Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Uitspraak van de meervoudige kamer van
[eiseres 1],
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te 's-Gravenhage, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
.Voor deze door de vreemdeling verrichte werkzaamheden was geen tewerkstellingsvergunning afgegeven.
Bij de primaire besluiten II en III heeft verweerder eveneens in de arbeidsaantekening aanleiding gezien om de opgelegde boetes met 50% te matigen. In de omstandigheid dat zowel[eiseres 2] als [eiseres 3] de vreemdeling hebben ingehuurd via het gecertificeerde uitzendbureau[eiseres 1]heeft verweerder aanleiding gezien om de boete verder met 25% te matigen. Dit betekent dat de aan[eiseres 2] op te leggen boete van € 12.000 bij het primaire besluit II is gematigd tot € 4.500. De aan [eiseres 3] op te leggen boete van € 8.000 is bij het primaire besluit III gematigd tot
Op pagina 3 van het boeterapport is voorts vermeld dat de heer[naam 2] heeft verklaard dat: ‘hij bij de aanstelling van de[naam 4]de tekst op de verblijfsvergunning niet had gelezen’.
Daargelaten het door verweerder ter zitting ingenomen standpunt dat de kwijtschelding van de boete aan[bedrijf] een kennelijke misslag betrof nu[naam 2] geen informatie heeft ingewonnen bij het UWV alvorens de vreemdeling te werk te stellen, kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen nu geen sprake is van gelijke gevallen. Eiseressen hebben immers, gelet op het hiervoor overwogene, niet aannemelijk gemaakt voor de tewerkstelling van de vreemdeling contact te hebben opgenomen met het UWV. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 28 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:173) niet zo ver strekt dat verweerder de bij[bedrijf] gemaakte fout in de voorliggende zaken dient te herhalen.