Uitspraak
200804453/1) mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Hetgeen [appellante] betoogt ten aanzien van de gang van zaken, wat daar ook van zij, doet niet af aan de juistheid van de conclusie van de verbalisant dat [appellante] feitelijk heeft geweigerd mee te werken aan de ademanalyse door geen gevolg te geven aan het gegeven bevel tot medewerking. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de voorzieningenrechter de betrokken verbalisanten had moeten horen. Het door [appellante] aangehaalde opzetvereiste is in de bestuursrechtelijke procedure geen te beoordelen aspect. Dit aspect komt aan de orde in de strafrechtelijke procedure. De Afdeling is gelet op het voorgaande met de voorzieningrechter van oordeel dat op grond van de processen-verbaal vaststaat dat [appellante] op 4 september 2009 onder invloed van alcohol een motorrijtuig heeft bestuurd en dat zij op het politiebureau heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een ademanalyse. Derhalve heeft de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling, met juistheid overwogen dat het CBR gehouden was [appellante] een EMA op te leggen. Het betoog dat de voorzieningenrechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de door [appellante] aangevoerde feiten en omstandigheden faalt eveneens, omdat het betoog er ten onrechte van uitgaat dat [appellante] niet heeft geweigerd mee te werken aan de ademanalyse.