ECLI:NL:RBDHA:2026:886

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
11996000 \ RL EXPL 25-22645
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kort geding over achterstallig loon en doorbetaling bij ziekte van werknemer

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Den Haag op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een werknemer, aangeduid als [eisende partij], en zijn werkgever, Wattson Power B.V. De werknemer vorderde betaling van achterstallig loon en doorbetaling van zijn salaris tijdens ziekte. De werknemer was sinds 1 september 2022 in dienst bij Wattson Power en had zich op 21 augustus 2023 ziekgemeld. Het UWV had vastgesteld dat de werkgever zijn re-integratieverplichtingen niet was nagekomen en had de loondoorbetalingsverplichting verlengd tot 17 augustus 2026. De werkgever had echter meerdere keren het loon niet tijdig betaald, wat leidde tot de vordering van de werknemer in kort geding.

Tijdens de mondelinge behandeling op 7 januari 2026 had de werkgever een deel van het achterstallige loon betaald, maar de werknemer hield zijn vordering in stand voor de doorbetaling van het salaris en de wettelijke verhoging. De kantonrechter oordeelde dat de werkgever verplicht was om het loon door te betalen, maar beperkte de wettelijke verhoging tot 25% vanwege de financiële situatie van de werkgever. De kantonrechter wees de vorderingen van de werknemer grotendeels toe, inclusief de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, en veroordeelde de werkgever in de proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
esp/b/c
Zaaknummer: 11996000 \ RL EXPL 25-22645
Vonnis in kort geding van 14 januari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. K.B. van Bree,
tegen
WATTSON POWER B.V.,
gevestigd te Den Haag,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Wattson Power,
gemachtigde: mr. I.I. Feenstra.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 december 2025;
- de mondelinge behandeling van 7 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] is op 1 september 2022 bij Wattson Power in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, in de functie van [functie] , voor 40 uur per week, tegen een bruto maandsalaris van € 6.000,00 inclusief vakantietoeslag (€ 5.555,55 exclusief vakantietoeslag).
2.2.
[eisende partij] heeft zich per 21 augustus 2023 ziekgemeld. De bedrijfsarts heeft op 8 september 2023 [eisende partij] ’s arbeidsongeschiktheid bevestigd. [eisende partij] is tot op vandaag ziekgemeld.
2.3.
Bij beslissing van 30 juni 2025 heeft het UWV geoordeeld dat Wattson Power haar verplichtingen ten aanzien van [eisende partij] ’s re-integratie niet is nagekomen en heeft het UWV aan Wattson Power een verlenging van de loondoorbetalingsverplichting opgelegd tot 17 augustus 2026.
2.4.
Wattson Power heeft verschillende malen het loon niet tijdig betaald. [eisende partij] heeft Wattson Power onder meer op 12 juli 2024, 4 februari 2025, 15 augustus 2025 en 22 oktober 2025 schriftelijk gesommeerd (onder aankondiging van rechtsmaatregelen) om het loon aan hem te betalen.
2.5.
Op 7 november 2025 heeft [eisende partij] Wattson Power schriftelijk gesommeerd om het loon over de maand oktober 2025 te betalen. Wattson Power heeft het loon over de maanden oktober, november, december 2025 niet betaald.
2.6.
Op 6 januari 2026 heeft Wattson Power met betrekking tot het door [eisende partij] gevorderde loon een bedrag van € 16.666,65 bruto aan hem betaald.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis Wattson Power te veroordelen tot:
I. betaling van € 16.666,65 bruto aan achterstallig loon over de maanden oktober, november, december 2025;
II. doorbetaling van het volledige maandloon van € 5.555,55 bruto totdat het dienstverband op regelmatige wijze is geëindigd;
III. betaling van de wettelijke verhoging over het onder I. gevorderde;
IV. betaling van de wettelijke rente over het onder I. gevorderde;
V. verstrekking van loonstroken en jaaropgaven vanaf september 2022;
VI. betaling van €1.041,67 aan buitengerechtelijke incassokosten;
VII. betaling van de proceskosten.
3.2.
