Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
de toename van de subjectieve gerechtigdheid tot de objectieve onderneming van 80% naar 100%. Verweerder heeft de aanslag schenkbelasting 2021 aldus als volgt vastgesteld:
€ 51.019 -/-
de daar bedoelde onderneming[onderstreping rechtbank] dreef of de daar bedoelde medegerechtigdheid bezat;”.
een onderneming drijftals bedoeld in onderdeel a, en waarbij slechts als ondernemingsvermogen wordt aangemerkt de waarde van deze vermogensbestanddelen
voor zover die waarde toerekenbaar is aan bedoelde onderneming(cursivering Rb).
de daar bedoelde onderneming dreef(cursivering Rb).
de gerechtigdheid tot de toekomstige winsten en verliezen van een/de onderneminggedurende een periode van vijf jaar voor de schenking kunnen worden toegerekend aan de te schenken vennootschap en hiermee indirect aan de schenker. Slechts voorzover daarvan sprake, is voldaan aan de indirecte bezitseis. Dat volgt direct uit de zinsnede ‘
de daar bedoelde onderneming’ zoals opgenomen in artikel 35d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Sw.
in casuhet geval is. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat ‘
het in lijn is met de bedoeling van de bezitseis dat alleen bij actieve handelingen wanneer de onderneming wordt uitgebreid niet wordt voldaan aan de bezitseis’. Die lezing berust eveneens op een onjuiste uitleg van de wet- en regelgeving omtrent de BOR.
Uit de tekst van de bepalingen volgt daarmee dat indien en voor zover een aandelenbelang wordt uitgebreid, daarvoor een nieuwe, op zichzelf staande bezitstermijn aanvangt.[onderstreping rechtbank]
voetnoot: Zie o.a. TK 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 4.], moet hetzelfde gelden voor de uitbreiding van het relatieve aandeel in een vennootschap.
Uit het arrest HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:647, leidt het Hof af dat, als erflaatster binnen de bezitstermijn een niet met haar indirecte aandelenbelang overeenstemmend gedeelte van die onderneming heeft verkregen, in zoverre niet aan de indirecte bezitseis is voldaan. De BOR is daarom, naar het oordeel van het Hof, niet van toepassing op de waarde van de vermogensbestanddelen in de onderneming voor zover de gerechtigdheid daartoe is uitgebreid in de bezitsperiode van één jaar voorafgaand aan het overlijden.[onderstreping rechtbank]