In deze bestuursrechtelijke procedure heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 8 oktober 2024. De rechtbank had in een eerdere uitspraak de minister al een beslistermijn van zestien weken opgelegd, maar de minister heeft niet binnen deze termijn een besluit genomen.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het feit dat de bovengrens van 21 maanden is overschreden, legt de rechtbank een kortere beslistermijn van acht weken op, ingaande de dag na bekendmaking van deze uitspraak.
Daarnaast legt de rechtbank een rechterlijke dwangsom op van €100 per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Deze dwangsom start op 26 juli 2026, nadat de eerder opgelegde dwangsom volledig is volgelopen. De rechtbank acht deze dwangsom redelijk en voldoende als prikkel voor de minister.
Tot slot veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €233,50, rekening houdend met een wegingsfactor van 0,25 vanwege de beperkte omvang van werkzaamheden bij een opvolgend beroep wegens niet tijdig beslissen.