Eiseres heeft meerdere keren beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar asielaanvraag van 21 november 2022. De rechtbank heeft eerder een beslistermijn van acht weken opgelegd, maar de minister heeft niet binnen deze termijn een besluit genomen.
In deze vierde procedure oordeelt de rechtbank dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. Gelet op het overschrijden van de bovengrens van 21 maanden en een recent nader gehoor op 18 december 2025, legt de rechtbank een nieuwe beslistermijn van vier weken op, ingaande de dag na deze uitspraak.
De rechtbank legt een dwangsom van €100 per dag op bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000, als prikkel voor tijdige besluitvorming. De eerder opgelegde dwangsom wordt niet verhoogd ondanks het uitblijven van een besluit.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €233,50, rekening houdend met een lagere wegingsfactor vanwege de aard van het opvolgende beroep.
De uitspraak is gedaan door rechter T.F. Bruinenberg en griffier A.S. van der Veen, en is zonder zitting gewezen.