ECLI:NL:RVS:2019:2886
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- G.M.H. Hoogvliet
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering gemachtigde na strafrechtelijke veroordeling belastingadviseur
Appellant, een belastingadviseur, werd door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf met een beroepsverbod van drie jaar om als belastingadviseur op te treden. Het gerechtshof handhaafde de straf maar niet het beroepsverbod. De Belastingdienst weigerde appellant als gemachtigde voor drie jaar vanwege ernstige bezwaren die voortvloeien uit deze strafrechtelijke veroordelingen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat appellant niet voorafgaand aan het besluit een zienswijze mocht geven, maar passeerde dit gebrek omdat appellant in de bezwaarprocedure wel is gehoord. Het beroep van appellant tegen de weigering werd ongegrond verklaard, waarbij de rechter oordeelde dat het tijdsverloop sinds de strafrechtelijke feiten geen rechtsverwerking oplevert en dat de weigering geen bestuursrechtelijke sanctie is.
In hoger beroep bevestigt de Afdeling bestuursrechtspraak dat de Belastingdienst terecht gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid op grond van artikel 2:2 Awb Pro om appellant te weigeren als gemachtigde. De Afdeling oordeelt dat de weigering niet in strijd is met het una via-beginsel, de onschuldpresumptie of Europese richtlijnen. De belangen van de Belastingdienst en belastingplichtigen wegen zwaarder dan die van appellant. Het hoger beroep en incidenteel hoger beroep worden ongegrond verklaard en de proceskosten worden deels aan de Belastingdienst opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van appellant als gemachtigde voor drie jaar vanwege ernstige bezwaren uit strafrechtelijke veroordelingen.