[eisende partij] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Wattson Power is op grond van de arbeidsovereenkomst en de wet verplicht om [eisende partij] tijdig het overeengekomen loon te betalen. Deze betalingsverplichting is als gevolg van de beslissing van het UWV van 30 juni 2025 verlengd tot 17 augustus 2026. Tot het moment van betekening van de dagvaarding, heeft Wattson Power de maanden oktober, november, december 2025 niet betaald. Het gaat daarbij om een bedrag van € 16.666,65 bruto (3 x € 5.555,55) Eén dag voor de mondelinge behandeling heeft Wattson Power het loon over de maanden oktober, november, december 2025 voldaan. Daarom trekt [eisende partij] de vordering hiervoor genoemd onder I. in. Dat geldt ook voor de vordering hiervoor genoemd onder V. omdat hij daags voor de mondelinge behandeling de gevorderde jaaropgaven en salarisspecificaties tot oktober 2025 van Wattson Power heeft ontvangen. [eisende partij] blijft echter belang hebben bij toewijzing van de andere vorderingen.
3.3.
Wattson Power voert verweer. Wattson Power concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Wattson Power voert het volgende aan. Het gaat niet goed met Wattson Power vanwege ernstige privé omstandigheden van haar bestuurder. Er is geen geld. Het laatste kwartaal van vorig jaar is al het personeel ontslagen. Er is nu een team betrokken om te bekijken of het bedrijf door zou kunnen. In dat verband is een bedrag van € 16.555,65 betaald en zijn de beschikbare jaaropgaven en salarisspecificaties aan [eisende partij] verstrekt. Omdat [eisende partij] recht heeft op 70% van het overeengekomen loon van € 5.555,55, is in alle haast te veel betaald. Wattson Power is niet verplicht om [eisende partij] een hoger maandloon dan € 3888,55 bruto te betalen. De specificaties over de maanden oktober, november, december 2025 worden toegezonden zodra is vastgesteld dat Wattson Power 70% van het loon aan [eisende partij] moet betalen. Wattson Power maakt bewaar tegen de wettelijke verhoging, de wettelijke rente, de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eisende partij] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering (loonvordering). Het gaat namelijk om de maandelijkse inkomsten van [eisende partij] .
Verschuldigd loon
4.3.
Wattson Power is, zoals door [eisende partij] terecht is gesteld, op grond van de arbeidsovereenkomst, de wet en de door het UWV opgelegde loondoorbetalingsverplichting verplicht om tot 17 augustus 2026 het overeengekomen loon bij ziekte aan [eisende partij] door te betalen. Dat wordt door Wattson Power ook niet (meer) betwist. Wattson Power betwist dat het daarbij gaat om het gehele loon van € 5.555,55 bruto per maand. Zij wist erop dat zij slechts verplicht is om 70% van het overeengekomen maandloon te betalen, dat wil zeggen € 3,888,55 bruto per maand. [eisende partij] heeft het percentage en het bedrag tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. De kantonrechter gaat daarom uit van een verplichting van Wattson Power om [eisende partij] tot 17 augustus 2026 maandelijks € 3,888,55 bruto te betalen.
4.4.
Met de intrekking van de vordering onder I. vanwege de betaling daags voor de mondelinge behandeling, volgt er geen beslissing over het achterstallige loon. Dat er nog belang is bij een beslissing op de onder II. gevorderde doorbetaling van het loon, is door Wattson Power niet betwist. Gelet op wat hiervoor aan de orde is gesteld over inmiddels betaald loon en over de hoogte van het loon, gaat het daarbij om betaling van een bedrag van 3.888,55 bruto per maand (zijnde 70% van het overeengekomen loon van € 5.555,55 bruto per maand) met ingang van 1 januari 2026 totdat het dienstverband op regelmatige wijze is geëindigd. De kantonrechter acht het aannemelijk dat deze loonvordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De gevorderde loonbetaling is – bij wijze van voorlopige voorziening – dan ook toewijsbaar.
