Uitspraak
[eiser 1], uit [plaats 1], eiser 1
het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland
[derde partij],te [plaats 1].
Rechtbank Gelderland
Eisers hebben beroep ingesteld tegen een op 10 januari 2023 verleende ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het doden van vogels en vleermuizen bij de bouw van drie windturbines nabij een locatie in Gelderland.
De rechtbank heeft eerst de ontvankelijkheid van de beroepen beoordeeld. Beide eisers wonen respectievelijk op 495 en 370 meter afstand van de dichtstbijzijnde windturbine. De rechtbank oordeelt dat de ruimtelijke uitstraling van de ontheffing beperkt is en dat de belangen van eisers niet rechtstreeks bij het besluit zijn betrokken. Daarnaast heeft eiser 1 geen zienswijze ingediend en geen geldige reden daarvoor gegeven, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is op grond van artikel 6:13 Awb Pro.
Eiser 2 heeft wel een verzoek tot verlenging van de termijn voor het indienen van een zienswijze gedaan, maar ook hij wordt niet als belanghebbende aangemerkt. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank wijst er ten overvloede op dat zelfs bij ontvankelijkheid de beroepen ongegrond zouden zijn wegens het ontbreken van het relativiteitsvereiste.
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk, wijst het griffierecht af en informeert over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De beroepen tegen de Wnb-ontheffing worden niet-ontvankelijk verklaard omdat eisers geen belanghebbenden zijn en geen zienswijze hebben ingediend.