ECLI:NL:RBDHA:2026:9325

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
NL24.43111
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing mvv-aanvragen op grond van artikel 8 EVRM met nadruk op belangenafweging

Eisers, allen van Syrische nationaliteit, hebben mvv-aanvragen ingediend om als familieleden bij referent in Nederland te verblijven. Verweerder wees deze aanvragen af, waarbij hij het gezinsleven tussen eisers en referent erkende, maar een te strenge belangenafweging toepaste door te eisen dat er zeer bijzondere omstandigheden moesten zijn voor een positieve uitkomst.

De rechtbank oordeelt dat verweerder onterecht een te streng toetsingskader hanteerde en dat een evenwichtige belangenafweging had moeten plaatsvinden. Ondanks deze tekortkoming acht de rechtbank de belangenafweging van verweerder uiteindelijk redelijk en in overeenstemming met artikel 8 EVRM Pro, mede gelet op de zelfstandigheid van referent, het economisch belang van Nederland en de aard van het gezinsleven.

Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit wegens gebrekkige motivering, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand. Tevens veroordeelt zij verweerder tot betaling van proceskosten aan eisers. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en evenwichtige belangenafweging bij mvv-aanvragen in het kader van gezinsleven en het EVRM.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens een te streng toetsingskader, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.43111

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres 1], eiseres 1,

[eiseres 2],eiseres 2,
[eiser 1],eiser 1,
[eiser 2],eiser 2,
[eiseres 3],eiseres 3,
V-nummers: [V-nummer 1], [V-nummer 2], [V-nummer 3], [V-nummer 4] en [V-nummer 5],
samen genoemd eisers,
(gemachtigde: mr. T. Volckmann),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eisers tot het verlenen van een mvv [1] . Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van deze aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
1.1.
De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb [2] . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben allen een aanvraag ingediend tot het verlenen van een mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [3] ’. Verweerder heeft deze aanvragen aangemerkt als mvv-aanvragen in het kader van nareis. [4] Met het primaire besluit van 14 juli 2023 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, [naam 1] (referent), de heer [naam 2] als tolk en de gemachtigde van verweerder. Eisers waren niet aanwezig

