Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7259

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL25.41950
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000Art. 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000Art. 28, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000Art. 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000Artikel 3.37d, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Colombiaanse vreemdeling wegens onvoldoende bescherming en binnenlands alternatief

Eiser, een Colombiaanse nationaliteit dragende man, diende op 27 juni 2023 een asielaanvraag in na bedreigingen en mishandelingen door de ELN en de Venezolaanse maffia. De minister wees de aanvraag op 26 augustus 2025 af, stellende dat er geen sprake was van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat bescherming door autoriteiten in Colombia mogelijk was.

Eiser betwistte dat bescherming van de autoriteiten in Colombia effectief is en voerde aan dat hij zich niet elders in Colombia veilig kan vestigen. Hij verwees naar landeninformatie en eerdere jurisprudentie die de ontoereikendheid van bescherming door Colombiaanse autoriteiten onderstreepten.

De rechtbank oordeelde dat de minister aan zijn bewijslast had voldaan met recente landeninformatie waaruit blijkt dat de GAULA effectief optreedt tegen afpersing. Eiser had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het vragen van bescherming zinloos zou zijn, mede omdat hij zich niet tot de GAULA had gewend.

Ook het betoog dat een binnenlands beschermingsalternatief ontbreekt, werd verworpen. De rechtbank stelde dat de ELN en maffia niet overal aanwezig zijn en dat eiser zich elders in Colombia kan vestigen. Zijn financiële bezwaren waren onvoldoende om het ontbreken van een alternatief aan te nemen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenvergoedingen af. De uitspraak werd gedaan door rechter H.J. Schaberg op 13 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag blijft afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.41950
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1998, van Colombiaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2
Hieronder staat eerst het procesverloop in dit geding. Daarna volgen de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit en de beoordeling door de rechtbank. Aan het eind staat de beslissing.

Procesverloop

2.1
Eiser heeft op 27 juni 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2.2
De minister heeft deze aanvraag op 26 augustus 2025 afgewezen. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
2.3
De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.D. Garcia Celma als tolk in de Spaanse taal en de gemachtigde van de minister.

Wat eiser aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd

3. Eiser heeft verklaard dat hij de Colombiaanse nationaliteit heeft. Eiser had een eigen pizzeria in Bogotá . Eind 2019 is hij voor het eerst bedreigd in zijn winkel. In 2020 of 2021 werd hij telefonisch afgeperst door leden van de ELN [1] , Colombia’s laatste actieve guerrillagroep, tevens een criminele groepering. Vervolgens is hij in december 2021, onderweg naar de markt, mishandeld door negen personen. Eiser is daarna in maart 2022 naar Europa gegaan en teruggekeerd naar Colombia in november 2022. Hij opende zijn tweede pizzeria. Daar is hij anderhalve maand later wederom bedreigd. Eiser heeft zich vervolgens in januari 2023 tevergeefs gewend tot het politiebureau in de wijk. Vervolgens heeft hij op 31 januari 2023 Colombia verlaten en heeft hij een asielaanvraag in Nederland ingediend. Bij terugkeer vreest eiser wederom afgeperst te worden door de ELN en de Venezolaanse maffia.

Het bestreden besluit

4.1
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen vanwege werkzaamheden
.
4.2
De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook de problemen vanwege eisers werkzaamheden in de pizzeria worden door de minister geloofwaardig geacht. Eiser krijgt echter geen verblijfsvergunning asiel.
4.3
Het feit dat eiser uit Colombia komt is op zichzelf niet genoeg om hem aan te merken als vluchteling. [2] De problemen waarover eiser verklaart, hebben namelijk geen raakvlakken met de vervolgingsgronden uit het Vluchtelingenverdrag [3] , waardoor niet kan worden gesproken van vervolging in de zin van dat verdrag.
4.4
Daarnaast neemt de minister aan dat er in Colombia voor eiser geen reëel risico op ernstige schade is. [4] Eisers vrees om bij terugkeer opnieuw lastiggevallen, in elkaar geslagen, afgeperst en/of bedreigd te worden is volgens de minister weliswaar aannemelijk en zwaarwegend genoeg om in zijn concrete geval te spreken van een reëel risico op ernstige schade. De minister neemt echter aan dat het voor een Colombiaanse vreemdeling in het algemeen mogelijk is de bescherming van de autoriteiten en/of internationale organisaties te verkrijgen. In dit specifieke geval gaat het met name om bescherming van de GAULA [5] , de Fiscalía of de Nationale Politie. Eiser heeft voor zijn komst naar Nederland echter onvoldoende inspanningen verricht om die bescherming te krijgen. Nadat hij bij het politiebureau in de wijk is geweest, heeft hij zich immers niet ook nog tot de GAULA gewend. Bovendien had eiser zich volgens de minister elders in Colombia kunnen vestigen om onder de problemen met de criminele groeperingen uit te komen. Enkel het openen van de tweede pizzeria is in dat kader onvoldoende, omdat die tweede pizzeria zich op slechts 10 kilometer afstand van de eerste bevond.
4.5
Op grond van het voorgaande heeft de minister eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond [6] .

De beroepsgronden van eiser en de beoordeling daarvan

5.1
Eiser betwist dat in Colombia in het algemeen de bescherming van de autoriteiten kan worden inroepen. Daarnaast voert eiser aan dat hij heeft geprobeerd de bescherming van de autoriteiten in te roepen, maar dat toen is gebleken dat de autoriteiten die bescherming niet konden bieden. Tot slot betwist eiser dat hij zich elders in Colombia kan vestigen.
Kan eiser de bescherming van de autoriteiten inroepen?
5.2
Ter onderbouwing van zijn betwisting dat in Colombia in het algemeen de bescherming van de autoriteiten kan worden ingeroepen wijst eiser op landeninformatie, waaronder het Algemeen Ambtsbericht Colombia 2024, informatie van de Immigration and Refugee Board of Canada van 17 juni 2025 en het EUAA [7] COI Report Colombia 2025, waaruit het volgende beeld volgens eiser naar voren komt. De toegang tot justitie is beperkt. Er is een grote mate van straffeloosheid. 93% van de aangiftes stagneert in de eerste onderzoeksfase. [8] De autoriteiten hebben misschien wel de wil om te beschermen, maar dat lukt duidelijk niet. Er kan dus vrijwel in geen enkel geval bescherming worden verkregen. De UNP [9] , die door de minister in het voornemen is genoemd, biedt geen bescherming aan de gewone man. Eiser wijst ook op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 25 februari 2025 [10] , waarin is geoordeeld dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de Colombiaanse autoriteiten daadwerkelijk bescherming (kunnen) bieden tegen afpersing door criminele groeperingen. Dat is ook eisers eigen ervaring toen hij naar het politiebureau in zijn wijk ging. Ook wijst eiser op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 21 augustus 2025 [11] , waarin is geoordeeld dat in het geval de eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade geloofwaardig is geacht, de bewijslast van de stelling dat dit risico bij terugkeer niet meer aanwezig is op de minister rust.
5.3
Deze beroepsgrond slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Hiervoor geeft zij de volgende motivering.
5.4
Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [12] volgt dat bij de vraag of iemand de bescherming van de autoriteiten kan inroepen, eerst wordt onderzocht of in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij wordt informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, betrokken. Eerst nadat die vraag bevestigend is beantwoord kan de vraag aan de orde komen of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien dat laatste niet aannemelijk is gemaakt, kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming van de autoriteiten leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.
5.5
Het voorgaande betekent dat de bewijslast van de stelling dat eiser de bescherming van de autoriteiten kan inroepen, bij de minister ligt. Dat wordt dus niet anders door de verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg.
5.6
De rechtbank is van oordeel dat de minister aan deze bewijslast heeft voldaan. Uit de meest recente landeninformatie, te weten het EUAA COI Report Colombia 2025 blijkt namelijk dat met name de GAULA optreedt in afpersingszaken. GAULA is te bereiken via een gratis telefoonlijn en wordt algemeen erkend vanwege zijn effectiviteit. Die effectiviteit is weliswaar grotendeels afhankelijk van de bereidheid om aangifte te doen, en die bereidheid is in het algemeen laag. [13] Dat neemt naar het oordeel van de rechtbank echter niet weg dat de minister heeft mogen overwegen dat de weg om aangifte te doen openstaat voor eiser, en volgens de landeninformatie ook daadwerkelijk tot resultaat kan leiden. Daarmee heeft de minister voldoende onderbouwd dat in Colombia in het algemeen bescherming wordt geboden tegen afpersing door criminele groeperingen.
5.7
