ECLI:NL:RBDHA:2026:800
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring in vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie heeft op 17 oktober 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting.
De rechtbank overwoog dat de maatregel van bewaring reeds eerder rechtmatig was bevonden tot 5 november 2025. De beoordeling richtte zich daarom op de periode van 5 november 2025 tot 12 januari 2026. Eiser stelde dat de uiterste overdrachtsdatum van 4 januari 2026 was verstreken zonder verlenging, waardoor de maatregel onrechtmatig zou zijn geworden.
De rechtbank oordeelde dat door een voorlopige voorziening van de voorzieningenrechter op 31 oktober 2025 het overdrachtsbesluit was geschorst, waardoor de overdrachtstermijn werd verlengd tot zes maanden na de uitspraak op het beroep, dat gepland staat op 20 januari 2026. Hierdoor was de uiterste overdrachtsdatum nog niet verstreken en faalde het beroep.
Daarnaast heeft de rechtbank ambtshalve de rechtmatigheid van de maatregel getoetst, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 en het arrest Adrar van 4 september 2025. Er waren geen aanwijzingen dat het familie- en gezinsleven van eiser of het non-refoulementbeginsel zich verzetten tegen de verwijdering.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.