ECLI:NL:RBGEL:2020:3966
Rechtbank Gelderland
- Prejudicieel verzoek
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over weigering gemachtigde in bestuursrechtelijke belastingzaken wegens beledigend gedrag
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om de vraag of de bestuursrechter op grond van artikel 8:25 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een gemachtigde kan weigeren voor een bepaalde periode wanneer ernstige bezwaren bestaan tegen diens gedrag. De gemachtigde in kwestie gebruikte in processtukken herhaaldelijk beledigende, smadelijke en bedreigende taal richting ambtenaren en rechters, ondanks waarschuwingen en eerdere weigeringen in individuele zaken.
De rechtbank overweegt dat artikel 8:25 Awb Pro een grondslag biedt om een gemachtigde te weigeren, ook voor een bepaalde tijd, hoewel dit niet expliciet in de wet is geregeld. De rechtbank acht een weigering voor drie jaar proportioneel en noodzakelijk om de belangen van partijen, de rechtbank en het ordentelijk verloop van procedures te beschermen. De rechtbank ziet geen strijd met artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 EVRM Pro, maar stelt hierover prejudiciële vragen vanwege de onzekerheid.
Daarnaast wordt overwogen dat ook (rechts)personen onder leiding van de gemachtigde geweigerd kunnen worden indien zij feitelijk optreden. De rechtbank legt deze vragen voor aan de Hoge Raad en houdt verdere beslissingen aan. Partijen hebben gereageerd op het voornemen tot het stellen van prejudiciële vragen, waarbij de gemachtigde onder meer betoogt dat de vragen aan het Hof van Justitie gesteld moeten worden en dat het weigeren een ontoelaatbare inbreuk vormt op zijn rechten.
Uitkomst: De rechtbank legt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad voor over de bevoegdheid en proportionaliteit van het weigeren van een gemachtigde voor een bepaalde periode wegens ernstig beledigend gedrag.