Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 14 januari 2016
[X] , te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder.
Procesverloop
- voor het jaar 2008 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .H.87) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 104.806 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 3.976. Tevens is bij beschikking € 4.003 aan heffingsrente in rekening gebracht;
- een beschikking krachtens artikel 11 van Pro het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001, waarbij de te verrekenen aftrek per 31 december 2008 is vastgesteld op nihil (de stallingsbeschikking);
- voor het jaar 2009 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.96) IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 84.064 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.957. Tevens is bij beschikking € 966 aan heffingsrente in rekening gebracht.
Overwegingen
" Chapter 35Income Tax Act
Part IPreliminary
Citation and extent
Part IIIImposition of Income Tax
Charge of income tax.
Part VIIIRates of Tax, Rights of Deduction and Allowances for Tax
Charged
Rate of tax upon individuals.
First Schedule (section 1) Extent to which Act Applies
Second Schedule (section 34) Chargeable Income Rate of Tax
Beslissing
- verklaart het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2009 ongegrond;
- verklaart de beroepen tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 en de stallingsbeschikking 2008 gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar met betrekking tot de navorderingsaanslag IB/PVV 2008 en de stallingsbeschikking 2008;
- vernietigt de navorderingsaanslag IB/PVV 2008;
- stelt het bedrag van het gestalde elders belaste inkomen over het jaar 2008 per 31 december 2008 vast op € 55.227;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar met betrekking tot de stallingsbeschikking 2008;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade ten bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in eisers proceskosten tot een bedrag van € 992;
- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;