Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7289

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
NL24.8841
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGArt. 8 EVRMArt. 6:19 AwbArt. 8:57 AwbUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging facultatieve tijdelijke bescherming en oplegging terugkeerbesluit aan derdelander

Eiser, een derdelander uit Marokko met tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne, verkreeg in Nederland facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de EU-Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382. De minister beëindigde deze bescherming per 4 maart 2024 en legde een terugkeerbesluit op, waartegen eiser beroep instelde.

Na prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie en uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State werd duidelijk dat de facultatieve tijdelijke bescherming voor derdelanders eerder mag eindigen dan de verplichte bescherming voor andere groepen. De minister trok het prematuur genomen terugkeerbesluit van 21 februari 2024 in en verving dit op 4 juli 2025 door een nieuw besluit.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het ingetrokken terugkeerbesluit niet-ontvankelijk is omdat eiser geen belang meer heeft. Het beroep tegen het nieuwe terugkeerbesluit is ongegrond. De rechtbank overweegt dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad zijn zienswijze kenbaar te maken en dat de minister terecht de bescherming heeft beëindigd. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen het ingetrokken terugkeerbesluit is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het vervangende terugkeerbesluit is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8841

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) [1] en de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft geëindigd en per die datum een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft op 21 februari 2024 eisers tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 beëindigd en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft hier beroep tegen ingesteld op 4 maart 2024.
2.1.
De minister heeft op 4 juli 2025 het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Eiser heeft op 19 augustus 2025 laten weten zijn gronden tegen het besluit van 21 februari 2024 te handhaven. Ook verwijst hij naar de zienswijze.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben
gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en inleidende opmerkingen
3. Eiser komt uit Marokko. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). [3] Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 30 mei 2023 buiten behandeling gesteld. Dit besluit bevat geen terugkeerbesluit. Hiertegen is geen beroep ingesteld.
3.1.
De minister heeft op 21 februari 2024 een terugkeerbesluit opgelegd aan eiser en vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld
3.2.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) hebben op 29 maart 2024 [4] en 25 april 2024 [5] prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). [6] Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [7] uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. [8] Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan. [9]
3.3.
Bij besluit van 4 juli 2025 heeft de minister eiser meegedeeld dat het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 wordt ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Tegen dit besluit heeft eiser aanvullende gronden ingediend.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024. De minister heeft het prematuur genomen terugkeerbesluit van 21 februari 2024, als gevolg van het arrest Kaduna en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, vervangen door het terugkeerbesluit van 4 juli 2025. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat hij toch een belang heeft bij het tegen het besluit van 21 februari 2024 gerichte beroep. Daarom is het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 4 juli 2025
Kwalificatie van het besluit van 4 juli 2025
5. In het besluit van 4 juli 2025 staat dat de minister het eerdere prematuur genomen terugkeerbesluit van 21 februari 2024 intrekt en vervangt door het met dat besluit opgelegde terugkeerbesluit. De rechtbank zal dit besluit aanmerken als een besluit tot vervangen, als bedoeld in artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van het eerdere terugkeerbesluit. De rechtbank zal hierna de tegen dit besluit aangevoerde beroepsgronden bespreken.
De beroepsgronden
5.1.
Eiser betoogt kort gezegd dat de minister de tijdelijke bescherming onder de Richtlijn niet kon eindigen op 4 maart 2024, omdat deze is verlengd tot 5 maart 2025. Er kan ook geen onderscheid worden gemaakt tussen de groep derdelanders die aanvankelijk facultatief tijdelijke bescherming heeft gekregen en de overige categorieën, omdat zij allemaal onder de werking van de Richtlijn zijn geschaard. Daarnaast betoogt eiser dat hij had moeten worden gehoord over zijn privéleven in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM.
5.2.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De Afdeling heeft in haar uitspraken van
23 april 2025 geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne mocht beëindigen op
4 maart 2024. Uit die uitspraken volgt dus dat de facultatieve tijdelijke bescherming voor derdelanders eerder mag eindigen dan die van andere groepen en deze twee groepen ongelijk mogen worden behandeld. De beroepsgronden van eiser leiden niet tot een ander oordeel.
5.3.
Ten aanzien van eisers betoog dat hij had moeten worden gehoord over zijn privéleven overweegt de rechtbank het volgende. Uit arresten van het Hof van Justitie volgt dat eiser in staat moet worden gesteld om zijn standpunten over het terugkeerbesluit kenbaar te maken alvorens dat wordt opgelegd. [10] De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser daartoe voldoende in staat heeft gesteld, nu hij met een zienswijze heeft kunnen reageren op het voornemen van de minister. Het is de rechtbank daarbij niet duidelijk welke informatie de minister niet heeft kunnen betrekken in de besluitvorming, omdat eiser niet is gehoord. Gelet daarop slaagt de enkele verwijzing naar de eerdere beroepsgrond over de hoorplicht niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 21 februari 2024, is niet-ontvankelijk. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 4 juli 2025, is ongegrond.
6.1.
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 bestaande uit een punt voor het beroep tegen het ingetrokken besluit van 21 februari 2024, met een waarde per punt van
€ 934 en wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk
- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juli 2025 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
S. Voolstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
6.ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).
8.TK 2024-2025, 19637, nr. 3434.
10.Zie het arrest van 8 mei 2018, EU:C:2018:308 en het arrest van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913.