Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9369

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
23/783
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 PwArt. 13 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek bijzondere bijstand kinderopvang met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Eiseres, behandeld voor psychische problemen, vroeg bijzondere bijstand voor kinderopvangkosten op basis van een sociaal-medische indicatie met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2021. Het college Leiden kende de tegemoetkoming toe vanaf 1 april 2022, waarna eiseres bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde tegen het besluit.

De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar psychische toestand haar verhinderde om tijdig een aanvraag in te dienen. Onbekendheid met regelgeving wordt niet als bijzondere omstandigheid beschouwd. De hulp die eiseres ontving was gericht op geestelijk herstel en administratie, niet specifiek op het aanvragen van de tegemoetkoming.

De hardheidsclausule uit het beleidskader biedt geen grond voor terugwerkende kracht, omdat eiseres niet heeft onderbouwd dat toepassing van de beleidsregels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Ook het feit dat bijzondere bijstand niet kan worden verleend voor het aflossen van een schuld aan de Belastingdienst speelt een rol.

Daarom blijft het bestreden besluit in stand, krijgt eiseres geen bijzondere bijstand met terugwerkende kracht, en worden haar proceskosten niet vergoed.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het collegebesluit tot toekenning van de tegemoetkoming vanaf 1 april 2022 blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/783

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. P.H.J. Körver),
en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, het college

