Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9270

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL26.13864
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 VwArt. 31 ProcedurerichtlijnArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag tijdens besluitmoratorium

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 19 augustus 2023. De minister had een besluit- en vertrekmoratorium (BVM) ingesteld voor Syriërs van 14 december 2024 tot 13 juni 2025, waardoor de beslistermijn werd opgeschort. De rechtbank oordeelt dat deze opschorting ook geldt voor aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken toen het BVM inging.

De rechtbank baseert zich op artikel 43 van Pro de Vreemdelingenwet en artikel 31 van Pro de Procedurerichtlijn, waarbij het BVM wordt opgevat als opschorting van de beslistermijn. De minister had uiterlijk 14 juni 2025 moeten beslissen. Omdat de minister dit niet heeft gedaan, is het beroep ontvankelijk en gegrond verklaard.

De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van vier weken op, rekening houdend met het 8+8 wekenmodel en het nader gehoor van 28 mei 2024. Bij overschrijding van deze termijn moet de minister een dwangsom van € 100 per dag betalen, met een maximum van € 15.000. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser ad € 467.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Eiser krijgt hiermee gelijk en de minister wordt verplicht alsnog binnen de gestelde termijn een besluit te nemen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een termijn van vier weken op om alsnog te beslissen, met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13864

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 19 augustus 2023.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2. Gelet op de datum van de aanvraag is WBV 2023/3 [2] het in deze zaak toepasselijke wijzigingsbesluit. De rechtbank baseert dit oordeel op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2025. [3] Dit betekent dat de minister in dit geval in beginsel binnen zes maanden een beslissing op de aanvraag van eiser diende te nemen. Met het besluit van 11 december 2024 heeft de minister een Besluit- en Vertrekmoratorium (BVM) ingesteld voor vreemdelingen uit Syrië [4] , in werking getreden op 14 december 2024. Het BVM gold tot en met 13 juni 2025.
3. De grondslag voor het BVM ligt in artikel 43, eerste lid, van de Vw, waarin artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn is geïmplementeerd. In artikel 43, eerste lid, van de Vw staat dat de minister de beslistermijn kan
verlengentot ten hoogste 21 maanden, indien naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de situatie in het land van herkomst. In artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn staat dat de lidstaten de onderzoeksprocedure kunnen
uitstellenin individuele gevallen bij een onzekere situatie in het land van herkomst.
4. De rechtbank ziet aanleiding om de term verlengen in het BVM op te vatten als opschorten. Daarbij neemt de rechtbank het bepaalde in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn in aanmerking en het feit dat de Procedurerichtlijn van recentere datum is dan de totstandkoming van de Vreemdelingenwet en het bepaalde in artikel 43. Verder is van belang dat de Engelse versie van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn het heeft over “postpone”. De rechtbank vindt ook steun in het doel en de strekking van een BVM. Een BVM ziet op de situatie waarin niet beslist kan worden op aanvragen, omdat de situatie in het land van herkomst zodanig complex is dat geen weloverwogen besluit kan worden genomen. Op het moment dat de situatie niet langer complex is en het BVM niet langer van kracht is, gaat de beslistermijn weer lopen en kan de minister weer besluiten nemen. Dat de wet en het BVM zelf over verlengen spreken in plaats van over opschorten doet hieraan niet af. [5]
5. Het voorgaande maakt dat de rechtbank uitgaat van een opschorting van de beslistermijn gedurende de geldigheid van het BVM. Deze opschorting geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken op het moment dat het BVM van kracht werd. [6] In de zaak van eiser is de aanvraag ingediend op 19 augustus 2023. De beslistermijn was voordat het BVM van kracht werd al verstreken. De opschorting van de beslistermijn betekent in dit geval dat de minister uiterlijk op 14 juni 2025 een besluit had moeten nemen op de asielaanvraag. Eiser heeft de minister na het verstrijken van deze datum in gebreke gesteld en verzocht om alsnog binnen twee weken een besluit te nemen. De minister heeft dit niet gedaan en eiser heeft vervolgens beroep ingesteld. [7] Het beroep is ontvankelijk en gegrond.

Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?

6. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. [8] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. [9]
7. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden [10] is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat de minister in principe binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. In dit geval heeft op 28 mei 2024 een nader gehoor plaatsgevonden. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van vier weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
8. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. [11]
9. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- per dag moet betalen als hij de door de rechtbank opgelegde beslistermijn overschrijdt. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-. [12]

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister vier weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.
11. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,-. [13]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen vier weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van
A.S. van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Besluit van 26 januari 2023, nummer WBV 2023/3, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Stcrt. 2023, 3235.
3.ECLI:EU:C:2025:326, alsmede de conclusie van de advocaat-generaal: ECLI:EU:C:2024:1028.
4.Besluit van 11 december 2024 tot het instellen van een besluitmoratorium en een vertrekmoratorium voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië (
7.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.
8.Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
10.Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
12.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
13.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0,5.