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding
3. Eisers stellen allen van Syrische nationaliteit te zijn. Zij wensen bij referent, tevens hun zoon en broer, in Nederland te verblijven. Referent is geboren op [geboortedatum] 1999 en hij heeft sinds 1 april 2022 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 13 juni 2022 heeft referent ten behoeve van eisers deze mvv-aanvragen ingediend.
Standpunten van partijen
4. Verweerder heeft de mvv-aanvragen van eisers in het primaire besluit afgewezen en die beslissing in het bestreden besluit gehandhaafd, omdat eisers niet voldoen aan de voorwaarden voor verlening van een mvv. Volgens verweerder voldoet referent aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid. Daarom heeft verweerder tussen referent en zijn moeder (eiseres 1) gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM aangenomen. Ook heeft verweerder gezinsleven tussen referent en zijn minderjarige broertjes en zusje (eisers en eiseres 3) aangenomen, omdat tussen hen sprake is van hechte persoonlijke banden. Maar de daarop volgende belangenafweging valt volgens verweerder in het nadeel van hen uit. Verder heeft verweerder tussen de meerderjarige zus van referent (eiseres 2) en haar moeder (eiseres 1) beschermingswaardig gezinsleven aangenomen, maar tussen haar en referent niet. Volgens verweerder is er namelijk tussen eiseres 2 en referent geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Maar nu de belangenafweging in het nadeel van eiseres 1 en de overige kinderen uitvalt, zal eiseres 2 niet van haar moeder en haar minderjarige broertjes en zusje gescheiden worden.
5. Eisers hebben het bestreden besluit gemotiveerd betwist. Wat zij naar voren hebben gebracht zal – voor zover relevant – hieronder worden besproken.
Wat ligt er in deze procedure voor ter beoordeling van de rechtbank?
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder op zitting heeft verklaard dat in het bestreden besluit ten overvloede is overwogen dat er tussen eiseres 2 en referent geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Verweerder gaat er dan ook van uit dat sprake is van beschermingswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiseres 2 en referent. De rechtbank zal hier daarom ook van uit gaan en de beroepsgronden die zien op de afhankelijkheidsrelatie tussen eiseres 2 en referent, buiten bespreking laten. Verder stelt de rechtbank vast dat het geschil tussen partijen nu alleen nog gaat over de door verweerder in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM gemaakte belangenafweging.
Heeft verweerder de belangenafweging in het nadeel van eiser kunnen laten uitvallen?
Wat is het juridische kader?
7.1.
Volgens vaste rechtspraak [5] moet de rechter zonder terughoudendheid toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een 'fair balance' tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend moet zijn. Dit betekent dat de rechtbank moet beoordelen of verweerder in de belangenafweging in redelijkheid de nadelige punten voor eisers zwaarder mocht laten wegen dan de voordelige punten.
7.2.
Uit de jurisprudentie van het EHRM [6] volgt verder dat in alle besluiten over kinderen hun belangen een eerste overweging moeten vormen.
Heeft verweerder een te strenge beoordeling verricht?
8. Eisers voeren aan dat verweerder een onjuist toetsingskader heeft toegepast door in het bestreden besluit te overwegen dat, ondanks dat het jongvolwassenbeleid van toepassing is op referent, er sprake moet zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een positieve verplichting bestaat om verblijf aan hen te verlenen.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat er sprake moet zijn van zeer bijzondere omstandigheden om de belangenafweging in het voordeel van eisers uit te laten vallen, omdat er sprake is van een eerste toelating en de wetgever een bewuste keuze zou hebben gemaakt om meerderjarige kinderen en hun ouders en/of broers en zussen niet onder het nareisbeleid te laten vallen. [7] Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hiermee te streng geweest in zijn beoordeling, omdat tussen referent en eisers al gezinsleven bestond op het moment dat referent vertrok uit het land van herkomst. [8] In plaats daarvan had de verweerder dus een evenwichtige belangenafweging moeten maken waarbij hij alle omstandigheden meeweegt. Door de belangenafweging niet op deze wijze te verrichten, heeft verweerder het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd.
8.2.
Gelet hierop is het beroep al gegrond. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. Wel ziet de rechtbank aanleiding om te onderzoeken of de rechtgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten, omdat verweerder toch kan worden geacht een ‘fair balance’ te hebben getroffen tussen enerzijds het belang van eisers bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven met referent in Nederland en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.
Heeft verweerder de belangenafweging in het nadeel van eisers kunnen laten uitvallen?
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle relevante feiten en omstandigheden – ook in samenhang bezien – bij de belangenafweging betrokken en zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de weigering om eisers een mvv te verlenen niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
9.1.
Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat er sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen, omdat aan referent een verblijfsvergunning asiel is verleend. Volgens verweerder weegt dit zwaar in het voordeel van eisers. Hoewel uit het door eisers aangehaalde arrest M.A. tegen Denemarken [9] volgt dat het bestaan van een objectieve belemmering van invloed kan zijn op de beoordelingsmarge van verweerder, blijkt uit dit arrest naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder bij het maken van een belangenafweging helemaal geen beoordelingsruimte meer heeft. Voor zover eisers betogen dat op grond van het hiervoor genoemde arrest voor verweerder een positieve verplichting bestaat om hen verblijf in Nederland toe te staan, omdat er sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen, slaagt dit betoog daarom niet.
9.2.
Dat er een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen, dat eisers beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding en dat eisers geen antecedenten hebben die de Nederlandse openbare orde schaden weegt weliswaar in het voordeel van eisers, maar heeft verweerder niet doorslaggevend hoeven achten. Daarover wordt het volgende overwogen.
9.3.
Verweerder heeft de aard en intensiteit van het gezinsleven in het nadeel van eisers en referent mogen meewegen, omdat referent stappen heeft gezet naar zelfstandigheid. Daarbij is van belang dat referent in staat is gebleken om – wellicht met hulp op afstand van zijn moeder – zelfstandig een huishouden te voeren, hij een uitkering op grond van de Participatiewet heeft en hij ten tijde van het bestreden besluit 23 jaar oud was. Dat referent veel contact onderhoudt met zijn familieleden, maakt dit niet anders. Referent heeft – zoals verweerder niet ten onrechte stelt – namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij intensieve zorg of ondersteuning nodig heeft van zijn gezinsleden die hij niet op afstand kan krijgen. Hij heeft weliswaar gesteld psychische problemen te hebben en op zitting invoelbaar verklaard dat hij zijn familieleden om die reden nodig heeft, maar hij heeft dit niet nader onderbouwd met (medische) stukken. De stelling van eisers dat uit het gegeven dat het jongvolwassenbeleid van toepassing is blijkt dat er sprake is van een zekere afhankelijkheid tussen hen en referent, volgt de rechtbank niet. Verweerder kan namelijk in de belangenafweging een ander standpunt innemen over feiten en omstandigheden dan hij bij de vaststelling van gezinsleven op grond van het jongvolwassenenbeleid heeft gedaan, aangezien de context en inhoudelijke beoordeling van elkaar verschillen. [10]
9.4.
Ook heeft verweerder het economisch belang van Nederland in de belangenafweging betrokken. Zoals uit de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024 [11] volgt, moet verweerder de belangenafweging tussen het economisch belang van Nederland en het belang van betrokkenen bij gezinshereniging waarderen in het licht van alle omstandigheden van het geval. Bij de waardering van het economisch belang van Nederland moet verweerder rekening houden met het antwoord op de vraag of referent als jongvolwassene alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mag worden om in zijn kosten van het onderhoud en dat van zijn gezinsleden te voorzien.
9.4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder heeft niet ten onrechte bij zijn beoordeling betrokken dat referent een uitkering op grond van de Participatiewet heeft en niet beschikt over inkomen uit arbeid. Hij beschikt dus niet over voldoende middelen van bestaan om zijn gezinsleden financieel te ondersteunen. Ook is niet gebleken – zoals verweerder niet ten onrechte stelt – dat referent op korte termijn wel betaald werk zal vinden of dat hij zich actief inspant om dit te realiseren. Voor zover referent stelt dat dit niet mogelijk zou zijn vanwege zijn psychische problemen, is deze stelling niet nader onderbouwd. Dat verweerder niet van referent mag verwachten dat hij in zijn eigen levensonderhoud voorziet aangezien het jongvolwassenenbeleid op hem van toepassing is en dit een contra-indicatie bij de toepassing van het jongvolwassenenbeleid zou zijn, volgt de rechtbank niet. Zoals al eerder onder 9.3 is overwogen, is er namelijk sprake van twee verschillende toetsingskaders die naar context en inhoud van elkaar verschillen.
9.4.2.
Gelet op het vorenstaande, als ook dat niet gebleken is dat eisers over voldoende inkomen of vermogen beschikken, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het aannemelijk is dat eisers bij overkomst naar Nederland een zekere tijd ten laste zullen komen van de openbare kas. Daarbij heeft verweerder ook van belang kunnen vinden dat eisers in Nederland aanspraak zullen kunnen maken op de door de Nederlandse overheid betaalde openbare voorzieningen, zoals de gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting en infrastructuur. [12]
9.4.3.
Verweerder heeft – gelet op wat hiervoor is overwogen – niet ten onrechte het economisch belang in het nadeel van eiser meegewogen.
9.5.
Wat betreft het beroep van eisers op de algemene veiligheidssituatie in Syrië, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze asielgerelateerde omstandigheden geen rol spelen in deze procedure. Weliswaar kunnen asielgerelateerde gronden onder bepaalde omstandigheden een rol spelen in het kader van de beoordeling of een objectieve belemmering bestaat het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen – zoals in dit geval ook is gebeurd – maar gaat dit niet zover dat deze volledig moeten worden beoordeeld op aannemelijkheid, zoals in een asielprocedure. [13]
9.6.
Verder heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat de binding van eisers met Syrië sterker is dan de binding met Nederland. De rechtbank stelt vast dat eisers dit in beroep niet hebben bestreden. Dit geldt ook voor de overwegingen van verweerder ten aanzien van de belangen van het kind.
9.7.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder de belangenafweging in het nadeel van eisers kunnen laten uitvallen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Verweerder heeft de aanvragen van eisers tot het verlenen van een mvv terecht afgewezen.
11. Gelet op wat onder 8.1 is overwogen, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Maar de rechtbank laat – gelet op wat onder 8.2 tot en met 10 in de uitspraak is overwogen – met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
13. Ook krijgen eiser het griffierecht terug, omdat het beroep gegrond is.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 oktober 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eisers te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Algemene wet bestuusrecht.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.De aanvragen zijn namelijk binnen drie maanden ingediend na verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan referent.
5.Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1503 en 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4911.
6.Europees Hof voor de Rechten van de Mens, zie onder meer de arresten van 3 oktober 2014, [naam 4] tegen Nederland, § 109, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, en 8 november 2016, [naam 3] tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD005697110, § 46.
7.Zie de kopjes ‘eerste toelating versus rechtmatig verblijf’ en ‘restrictief toelatingsbeleid’ in het primaire en bestreden besluit.
8.Zie de uitspraken van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4911, onder 6.1 en 6.2, en 20 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5299.
9.Arrest van het EHRM van 9 juli 2021, in de zaak MA tegen Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2021:0709JUD000669718.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, onder 3.3 en 3.4.
12.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2485.
13.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1623.