ECLI:NL:RBDHA:2026:698

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
NL25.36198
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGRichtlijn 2008/115/EGArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit voor derdelander Oekraïne ongegrond verklaard

Eiseres, een Nigeriaanse derdelander die rechtmatig verbleef in Oekraïne en vanwege de inval van Rusland tijdelijke bescherming kreeg in Nederland, werd geconfronteerd met een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. Dit besluit bepaalde dat zij Nederland binnen vier weken na uitspraak moest verlaten, omdat haar tijdelijke bescherming na 4 maart 2024 was beëindigd.

Eiseres voerde aan dat het terugkeerbesluit prematuur was genomen en in strijd met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Zij stelde dat de bevriezingsmaatregel die de beëindiging van haar tijdelijke bescherming tijdelijk opschortte, niet mocht worden teruggedraaid en dat zij gelijk behandeld moest worden als Oekraïense ontheemden.

De rechtbank oordeelde dat de tijdelijke bescherming van derdelanders Oekraïne eerder mag worden beëindigd dan die van Oekraïners, mits niet vóór 4 maart 2024. Eiseres had haar asielaanvraag ingetrokken en was niet in het bezit van een verblijfsvergunning. De bevriezingsmaatregel werd gezien als een feitelijke opschorting en niet als rechtmatig verblijf, waardoor het terugkeerbesluit rechtmatig was. Er was geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank zag ook geen aanleiding om het besluit onrechtmatig te achten op grond van het non-refoulementbeginsel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.36198

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

[V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Kortijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).

Inleiding

In het besluit van 29 januari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiseres na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB).
Hierover zijn door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742 in hun verwijzingsuitspraken prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU). In het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez, heeft het HvJ EU deze vragen beantwoord. Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).
Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 8 juli 2025 een terugkeerbesluit genomen.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop hebben partijen niet binnen de gegeven termijn gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 2001 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiseres rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na haar vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft zij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
3. In het besluit van 29 januari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiseres na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiseres. In het besluit van 8 juli 2025 heeft verweerder bepaald dat eiseres binnen vier weken na de uitspraak van de rechtbank in het hiertegen gerichte beroep Nederland moet verlaten.
4. Eiseres is het niet eens met het besluit van 8 juli 2025. Zij voert aan dat verweerder het terugkeerbesluit prematuur heeft genomen. Volgens eiseres handelt verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel door terug te komen op de bevriezingsmaatregel en met het gelijkheidsbeginsel door de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ wel en die van Oekraïners niet te beëindigen.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rechtmatig verblijf van eiseres op 4 maart 2024 van rechtswege geëindigd is. Op 1 juli 2024 heeft zij ook haar asielaanvraag ingetrokken zodat het terugkeerbesluit rechtmatig is. . De bevriezingsmaatregel heeft niet te gelden als rechtmatig verblijf en staat dus niet aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in de weg.
De rechtbank oordeelt als volgt.
6. In het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het besluit van 29 januari 2024 is de tijdelijke bescherming van eiseres na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiseres op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning. Daarnaast heeft zij haar asielaanvraag op 1 juli 2024 ingetrokken. Het terugkeerbesluit van 8 juli 2025 vermeldt dat zij binnen vier weken moet terugkeren naar Nigeria. Daarmee voldoet het besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).
7. Eiseres kan in het verlengde hiervan niet worden gevolgd in haar stelling dat het besluit van 8 juli 2025 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Haar tijdelijke bescherming was gebaseerd op de facultatieve bepaling van de RTB en zij heeft de mogelijkheid om terug te keren naar haar land van herkomst. Dit geldt niet voor Oekraïners en daarmee is geen sprake van gelijke gevallen.
8. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiseres op te maken.
9. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding om het besluit van 8 juli 2025 onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak Ararat.
10. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Het aangevulde terugkeerbesluit blijft in stand.
11. Om die reden bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 14 januari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.