ECLI:NL:RBGEL:2013:BZ6997
Rechtbank Gelderland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank Gelderland wijst proceskostenvergoeding toe bij onrechtmatige belastingaanslag en overschrijding redelijke termijn
Eiser, middellijk certificaathouder en bestuurder van een vastgoedonderneming, maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2005, inclusief opgelegde vergrijp- en verzuimboetes. Na een uitgebreid boekenonderzoek en meerdere gesprekken werd de vergrijpboete ingetrokken en de aanslag verminderd. Eiser vorderde daarnaast een integrale proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van verwijtbare onrechtmatigheid door de Belastingdienst, omdat de vergrijpboete onterecht was opgelegd en de aanslag deels berustte op een onjuiste toepassing van regelgeving. Hierdoor had eiser recht op een proceskostenvergoeding, die forfaitair werd vastgesteld. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een hogere vergoeding rechtvaardigden.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de bezwaarprocedure met circa 2,5 jaar was overschreden, waarvoor eiser een immateriële schadevergoeding van € 2.500 werd toegekend. De rechtbank veroordeelde de Belastingdienst tevens tot vergoeding van proceskosten voor zowel de bezwaar- als beroepsfase en de griffierechten. De uitspraak vernietigde het eerdere besluit omtrent de proceskostenvergoeding en trad in de plaats daarvan.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep toe en veroordeelt de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten en immateriële schade wegens onrechtmatigheid en overschrijding redelijke termijn.