(gemachtigde: mr. K. Bergacker).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college met terugwerkende kracht een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang op basis van een sociaal-medische indicatie (de tegemoetkoming) had moeten toekennen aan eiseres. Eiseres is het er niet mee eens dat het college de tegemoetkoming heeft toegekend met ingang van 1 april 2022. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het bestreden besluit blijft in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 1 augustus 2022 (het primaire besluit) heeft het college aan eiseres de tegemoetkoming ten behoeve van haar zoon [naam] toegekend over de periode van 1 april 2022 tot en met 31 december 2022. Met het bestreden besluit van 14 december 2022 op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres en het college.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Eiseres wordt sinds 2018 behandeld voor haar psychische problemen. Op [geboortedatum] 2019 is haar zoon [naam] geboren. Hij ging sinds juli 2019 naar de kinderopvang. Zolang eiseres nog in loondienst was ontving zij kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst. Sinds 1 januari 2021 is haar dienstverband beëindigd. Dit betekent dat zij sinds 1 april 2021 geen recht meer had op kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft op 4 april 2022 bij het college verzocht om toekenning van de tegemoetkoming over de periode van 1 april 2021 tot en met 24 april 2023.
3.1.
Met het primaire besluit heeft het college de tegemoetkoming toegekend voor 6 dagdelen per week met ingang van 1 april 2022.
3.2.
Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat in de omstandigheden van eiseres geen aanleiding bestaat om de gevraagde tegemoetkoming met terugwerkende kracht toe te kennen. De medische omstandigheden van eiseres zijn volgens het college niet dusdanig dat niet van haar kon worden verwacht dat zij (tijdig) een aanvraag deed, al dan niet met ondersteuning van een derde. Er was sprake van onbekendheid met regelgeving, maar dat had geen oorzaak die is gelegen in haar medische omstandigheden. Zij ontving reeds hulp van derden en deze hulp was in principe adequaat. Dat deze hulp niet heeft erkend dat eiseres ten onrechte kinderopvangtoeslag ontving maakt dit niet anders.
Wat vindt eiseres?
4. Eiseres voert aan dat zij vanwege haar zware psychische klachten niet in staat was om tijdig de tegemoetkoming aan te vragen. Het college had daarom op grond van de hardheidsclausule de tegemoetkoming met terugwerkende kracht moeten toekennen. Zij leed rond maart 2021 zo ernstig onder haar psychische toestand dat zij niet in staat was om de aanvraag eerder in te dienen, en kennelijk was zij ook niet in staat om adequate hulp te vinden. De hulpverlening die eiseres wel ontving was niet gericht op hulp bij het doen van een aanvraag voor de tegemoetkoming, maar was gericht op haar geestelijk herstel en deelname aan de maatschappij. Daarom kon van eiseres niet worden verwacht dat zij op eigen kracht op of omstreeks 1 april 2021 een aanvraag indiende.
Met terugwerkende kracht verlenen van bijzondere bijstand
5. Voor kosten die zijn ontstaan voor de datum waarop de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Pw. [1]
5.1.
Zulke omstandigheden kunnen zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat zij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. [2] Het is aan betrokkene om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden. [3]
5.2.
Voor zover eiseres bedoelt dat het college vanwege bijzondere omstandigheden de tegemoetkoming had moeten toekennen met terugwerkende kracht, oordeelt de rechtbank als volgt.
5.3.
Het college heeft in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding hoeven zien om bijzondere omstandigheden aan te nemen. Het is niet gebleken dat eiseres vanwege haar psychische toestand niet in staat was om eerder een aanvraag in te dienen voor de tegemoetkoming. Uit de door eiseres overgelegde verklaringen van behandelaren en begeleiders volgt weliswaar dat eiseres psychische problemen had, maar er volgt niet uit dat zij gelet op haar gesteldheid niet in staat was om een aanvraag in te dienen. Uit de brief van de coach van eiseres vanuit [instantie] van 17 oktober 2022 volgt dat eiseres niet op de hoogte was van de regelgeving en haar rechten en plichten. Onbekendheid met regelgeving is volgens vaste rechtspraak echter geen bijzondere omstandigheid. [4] Daar komt bij dat de hulp die eiseres sinds maart 2021 ontving van een coach/maatschappelijk werker vanuit [instantie] ook zag op het op de rit krijgen van haar administratie. Dat deze hulp vanuit [instantie] in de basis niet adequaat zou zijn, is niet gebleken. Deze organisatie biedt immers middels professionals hulp bij geldzaken en administratie. Dat er mogelijk in deze zaak niet voldoende adequaat is gehandeld door de desbetreffende coach/maatschappelijk werker maakt dit niet anders.
Hardheidsclausule
6. Voor zover eiseres betoogt dat het college op grond van de hardheidsclausule uit het beleid de tegemoetkoming met terugwerkende kracht had moeten toekennen, overweegt de rechtbank als volgt.
6.1.
Het college heeft in artikel 9 van Pro de Beleidsregels inzake tegemoetkoming kosten voor kinderopvang op grond van sociaal-medische indicatie Leiden 2020 (de beleidsregels) opgenomen dat de tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de aanvraag voor de tegemoetkoming in ontvangst is genomen.
6.3.
Op grond van artikel 10 van Pro de beleidsregels kan het college in bijzondere gevallen ten gunste van de ouder afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, als toepassing van deze beleidsregels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt (de hardheidsclausule).
6.4.
Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat in haar geval het toepassen van de beleidsregels leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Het is onduidelijk gebleven of eiseres daadwerkelijk is geconfronteerd met een terugvordering van kinderopvangtoeslag. Ook anderszins heeft eiseres niet onderbouwd wat de gevolgen van het niet verlenen van de tegemoetkoming voor haar zijn.
7. Tot slot het volgende. Eiseres vraagt in feite bijzondere bijstand aan voor kosten die reeds bekostigd zijn. Ook als vast zou komen te staan dat eiseres de kinderopvangtoeslag die zij heeft ontvangen over de periode van 1 april 2021 tot 1 april 2022 moet terugbetalen aan de Belastingdienst, kan dit er niet toe leiden dat eiseres in aanmerking komt voor bijzondere bijstand over die periode. Dit zou namelijk betekenen dat bijzondere bijstand wordt gevraagd om een schuld bij de Belastingdienst af te lossen. In beginsel kan er geen bijzondere bijstand worden verleend voor het afbetalen van een schuld. [5]

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT0209 en van 16 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1889.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 31 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2172 en de uitspraak van 8 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1524.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2348.
4.Zie de uitspraak van de CRvB van 16 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2014:4242.
5.Dit staat in artikel 13, onder g, van de Pw.