ECLI:NL:RBDHA:2026:7229
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De rechtbank heeft het verzoek om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht toegewezen.
De aanvraag werd ingediend op 11 juli 2024, met een beslistermijn van 90 dagen die met drie maanden werd verlengd. De minister had uiterlijk 9 januari 2025 moeten beslissen, maar heeft dit niet gedaan. Eisers stelden de minister op 30 januari 2025 rechtsgeldig in gebreke en dienden op 18 augustus 2025 beroep in, wat tijdig was.
De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en legt een termijn van acht weken op waarbinnen de minister moet beslissen, met een mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd. De minister wordt veroordeeld tot betaling van reeds verbeurde dwangsommen van €1.442 en de proceskosten van €467.
De uitspraak is gedaan door rechter J.F.I. Sinack op 30 maart 2026 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken te beslissen onder oplegging van een dwangsom.