ECLI:NL:RBDHA:2026:9116
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De aanvraag werd ingediend op 28 maart 2024, terwijl de minister uiterlijk op 26 september 2024 had moeten beslissen. Deze termijn is verstreken zonder besluit.
De rechtbank stelt vast dat het beroep tijdig is ingesteld en gegrond is. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht legt de rechtbank een termijn van acht weken op waarbinnen de minister een besluit moet nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd.
De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van reeds verbeurde dwangsommen van €1.442, vergoeding van het griffierecht van €194 en proceskosten van €467. De uitspraak is gedaan door rechter J.F.I. Sinack en griffier A.S. Hamans op 2 april 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen en legt een termijn en dwangsommen op aan de minister.