ECLI:NL:CRVB:2025:1889

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
23/2005 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten en griffierecht met betrekking tot terugwerkende kracht

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten en griffierecht. De appellant, vertegenwoordigd door mr. T.E. van der Bent, had een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand, maar deze werd afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Schiedam. De Raad oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigden. Appellant had niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat was om eerder een aanvraag in te dienen, aangezien hij al in februari 2022 op de hoogte was van het verwachte bewind. De Raad benadrukte dat het in dergelijke zaken gebruikelijk is dat een aanvraag om bijstand wordt ingediend kort na het verzoek tot onderbewindstelling. De rechtbank had het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, en de Raad bevestigde deze uitspraak. Appellant kreeg geen recht op bijzondere bijstand voor kosten die vóór de aanvraagdatum waren gemaakt, en er werd geen vergoeding voor proceskosten toegekend.

Uitspraak

23/2005 PW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2023, 22/5879 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[naam B.V.] in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (college)
Datum uitspraak: 16 december 2025

SAMENVATTING

In deze zaak heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand afgewezen voor zover deze ziet op kosten die zijn ontstaan vóór de datum waarop appellant zijn aanvraag heeft ingediend. Anders dan appellant stelt, is de Raad van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. De Raad verwijst naar vaste rechtspraak waaruit volgt dat het in zaken als deze in de rede ligt dat appellant of de beoogde bewindvoerder met of kort na het verzoek tot instellen van het bewind alvast een aanvraag om bijstand dient, die later kan worden aangevuld met concrete gegevens en bedragen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat was om eerder bijstand aan te vragen en ook niet onderbouwd waarom hij pas vier maanden nadat de kosten zijn opgekomen een aanvraag heeft ingediend. Appellant heeft niet geconcretiseerd gesteld welke bijzondere omstandigheden zich voordoen die maken dat toepassing van artikel 44 van de Participatiewet (PW) achterwege moet blijven.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.E. van der Bent, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 januari 2025. Voor appellant is mr. van der Bent verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Mersel.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Bij beschikking van 29 maart 2022 heeft de kantonrechter appellant onder bewind gesteld en een bewindvoerder benoemd.
1.2.
Op 13 juli 2022 heeft appellant een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de aanvangskosten en de maandelijkse kosten van bewindvoering en voor het griffierecht voor het verzoek voor het instellen van het beschermingsbewind.
1.3.
Met een besluit van 30 september 2022, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 10 november 2022 (bestreden besluit), heeft het college bijzondere bijstand toegekend voor de maandelijkse kosten van bewindvoering over de periode van 13 juli 2022 tot en met 31 maart 2027. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor de maandelijkse kosten van bewindvoering over de periode van 29 maart 2022 tot en met 12 juli 2022, de aanvangskosten van de bewindvoering en de kosten van griffierecht afgewezen, omdat deze kosten zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend en daarom niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat de maandelijkse kosten van bewind over de periode van 29 maart 2022 tot en met 12 juli 2022, de aanvangskosten van de bewindvoering en de kosten van griffierecht zijn ontstaan vóór de datum waarop appellant de aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend, te weten 13 juli 2022. Tussen partijen is in geschil of voor die kosten aanspraak bestaat op verlening van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht.
Terugwerkende kracht bijzondere bijstand
4.2.
Voor kosten die zijn ontstaan voor de datum waarop de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend wordt in beginsel geen bijzondere bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de PW en de vaste rechtspraak over de voorloper van die bepaling (artikel 68a, eerste lid, van de Algemene bijstandswet). [1] Zoals vaker overwogen [2] kunnen zulke omstandigheden zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen, of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandverlenende instantie. Het is aan betrokkene om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden. [3]
Bijzondere omstandigheden
4.3.
Appellant heeft aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden zijn die verlening van bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Volgens hem is het niet mogelijk om vóór de beschikking van de kantonrechter tot onderbewindstelling en het benoemen van een bewindvoerder een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen. Daarnaast hebben bewindvoerders te maken met opstartperikelen, zoals de beschikking krijgen over alle relevante gegevens en een beheerrekening openen. Hierdoor duurt het langer voordat een aanvraag om bijzondere bijstand kan worden gedaan.
4.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Wat appellant heeft aangevoerd levert geen bijzondere omstandigheden op die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat was om eerder dan 13 juli 2022 een schriftelijke aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 43, eerste lid, van de PW in te dienen bij het college. Hij wist immers al in februari 2022, toen het verzoek tot onderbewindstelling werd gedaan, van het verwachte bewind. Uit vaste rechtspraak volgt dat het in zaken als deze in de rede ligt dat appellant of de beoogde bewindvoerder namens appellant met of kort na het verzoek tot instellen van het bewind alvast een aanvraag om bijzondere bijstand indient, die later kan worden aangevuld met meer of concrete gegevens en bedragen. [4] Met de algemene stelling dat bewindvoerders te maken hebben met opstartperikelen heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij of zijn (beoogde) bewindvoerder niet in staat was om eerder bijzondere bijstand aan te vragen. Appellant heeft ook niet met controleerbare gegevens onderbouwd toegelicht waarom hij de aanvraag pas vier maanden nadat de kosten waren opgekomen heeft ingediend.
Evenredigheidsbeginsel
4.5.
Appellant heeft een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel en in dit kader aangevoerd dat er niet verdisconteerde omstandigheden zijn op grond waarvan artikel 44 van de PW buiten toepassing moet worden gelaten. Deze beroepsgrond slaagt op grond van wat hierna volgt niet.
4.6.
Artikel 44, eerste lid, van de PW – zoals uitgelegd in 4.2 met verwijzing naar vaste rechtspraak over dat artikellid – schrijft als wet in formele zin dwingend voor dat, behoudens bijzondere omstandigheden, vóór de aanvraag gemaakte kosten niet voor verlening van bijzondere bijstand in aanmerking komen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen [5] staat het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling aan toetsing van die bepaling aan het evenredigheidsbeginsel in de weg. Dit is alleen anders in het geval van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet of niet ten volle in zijn afweging heeft verdisconteerd of bijzondere omstandigheden die meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
4.7.
Desgevraagd heeft appellant in de gronden van het hoger beroep en ook ter zitting desgevraagd niet geconcretiseerd gesteld welke bijzondere omstandigheden zich voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever dan wel meebrengen dat toepassing van artikel 44 van de PW zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.

Conclusie en gevolgen

4.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat appellant geen recht op bijzondere bijstand heeft voor de maandelijkse kosten van bewindvoering over de periode van 29 maart 2022 tot en met 12 juli 2022, de aanvangskosten van de bewindvoering en de kosten van griffierecht.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van F. Sporrel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2025.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
De griffier is verhinderd te ondertekenen

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT0209.
2.Zie uitspraak van 31 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2172.
3.Zie uitspraken van 21 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2348, en van 4 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1699 tot en met ECLI:NL:CRVB:2025:1702.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:906.
5.Zie de uitspraak van 6 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1047.