Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8114

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
NL26.11057
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 31 ProcedurerichtlijnArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet binnen acht weken beslissen op asielaanvragen na overschrijding beslistermijn

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun asielaanvragen van 12 februari 2024. In een eerdere uitspraak werd bepaald dat de minister binnen twaalf weken na 8 augustus 2025 een besluit moest nemen, met een dwangsom bij overschrijding.

De minister heeft niet binnen deze termijn beslist, waardoor het beroep ontvankelijk en gegrond is verklaard. De rechtbank stelt een nieuwe beslistermijn van acht weken vast, rekening houdend met het '8+8 wekenmodel' en de overschrijding van de bovengrens van 21 maanden.

De rechtbank legt een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eisers, vastgesteld op €233,50 vanwege de beperkte omvang van het opvolgend beroep.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Eisers krijgen hiermee gelijk en de minister wordt aangespoord om binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen.

Uitkomst: De minister wordt opgedragen binnen acht weken alsnog te beslissen op de asielaanvragen, met een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding tot maximaal €15.000.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11057

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiserV-nummer: [nummer],

[naam], eiserV-nummer: [nummer],

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In een eerdere procedure heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. [1] In deze uitspraak is bepaald dat de minister binnen een termijn van twaalf weken na 8 augustus 2025 alsnog een besluit moet nemen op de asielaanvragen. Daarin heeft de rechtbank ook bepaald dat als de minister niet op tijd een besluit neemt, hij een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.
1.1.
Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eisers hebben ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvragen van 12 februari 2024.
1.2.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moeten eisers de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat hij binnen twee weken alsnog op de aanvragen moet beslissen. [3] Bij een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvragen is een nieuwe ingebrekestelling echter niet nodig. [4]
3. In de uitspraak van 7 juli 2025 heeft de rechtbank bepaald dat de minister binnen twaalf weken na 8 augustus 2025 moet beslissen op de aanvragen. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvragen genomen.
4. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?
5. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvragen. [5] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. [6]
6. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden [7] is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit leidt ertoe dat de minister binnen een termijn van acht weken een besluit op de aanvragen moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
7. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. [8]
8. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. [9]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister acht weken de tijd krijgt om alsnog op de aanvragen een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eisers een dwangsom verschuldigd.
10. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt de wegingsfactor die gebruikt wordt bij het bepalen van de hoogte van die proceskostenvergoeding op 0,25. Hiertoe ziet zij aanleiding omdat de omvang van de werkzaamheden die redelijkerwijs nodig zijn voor een opvolgend beroep wegens het niet tijdig beslissen in beginsel beperkter zijn dan voor een eerste beroep. [10] Dat betekent dat de proceskostenvergoeding zal worden vastgesteld op €233,50. [11]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvragen bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 233,50-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.NL24.38488 en NL25.8741
2.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4.Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673.
5.Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
7.Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
9.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
10.Zie r.o. 6.2 ECLI:NL:RBDHA:2025:22665
11.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,25.