De zaak betreft drie effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia Nederland B.V. en de gedaagde, waarbij na beëindiging van de overeenkomsten restschulden en kosten in rekening werden gebracht. Dexia vorderde een verklaring voor recht dat zij niets meer verschuldigd was na betaling van een door de rechtbank vast te stellen bedrag.
De gedaagde voerde verweer tegen de vorderingen en stelde dat bepaalde bedingen in de overeenkomsten, met name die betrekking hebben op resterende termijnen en beëindigingskosten, vernietigbaar zijn als oneerlijke bedingen op grond van Richtlijn 93/13/EEG en jurisprudentie van de Hoge Raad en het Hof van Justitie.
De rechtbank oordeelde dat de bedingen die Dexia aanspraak geven op resterende termijnen en beëindigingskosten oneerlijk zijn en vernietigd moeten worden. Dexia moet daarom de resterende bedragen terugbetalen aan de gedaagde, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van conclusie van antwoord. Daarnaast werd Dexia veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van de gedaagde op €677 zijn vastgesteld.
De rechtbank wees het meer of anders gevorderde af en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Hiermee krijgt de gedaagde grotendeels gelijk en wordt Dexia als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij aangemerkt.