voorzieningenrechter begrijp dat eiser liever een educatieve maatregel gedrag en verkeer had gevolgd. Eiser loopt daarbij immers niet het risico dat zijn rijbewijs mogelijk ongeldig wordt verklaard. Gelet op het voorgaande heeft verweerder echter op goede gronden een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd, in plaats van een EMG. Verweerder heeft eiser er op zitting op gewezen dat mocht hij het onderzoek niet met goed gevolg afleggen, hij de mogelijkheid heeft om een tweede onderzoek te laten doen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en verweerder terecht een onderzoek naar de rijvaardigheid heeft opgelegd. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet (Wvw 1994).
3.Bijlage behorend bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling), onder A, onderdeel III, tweede lid, aanhef en onder c, derde lid, aanhef en onder a, en vierde lid, aanhef en onder h.
4.Artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling.
5.Artikel 23, derde lid, aanhef en onder d, van de Regeling, met verwijzing naar artikel 15, aanhef en onder c, van de Regeling.
6.Artikel 27, aanhef en onder a, van de Regeling.
7.Eiser verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2851, en van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4402.
8.Artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
9.Verweerder verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 10 december 2024, ECLI:NL:RVS:2014:4476, van 29 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN8597, van 7 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ9521, en van 27 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI4991.
10.Artikel 24, aanhef en onder b, van de Regeling.
11.Zie de bij Regeling behorende bijlage, onder A, onderdeel III, Rijgedrag, vierde lid, aanhef en onder h.
12.Bijlage behorend bij de Regeling, onder A, onderdeel III, tweede lid, aanhef en onder c, en derde lid, aanhef en onder a.
13.Zie de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2330, r.o. 4.2.
14.Artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994.
15.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY4452, r.o. 3.1.