Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Samenvatting
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
objectieve basisworden onderzocht. [9] Voor zover uit de afwezigheid van een aangifte dus het ontbreken van een innerlijke (subjectieve) vrees zou moeten worden afgeleid, is dat onvoldoende om voornoemd rechtsvermoeden te weerleggen.
juistde effectiviteit van de bescherming in het land van herkomst beoordeelt. Dit lijkt ook voort te vloeien uit artikel 7 van Pro Richtlijn 2011/95/EU. Zulks zou temeer moeten gelden, indien de vrouw reeds tot op zekere hoogte bescherming heeft ingeroepen en die niet effectief is gebleken. De rechtbank zal dan ook komen tot het stellen van prejudiciële vragen, die hieronder worden geformuleerd.
59. In de vijfde plaats staat het aan de betrokken lidstaat om bij de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming dat gebaseerd is op het behoren tot een bepaalde sociale groep, na te gaan of de persoon die zich op deze vervolgingsgrond beroept „gegronde vrees” heeft om in zijn land van herkomst te worden vervolgd omdat hij tot een bepaalde sociale groep behoort in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95.
effectiefworden beschermd tegen vervolging, waarbij onder meer van belang is welke straffen de daders krijgen opgelegd. Aldus hecht het HvJ belang aan niet alleen de theoretische werkelijkheid in het land van herkomst, maar ook de daadwerkelijke praktijk. De rechtbank ziet niet in waarom in het kader van de artikelen 7 en 8 van de richtlijn een theoretische exercitie dan wel zou volstaan. De overweging uit de Afdelingsjurisprudentie dat
“het feit dat de mate van effectiviteit van de bescherming niet op voorhand vaststaat niet reeds met zich[brengt]
dat in feite geen bescherming kan worden verkregen”lijkt zich dan ook niet goed te verhouden met de benadering van het HvJ.
5. Voor de toepassing van lid 1 houdt de beslissingsautoriteit rekening met:
de algemene omstandigheden in het relevante deel van het land van herkomst,inclusief de toegankelijkheid, doeltreffendheid en duurzaamheid van de beschermingals bedoeld in artikel 7;
om aan te tonendat de verzoeker beschikt over een binnenlands beschermingsalternatief.
moet rekening houdenmet de door de verzoeker overgelegde bewijzen en ingediende elementen. Tot slot kan worden gewezen op overweging 40 van Richtlijn 2013/32/EU, waarin staat:
“Indien een derde land als een veilig land van herkomst kan worden beschouwd, moeten de lidstaten het als veilig kunnen aanmerken en aannemen dat het voor een bepaalde verzoeker veilig is, tenzij hij aanwijzingen van het tegendeel kan voorleggen”. Hoewel betrekking hebbende op veilige derde landen, volgt hieruit wel een duidelijke indicatie dat de beslissingsautoriteit rekening moet houden met informatie die de vreemdeling overlegt, zowel algemene informatie als informatie die betrekking heeft op de individuele situatie. Daarbij lijkt uit deze overweging te volgen dat als de informatie die de vreemdeling overlegt de informatie waar de beslissingsautoriteit zich op baseert ontzenuwt, zulks voldoende is om te concluderen dat aanwezigheid van een afdoende binnenlandse bescherming onvoldoende is komen vast te staan. Zulks zou betekenen dat de vreemdeling dus ook niet het tegendeel van de conclusies van de beslissingsautoriteit hoeft te bewijzen, maar slechts de bewijsstukken waar de beslissingsautoriteit zich op baseert (gedeeltelijk) hoeft te ontkrachten.