Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van
[eiser], te [woonplaats], eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder,
Procesverloop
.Gelijktijdig met de belastingaanslagen over 2010, 2011 en 2012 heeft verweerder bij beschikkingen vergrijpboetes aan eiser opgelegd.
Overwegingen
settlement agreementgesloten. In artikel 4 daarvan Pro is het volgende opgenomen:
- ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, deze opzettelijk in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stellen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,
- opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, en
- verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft.
settlement agreement- sprake van een bewijsvermoeden dat de bedragen ook daadwerkelijk aan eiser ten goede zijn gekomen. Ook uit de
settlement agreementvolgt immers dat eiser bedragen van [bedrijfsnaam 2] voor privédoeleinden heeft gebruikt. Hij was hiertoe dus in de gelegenheid en heeft van die gelegenheid ook daadwerkelijk gebruikgemaakt. Dit staat vast. Dat [bedrijfsnaam 2] in het kader van de afspraken over de afwikkeling van het dienstverband met eiser genoegen heeft genomen met vergoeding van een bedrag van € 34.000 - dat betrekking heeft op 2008 - acht de rechtbank op zichzelf geen bewijs dat eiser niet meer dan € 34.000 naar zichzelf heeft overgemaakt.
- uit de administratie volgt een hogere verschuldigde OB van € 3.719;
- op de factuur aan [bedrijfsnaam 6] is in 2009 € 570 aan OB gefactureerd, welk bedrag niet is voldaan;
- een correctie in verband met niet-aftrekbare telefoonkosten ter hoogte van € 1.789.
Beslissing
- verklaart de beroepen ter zake van de aanslagen IB/PVV 2013 en 2014 (zaaknummers 17/2672 en 17/4223) en ter zake van de boetes over 2010, 2011 en 2012 (zaaknummers 17/2604, 17/2857 en 17/2858) gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar over 2010, 2011 en 2012 uitsluitend voor zover het de boetes betreft;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar over 2013 en 2014;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2013 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.710;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2014 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een verzamelinkomen van € 15.278;
- vermindert de desbetreffende beschikkingen belastingrente dienovereenkomstig
- vermindert de boetes tot € 1.887 voor 2010, € 11.385 voor 2011 en € 9.737 voor 2012;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
- verklaart de overige beroepen (zaaknummers 17/2849 en 17/2856) ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade aan eiser ten bedrage van € 1.382;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade aan eiser ten bedrage van € 2.118;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.138,50;
- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser dient te vergoeden.