Wettelijke verhoging
4.5.
[eisende partij] vordert betaling van de wettelijke verhoging over het te laat betaalde loon. Uit wat door partijen naar voren is gebracht, is vast komen te staan dat het loon over de maanden oktober, november, december 2025 te laat is betaald. De wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is een sanctie op niet-tijdige betaling van het loon en is bedoeld als prikkel voor de werkgever om het loon op tijd te betalen, zodat de werknemer tijdig over het loon kan beschikken. De rechter kan, rekening houdend met de omstandigheden van het geval, de verhoging (die in beginsel maximaal 50% bedraagt) beperken tot ieder bedrag dat billijk is.
4.6.
Wattson Power heeft aangevoerd dat Wattson geen geld heeft. Toegelicht is dat de bestuurder ernstig ziek is en vorig jaar geconfronteerd is met een tragisch sterfgeval in de familie. Daardoor gaat het al een poos niet goed met het bedrijf en is inmiddels het personeel ontslagen.
4.7.
In de niet door [eisende partij] weersproken negatieve financiële situatie ziet de kantonrechter aanleiding de wettelijke verhoging in dit kort geding te beperken tot 25%. Voor een verdere matiging ziet de kantonrechter geen aanleiding. Voor de duidelijkheid zal in het dictum worden opgenomen dat bij berekening van de wettelijke verhoging moet worden uitgegaan van een verschuldigd loon over de maanden oktober, november en december 2025 ter hoogte van € 3.888,55 bruto per maand.
Wettelijke rente
4.8.
[eisende partij] vordert wettelijke rente over het te laat betaalde loon. Dit zal als op de wet gegrond worden toegewezen over het verschuldigde loon over de maanden oktober, november en december 2025 ter hoogte van € 3.888,55 bruto per maand vanaf het tijdstip dat deze bedragen opeisbaar waren tot 6 januari 2026, dat is het moment dat Wattson Power het achterstallige loon heeft betaald.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.9.
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en Watttson Power heeft dat onvoldoende gemotiveerd betwist. [eisende partij] heeft recht op een vergoeding van de kosten van die werkzaamheden. Er wordt daarom een bedrag van € 1.041,67 toegewezen.
Proceskosten
4.10.
Wattson Power is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Dat Wattson Power vlak voor de mondelinge behandeling over is gegaan tot betaling van het achterstallige loon en afgifte van jaaroverzichten en salarisspecificaties (en [eisende partij] zijn vordering in verband daarmee deels heeft ingetrokken) is geen reden om daarover anders te oordelen. Kennelijk waren het uitbrengen van de dagvaarding en de voorbereiding op de mondelinge behandeling noodzakelijk om Wattson Power daartoe te brengen.
De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.079,47
Uitvoerbaar bij voorraad
4.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eisende partij] dat vordert en Wattson Power daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Wattson Power om aan [eisende partij] te betalen het aan [eisende partij] toekomende maandelijkse brutoloon van € 3.888,55 per maand vanaf 1 januari 2026 totdat het dienstverband op regelmatige wijze is geëindigd;
5.2.
veroordeelt Wattson Power om aan [eisende partij] te betalen een wettelijke verhoging zoals bedoeld in artikel 7:625 BW van maximaal 25% over het loon van de maanden oktober, november en december 2025 ter hoogte van € 3.888,55 bruto per maand;
5.3.
veroordeelt Wattson Power om aan [eisende partij] te betalen de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over het loon van de maanden oktober, november en december 2025 ter hoogte van € 3.888,55 bruto per maand vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot 6 januari 2026;
5.4.
veroordeelt Wattson Power om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 1.041,67 aan buitengerechtelijke kosten;
5.5.
veroordeelt Wattson Power in de proceskosten van € 1.079,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Wattson Power niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.W. Schippers en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026.