ECLI:NL:RBDHA:2026:727

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
NL25.35943
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 31 VwArt. 8:57 AwbRichtlijn 2001/55/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit derdelander Oekraïne ongegrond verklaard

Eiser, een Turkmeense derdelander die tijdelijk bescherming genoot in Nederland vanwege de inval in Oekraïne, verzet zich tegen het terugkeerbesluit van 11 juli 2025. Dit besluit beëindigt zijn tijdelijke bescherming en legt hem de verplichting op Nederland binnen vier weken te verlaten.

De rechtbank overweegt dat de tijdelijke bescherming van derdelanders Oekraïne eerder mag eindigen dan die van Oekraïense ontheemden, zoals bevestigd door het HvJ EU en de Afdeling bestuursrechtspraak. De bevriezingsmaatregel die de gevolgen van het eerdere besluit opschortte, is per 4 september 2025 gestopt, maar bleef gelden voor personen met lopende procedures zoals eiser.

Eiser stelt dat het terugkeerbesluit prematuur is, in strijd met het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, en dat terugkeer een reëel risico op ernstige schade oplevert. De rechtbank oordeelt dat de bevriezingsmaatregel geen rechtmatig verblijf oplevert en dat er geen toezeggingen waren die het vertrouwen van eiser rechtvaardigen. Ook is het verschil in behandeling met Oekraïners gerechtvaardigd vanwege het facultatieve karakter van de bescherming.

Verder is niet aannemelijk gemaakt dat eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt, noch dat hij een beschermenswaardig familie- of privéleven in Nederland heeft opgebouwd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35943

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E. Sahin),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).

Inleiding

In de brief van 29 januari 2024 heeft verweerder vermeld dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB). Verweerder heeft toen geen terugkeerbesluit opgelegd omdat eiser de beslissing op zijn asielaanvraag in Nederland mag afwachten.
Eiser heeft namelijk op 22 augustus 2022 asiel aangevraagd in Nederland. Bij besluit van 13 december 2024 is deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw [1] . Het hiertegen ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 15 april 2025 ongegrond verklaard. [2]
Verweerder heeft vervolgens op 11 juli 2025 een terugkeerbesluit genomen.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Hierop heeft eiser niet gereageerd. Verweerder heeft instemmend gereageerd. De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [datum] 1998 en heeft de Turkmeense nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
3. In een brief van 29 januari 2024 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. In de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742 zijn hierover prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU).
4. Het HvJ EU heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak Kaduna en Abkez. Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).
5. Daarom heeft verweerder de gevolgen van het besluit van 29 januari 2024 bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. [3] In het besluit van 11 juli 2025 heeft verweerder bepaald dat eiser moet terugkeren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft en dat hij Nederland binnen vier weken moet verlaten.
6. Eiser is het niet eens met dit besluit van 11 juli 2025. Hij voert aan dat verweerder zijn tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Volgens eiser handelt verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel door terug te komen op de bevriezingsmaatregel, en is het terugkeerbesluit prematuur genomen. Ook handelt verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel door de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ wel en die van Oekraïners niet te beëindigen. Verder voert eiser aan dat hij niet kan terugkeren naar Oekraïne noch naar zijn land van herkomst omdat hij daar een reëel risico op ernstige schade loopt zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder beroept eiser zich op het recht op familie- en privéleven zoals neergelegd in artikel 8 van Pro het EVRM. Hij heeft een relatie in Nederland.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het rechtmatig verblijf van eiser op 4 maart 2024 van rechtswege geëindigd is, zodat het terugkeerbesluit van 11 juli 2025 rechtmatig is. Hij had op dat moment ook geen verblijfsvergunning of lopende verblijfsrechtelijke aanvraag. De bevriezingsmaatregel heeft niet te gelden als rechtmatig verblijf en staat dus niet aan het uitvaardigen van een terugkeerbesluit in de weg. Dat eiser in zijn land van herkomst een reëel risico op ernstige schade loopt is recent beoordeeld. Tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam is geen hoger beroep ingesteld, zodat het oordeel over artikel 3 van Pro het EVRM in rechte vaststaat. Dat eiser gedurende zijn tijdelijke verblijf banden met Nederland heeft opgebouwd betekent niet dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op familie- of privéleven. Eiser heeft immers vanwege het tijdelijke karakter van zijn verblijfsrecht altijd rekening moeten houden met terugkeer. Ten slotte is niet onderbouwd dat hij een duurzame relatie onderhoudt met zijn partner in Nederland. Indien eiser meent dat hij aanspraak maakt op een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, kan hij een daartoe strekkende aanvraag doen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
8. In het arrest Kaduna en Abkez en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het terugkeerbesluit van 11 juli 2025 is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning. Zoals vermeld is eisers asielaanvraag afgewezen en dat besluit staat in rechte vast. Het besluit vermeldt dat hij binnen vier weken moet terugkeren naar zijn land van herkomst. Daarmee voldoet het besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).
9. Eiser kan in het verlengde hiervan niet worden gevolgd in zijn stelling dat het besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Zijn tijdelijke bescherming was gebaseerd op de facultatieve bepaling van de RTB en hij heeft de mogelijkheid om terug te keren naar zijn land van herkomst. Dit geldt niet voor Oekraïners en daarmee is geen sprake van gelijke gevallen.
10. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken.
11. De stelling van eiser dat hij bij terugkeer naar Oekraïne dan wel Turkmenistan een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM is niet aannemelijk gemaakt. Verweerder verlangt niet van eiser dat hij terugkeert naar Oekraïne. Voor wat betreft de situatie bij terugkeer naar Turkmenistan heeft deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam recent geoordeeld dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser deze gestelde vrees niet aannemelijk heeft gemaakt.
12. Op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn moet bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit rekening worden gehouden met het familie- en gezinsleven. Uit wat door eiser is aangevoerd kan echter niet worden opgemaakt dat hij in Nederland beschermenswaardig familie- of privéleven heeft opgebouwd zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij een duurzame relatie onderhoudt met zijn partner in Nederland. Voor zover eiser meent dat hij aanspraak maakt op een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, kan hij een daartoe strekkende aanvraag doen.
13. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het terugkeerbesluit van 11 juli 2025 blijft in stand.
14. Om die reden bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 15 januari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.ECLI:NL:RBROT:2025:4527. Hiertegen is geen hoger beroep ingediend.
3.https://ind.nl/nl/nieuws/bevriezingsmaatregel-derdelanders-oekraine-stopt-op-4-september-2025