Daarnaast voert eiser aan dat hij heeft geprobeerd de bescherming van de autoriteiten in te roepen, maar dat toen is gebleken dat de autoriteiten die bescherming niet konden bieden. De kapitein van politie van het politiebureau in de wijk heeft immers gezegd dat eiser maar mee moest werken met de afpersers en dat hij er niks aan kan doen. Volgens eisers eigen verklaring heeft de kapitein echter ook gezegd dat dit soort zaken onder verantwoordelijkheid van de GAULA vallen. Eiser heeft zelf verklaard dat hij niet naar de GAULA is gegaan omdat hij niet geloofde dat de GAULA er iets aan zou kunnen doen. [14] Hieruit volgt dat eiser niet heeft geprobeerd de bescherming van de GAULA in te roepen. Hij heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat het vragen van bescherming voor hem bij voorbaat zinloos is. Pas toen hij in het buitenland was heeft zijn ex-vriendin geprobeerd namens hem aangifte te doen, maar dat kon niet omdat hij niet in persoon aanwezig was. Dit heeft de minister onvoldoende mogen vinden om aan te nemen dat hij tevergeefs de bescherming van de autoriteiten heeft ingeroepen, omdat de weg van een persoonlijke aangifte dus nog steeds open staat. Dat eiser daarnaast de bescherming van de UNP zou kunnen inroepen, wordt na de opmerkingen in de zienswijze in het besluit niet langer tegengeworpen. De beroepsgronden die zien op de UNP hoeven dus niet te worden besproken.
Kan eiser zich elders in Colombia vestigen?
5.8
Eiser betwist dat hij zich elders in Colombia kan vestigen. Hij wijst erop dat volgens het EUAA COI Report Colombia 2025 het aantal gewapende groeperingen in Colombia alleen maar toeneemt en dat er steeds meer dwarsverbanden tussen die groeperingen ontstaan, waardoor hij ook voor andere groeperingen te vrezen kan hebben. Waar hij zich ook zal vestigen, ook daar zal hij met gewapende groeperingen te maken krijgen. Vanwege de algemene situatie in Colombia is het bovendien niet veilig om zomaar naar een ander deel van het land te reizen.
5.9
Ook deze beroepsgrond slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet.
5.1
Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling [15] dat de minister een binnenlands beschermingsalternatief mag tegenwerpen als aan drie vereisten is voldaan. Een vreemdeling mag in het binnenlands beschermingsalternatief geen gegronde vrees voor vervolging hebben en geen reëel risico lopen op ernstige schade. Verder moet dat deel van het land toegankelijk zijn voor die vreemdeling en moet hij op een veilige en wettige manier daarnaartoe kunnen reizen. Ook moet de minister redelijkerwijs van de vreemdeling mogen verwachten dat hij zich er vestigt. [16]
5.11
Uit het EUAA COI Report Colombia 2025 blijkt dat de gewapende groeperingen nog steeds niet overal in Colombia aanwezig zijn en dat de invloed van de ELN in 2025 juist is afgenomen [17] . Omdat de ELN en de maffia niet overal in Colombia aanwezig zijn, kan eiser zich dus tegen hen beschermen door naar een ander deel van het land te vertrekken. Uit zijn eigen verklaring blijkt ook dat het voor eiser niet onmogelijk is om zich ergens anders te vestigen. Hij heeft daartegen als bezwaar slechts aangevoerd dat hij financieel zorg draagt voor zijn hele familie en dat hij dan ergens anders helemaal opnieuw moet beginnen. Dat heeft de minister onvoldoende mogen achten om aan te nemen dat voor hem geen binnenlands beschermingsalternatief bestaat. Dat de situatie in het hele land dusdanig gevaarlijk is dat eiser niet veilig naar een ander deel van het land zou kunnen reizen, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.
Conclusie
5.12
De minister heeft de aanvraag kunnen afwijzen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Ejército de Liberación Nacional.
2.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000.
3.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
4.Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
5.Grupos de Acción Unificada por la Libertad Personal, een anti-kidnapping en -afpersing unit van de politie.
6.Artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a en artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000.
7.European Agency for Asylum.
8.Pagina 102 van het COI Report Colombia 2025 van de EUAA.
9.Unidad Nacional de Protección.
10.Zaaknummer: NL24.30717, ECLI:NL:RBDHA:2025:2911.
11.Zaaknummers: NL25.16169 en NL24.50910, ECLI:NL:RBDHA:2025:15689.
12.Hierna: de Afdeling, onder meer de uitspraak van 5 augustus 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD9606.
13.Pagina 84 van het COI Report Colombia 2025 van de EUAA.
14.Zie pagina’s 19-20 van het nader gehoor.
15.Zie onder meer de uitspraak van 23 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5038 en de uitspraak van 24 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3805.
16.Artikel 3.37d, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000, en paragraaf C2/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
17.Zie pagina 42 van het COI Report Colombia 2025 van de EUAA.