Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.Inleiding
2.De procedure
- het verzoekschrift ontvangen op de locatie Zutphen op 28 januari 2022 met de producties 1 t/m 80;
- de aanvulling op het verzoekschrift van 23 februari 2022 met de producties 81 t/m 85;
- de beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen van 4 maart 2022 waarin de kantonrechter zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de handelskamer van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem;
- het verweerschrift ontvangen op 5 april 2022 met de producties 1 t/m 40;
- een e-mail van [verzoekster] van 11 april 2022 met de producties 86 t/m 88;
- een e-mail van [verweerster] van 14 april 2022 met daarbij productie 1;
- een e-mail van [verzoekster] van 14 april 2022 met productie 89;
- een e-mail van [verweerster] van 15 april 2022 met daarbij productie 41;
- de mondelinge behandeling gehouden op 19 april 2022.
3.De feiten
- [lid RvT] , voorzitter (benoemd in september 2015, afgetreden in oktober/november 2020);
- [lid RvT] (aangetreden in september 2015, afgetreden per 1 nov 2021);
- [lid RvT] (aangetreden in juli 2018, interim voorzitter per 1 november 2020, afgetreden per 2 december 2020);
- [lid RvT] (aangetreden in september 2018, interim voorzitter per 2 december 2020, afgetreden per 1 november 2021).
- zo snel, maar ook zo zorgvuldig als mogelijk, te werk willen gaan;
- uiteraard zorgdragen voor een goede overdracht naar de nieuwe Raad;
- in overleg met elkaar de lopende zaken naar behoren blijven uitvoeren;
- samen bezien in hoeverre overleggen die nog staan doorgaan of dat die beter kunnen worden doorgeschoven. Dat laat onverlet overigens dat we graag en op wens in overleg met alle betrokkenen gaan.
5.De beoordeling
Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen, bevoegdheid rechtbank
NJ2005/484 inzake Unidek en HR 15 april 2005,
NJ2005/483 inzake Bartelink/Ciris) vloeit voort dat het rechtspersoonsrechtelijk ontslag tevens een beëindiging van de arbeidsovereenkomst meebrengt, tenzij een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat of partijen anders zijn overeengekomen. Uit het - met de WBTR ingevoerde - artikel 2:298a BW volgt dat een veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst tussen de stichting en de bestuurder niet door de rechter kan worden uitgesproken. In de memorie van toelichting bij de WBTR (
Kamerstukken II, 2015/16, 34 491, nr. 3 p. 18) wordt met betrekking tot artikel 2:298a BW het volgende vermeld: