ECLI:NL:RBGEL:2025:10769

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
ARN 24/5343
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag AIO-uitkering en terugvordering voorschot door de Sociale Verzekeringsbank

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, enkelvoudige kamer, wordt de afwijzing van de aanvraag van eiser om een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-uitkering) door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) behandeld. Eiser, die een pensioen ontvangt op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), heeft een aanvraag ingediend voor een AIO-uitkering, maar deze is door de SVB afgewezen op basis van het feit dat hij over een vermogen beschikt dat boven de geldende vermogensgrens ligt. Eiser is mede-eigenaar van een appartement in Sarajevo, waarvan de waarde door de SVB is vastgesteld op € 56.753. De SVB heeft ook het aan eiser verleende voorschot teruggevorderd, maar heeft deze terugvordering met 75% gematigd vanwege de lange duur van de procedure en de mentale gesteldheid van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag en de terugvordering en heeft beroep ingesteld. De rechtbank oordeelt dat de SVB terecht de aanvraag heeft afgewezen en de terugvordering heeft gematigd, en dat de belangenafweging door de SVB niet onevenwichtig is geweest. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen recht heeft op een AIO-uitkering, noch op terugbetaling van griffierecht of proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5343

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.O. Wattilete),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigde: mr. P.C. van der Voorn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-uitkering) op grond van de Participatiewet (Pw) en de terugvordering van het aan eiser verleende voorschot. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en de terugvordering van het voorschot. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB de aanvraag om een AIO-uitkering terecht heeft afgewezen en het voorschot terecht heeft teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een AIO-uitkering. De SVB heeft deze aanvraag met het besluit van 22 februari 2024 afgewezen en het aan eiser verleende voorschot teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 26 juni 2024 op het bezwaar van eiser is de SVB bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Wel heeft de SVB de terugvordering met 75% gematigd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. De SVB is, met kennisgeving, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontvangt vanaf 17 oktober 2022 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor een alleenstaande.
3.1.
Op 4 november 2022 heeft hij een aanvraag gedaan voor een AIO-uitkering. Op het aanvraagformulier heeft eiser aangegeven dat hij mede-eigenaar is van een appartement in Sarajevo (in Bosnië en Herzegovina).
3.2.
Met het besluit van 21 november 2022 heeft de SVB aan eiser vanaf 17 oktober 2022 een voorschot op de AIO-uitkering verleend.
3.3.
De SVB is hierna overgegaan tot de besluitvorming als vermeld onder het kopje “Procesverloop”
3.4.
De SVB heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat eiser beschikt over een vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens voor een alleenstaande van
€ 7.575, omdat hij (voor de helft) mede-eigenaar is van een appartement in Sarajevo. De SVB heeft de waarde van dit appartement vastgesteld op € 56.753. Uit de bewijsstukken die eiser naar de SVB heeft opgestuurd, blijkt niet dat hij (zijn deel van) het appartement niet ten gelde kan maken. De SVB heeft geen aanleiding gezien bij de vaststelling van het vermogen rekening te houden met de (pas na de aanvraag door eiser opgevoerde) alimentatieschuld. Die schuld is namelijk niet opeisbaar en ook niet daadwerkelijk opgeëist. Wel heeft de SVB de terugvordering van het verleende voorschot met 75% gematigd vanwege de lange duur en de fysieke en mentale gesteldheid van eiser. Hij moet daarom nog € 2.231,69 terugbetalen.
Afwijzing aanvraag
4. Eiser heeft – kort samengevat – aangevoerd dat hij door wetgeving het appartement niet kan verkopen of te gelde maken. Eiser kan het deel van zijn ex-vrouw niet kopen en zijn ex-vrouw wil zijn deel niet kopen. Hij heeft voorts aangevoerd dat de SVB bij de vaststelling van zijn vermogen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een alimentatieschuld. Hiernaast heeft eiser ook nog een schuld bij zijn ex-vrouw als gevolg van een noodzakelijke renovatie van het appartement. Ten slotte doet eiser een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Volgens eiser komt hij in acute financiële problemen omdat de uitkering van de SVB (de rechtbank begrijpt: het AOW-pensioen en de AIO-uitkering) zijn enige bron van inkomsten is. Door de besluitvorming van de SVB komt eiser plotseling ver onder het sociaal minimum. Hierdoor wordt zijn bestaanszekerheid aangetast, wat praktisch en emotioneel onverdraagbaar is.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 4 november 2022, de datum waarop eiser zich heeft gemeld om AIO aan te vragen, tot en met 22 februari 2024, de datum van het afwijzingsbesluit.
4.2.
Ten aanzien van de nieuwe aanvraag geldt dat een beslissing op een aanvraag om bijstand een begunstigend besluit is. De aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die dwingenen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de benodigde duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat in de te beoordelen periode het appartement op naam stond van eiser en zijn ex-vrouw. Gelet hierop is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat het appartement in die periode een bestanddeel vormde van het vermogen waarover eiser beschikte of redelijkerwijs kon beschikken. De term beschikken moet zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid voor een betrokkene om de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dit is vaste rechtspraak. [1] Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.
4.4.
De beroepsgrond, voor zover die erop neerkomt dat eiser niet kan beschikken over het appartement, slaagt alleen al niet omdat eiser zijn stelling over de onmogelijkheid om het appartement te verkopen niet met verifieerbare stukken heeft onderbouwd. Uit de door eiser overgelegde wetgeving kan de rechtbank niet afleiden dat eiser (zijn deel van) het appartement op grond van de geldende wetgeving niet zou kunnen verkopen. De stelling van eiser, dat hij niet kan beschikken over het appartement, lijkt ook in tegenspraak met de nadere stelling van eiser dat zijn ex-vrouw zijn deel niet “wil” kopen, waaruit de rechtbank afleidt dat een verkoop wel degelijk tot de mogelijkheden behoort.
4.5.
Uit 4.4 volgt dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij in de te beoordelen periode niet beschikte of redelijkerwijs kon beschikken over het appartement. Ter zitting heeft eiser zijn grond over de taxatiewaarde van het appartement ingetrokken, zodat de waarde niet meer in geschil is en evenmin dat de waarde van zijn eigendomsdeel hoger is dan de voor eiser van toepassing zijnde vermogensgrens.
4.6.
De door eiser aangevoerde grond dat de SVB bij de vaststelling van zijn vermogen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met zijn schulden, slaagt evenmin. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.7.
Schulden kunnen in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving ten aanzien van het vermogen van de betrokkene uitsluitend in aanmerking worden genomen indien de betrokkene aannemelijk maakt dat zij bestaan, dat zij tijdens de bijstandsverlening (in termijnen) opeisbaar zijn en dat de crediteur de opeisbare betalingsverplichting daadwerkelijk afdwingt. [2]
4.8.
De door eiser opgevoerde schulden voldoen niet aan deze vereisten. Hieronder zal worden uitgelegd waarom dat zo is.
De echtscheidingsbeschikking van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van 4 november 1999, waarin is bepaald dat eiser kinderalimentatie moet betalen, is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is de alimentatieschuld – die is ontstaan omdat eiser het opgelegde bedrag wel wilde maar niet kon betalen – dus wel degelijk opeisbaar. Uit de stukken [3] blijkt echter niet dat eisers ex-echtgenote nakoming eiste en dus de betalingsverplichting afdwong. De omstandigheid dat eiser de kinderalimentatie wel heel graag wilde voldoen en zich daartoe ook verplicht voelde, maakt juridisch gezien geen verschil.
Wat betreft de schuld bij zijn ex-vrouw als gevolg van een noodzakelijke renovatie van het appartement, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat die schuld daadwerkelijk bestaat.
Dat betekent dat de SVB bij de vermogensvaststelling terecht geen rekening heeft gehouden met de door eiser opgevoerde schulden. Eiser heeft nog aangevoerd dat het vreemd is dat de SVB geen rekening houdt met de schulden van eiser, terwijl de gemeente Elburg dat bij de verlening van bijstand wel doet, en het in beide gevallen gaat om toepassing van de Participatiewet. De rechtbank begrijpt dat dit vreemd overkomt, maar de juistheid van de beslissing van de gemeente Elburg en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen, ligt in deze procedure niet voor. Het gaat hier alleen over de juistheid van de beslissing van de SVB en, zoals gezegd, heeft de SVB terecht met deze schulden geen rekening gehouden.
4.9.
Het voorgaande betekent dat de SVB zich terecht en goed gemotiveerd, op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen recht heeft op een AIO-uitkering.
Terugvordering en het beroep op het evenredigheidsbeginsel
5. Eiser doet een beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien. Hoewel de SVB de terugvordering met 75% heeft gematigd, blijft het resterende bedrag van €2.231,69 onevenredig gezien zijn psychische gesteldheid. Zowel eiser, mevrouw [naam mevrouw] van de gemeente Elburg, als de heer [naam heer] (een vriend van eiser) hebben aangegeven dat zijn verleden nog een behoorlijke grip heeft op zijn leven. Ook de SVB is er van overtuigd dat er in geval van eiser sprake is van verzachtende omstandigheden. Door de procedurele vertraging bij de SVB had de terugvordering gematigd moeten worden tot 100%, aldus eiser.
5.1.
Met hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder 4.3 tot en met 4.9 is tevens gegeven dat over de te beoordelen periode is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering van het verleende voorschot met toepassing van artikel 58, tweede lid, onder d van de Pw. Dat wordt ook niet betwist. De SVB heeft het terug te vorderen bedrag berekend op € 8.926,77. Eiser heeft deze berekening ook niet betwist.
5.2.
Op grond van het achtste lid van artikel 58 van de Pw kan de SVB, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien.
5.3.
Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in vier uitspraken van 10 december 2024 [4] tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan.
5.4.
Het besluit om niet van gehele terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen. Allereerst overweegt de rechtbank dat de SVB de terugvordering van het verleende voorschot reeds met 75% heeft gematigd vanwege de lange duur van de procedure (de SVB is te afwachtend geweest) en de fysieke en mentale gesteldheid van eiser. De rechtbank volgt dan ook het standpunt van de SVB dat die matiging juist blijk geeft van een evenwichtige belangenafweging, waarbij het evenredigheidsbeginsel in acht is genomen.
Verder is van betekenis dat het college van de gemeente Elburg het – door de afwijzing van de AIO-aanvraag – ontstane financiële tekort heeft aangevuld in de vorm van bijzondere bijstand. Dit betekent dat eiser niet onder het sociaal minimum leeft.
De omstandigheid dat de hele procedure heel veel impact heeft gehad op eiser is zeer invoelbaar. Dit betekent echter niet dat om die reden geoordeeld moet worden dat de bestreden beslissing in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de SVB de aanvraag om een AIO-uitkering terecht heeft afgewezen en het voorschot terecht heeft teruggevorderd tot het gematigde bedrag. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. Hoenderboom, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0086.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3376.
3.Naast de beschikking van de arrondissementsrechtbank te Zutphen van 4 november 1999 betreft dit (onder andere) een brief van zijn ex-vrouw van 29 november 2007, een brief van de advocaat J.J. Roossien aan de gemeente Elburg van 19 december 2007 en een brief van de gemeente Elburg van 31 juli 2008.