ECLI:NL:RBGEL:2025:11057

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
11513482
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over loonvordering na einde dienstverband en functie-inschaling

In deze zaak heeft de kantonrechter op 17 december 2025 een tussenvonnis uitgesproken in een arbeidsrechtelijke kwestie tussen [eiseres] en [gedaagden]. [Eiseres] vordert betaling van loon over gewerkte uren voor en na sluitingstijd, alsook een correctie van haar functie-inschaling. De procedure is gestart na het einde van het dienstverband van [eiseres] op 17 november 2024. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [eiseres] in dienst was bij [gedaagde sub 1] en dat er sprake is van een overgang van onderneming naar [bedrijf 1]. De kantonrechter heeft de klachtplicht van [gedaagden] op basis van artikel 6:89 BW besproken, waarbij is geoordeeld dat [gedaagden] niet kan volstaan met een beroep op deze klachtplicht, gezien de omstandigheden van de zaak. De kantonrechter heeft [eiseres] in de gelegenheid gesteld om haar vorderingen nader te specificeren, waaronder de hoogte van het uurloon en de openstaande vakantiegeld. De vordering in reconventie van [gedaagden] is afgewezen, waarbij is geoordeeld dat er geen sprake is van onverschuldigde betaling. De zaak is aangehouden voor aktewisseling.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: 11513482 \ CV EXPL 25-725
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. A.J. Hendriks,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
te [woonplaats] ,
3.
[gedaagde sub 3],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
partijen 1, 2 en 3 hierna gezamenlijk te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. J.M. Smits en mr. M.F. de Geiter

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit
- het tussenvonnis van 26 februari 2025
- conclusie van antwoord in reconventie.
1.2.
[eiseres] heeft haar vorderingen in de dagvaarding ook gericht tegen [bedrijf 1] Bij e-mail van 14 juli 2025 heef mr. P. Trip, curator, aan de rechtbank bericht dat [bedrijf 1] bij vonnis van 19 juni 2025 in staat van faillissement is verklaard. Als gevolg hiervan is de procedure jegens [bedrijf 1] van rechtswege geschorst (artikel 29 Faillissementswet).
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiseres] is verschenen, bijgestaan door mr. A.J. Hendriks. [gedaagden] is bijgestaan door mr. J.M. Smits en mr. M.F. de Geiter en vertegenwoordigd door haar vennoten de heer [gedaagde sub 2] en mevrouw [gedaagde sub 3] . Partijen hebben over en weer hun standpunten toegelicht, beide gemachtigden aan de hand van spreekaantekeningen.
1.4.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter met partijen besproken dat in verband met het faillissement van [bedrijf 1] de procedure tussen [eiseres] en [bedrijf 1] wordt afgesplitst. De afgesplitste procedure is bij de rechtbank bekend onder procedurenummer: 11937708 CV EXPL 15-8435. Alle vorderingen die zijn gericht tegen [bedrijf 1] , die zijn ingesteld door [bedrijf 1] of dateren van na de overnamedatum (1 mei 2024) zullen in de onderhavige zaak dan ook onbesproken blijven.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] is op 10 september 2012 in dienst getreden bij [gedaagde sub 1] in de functie van Verkoopster, ingedeeld in functieklasse II van de cao Bakkersbedrijf. De overeengekomen arbeidsduur bedraagt 22 uur per week. Het uurloon bedroeg laatstelijk
€ 13,78 bruto.
2.2.
Op de arbeidsovereenkomst is de cao Bakkersbedrijf - Ambachtelijke bakkerijen (hierna: de cao) van toepassing. In de cao staat, voor zover van belang:
“Artikel 11 Overwerk
“1. Overwerk
Overwerk is als de medewerker in een periode van 4 weken in opdracht van de werkgever meer dan 152 uren werkt.
2. Overwerk bij wisselende diensten
a. Werkt de werknemer in een rooster met wisselende diensten en een gemiddelde arbeidstijd van 38 uur of minder per week, dan is voor hem overwerk als de medewerker:
- in opdracht van de werkgever meer uren werkt dan volgens zijn rooster en
- de medewerker meer dan gemiddeld 38 uur per week werkt.(…)
3. Gewerkte uren
Uren waarop de medewerker niet werkt, maar waarvoor wel recht op loon bestaat, zoals vakantie- en verlofuren, feestdagen en uren waarop de medewerker ziek was, worden als gewerkte uren meegeteld.
4. Vergoeding voor overwerk
Voor overwerk geldt een vergoeding. Deze vergoeding is geregeld in artikel 22.(…)
Artikel 22 Vergoeding overwerk
1. Vergoeding overwerk
De medewerker ontvangt voor overwerk:
  • Eerste 8 uur 125% van het functie-uurloon
  • Uren boven de 8 uur 150% van het functie-uurloon.(…)
2. Vergoeding in vrije tijd
a. De werkgever kan (een deel van) deze vergoeding (functie-uurloon + toeslag) uitkeren in de vorm van vrije tijd.
b. Dit gebeurt na overleg met de medewerker.
c. De werkgever verleent deze vrije tijd uiterlijk in de 4 weken volgend op de periode van 4 weken waarin de overuren zijn ontstaan.(…)”
2.3.
In het Huishoudelijk Reglement van [gedaagde sub 1] staat:
Werktijden
(…)
f. De werknemers dienen steeds tijdig op het werk aanwezig te zijn, uiterlijk 10 minuten voor begin van de werktijd. Een werknemer die te laat is, dient zich onmiddellijk bij werkgever te melden. Te laat op het werk komen kan leiden tot salarisinhouding en/of ontslag.(…)”
2.4.
Met ingang van 1 mei 2024 is [gedaagde sub 1] overgenomen door [bedrijf 1]
2.5.
Bij e-mail van 23 juli 2024 schrijft de gemachtigde van [eiseres] aan [gedaagden] dat [eiseres] aanspraak maakt op uitbetaling van onder meer verlofuren, overwerkuren en niet-uitbetaalde gewerkte uren voor aanvangstijd en na sluitingstijd
2.6.
In de periode tussen 1 september 2024 en 17 november 2024, de dag dat [eiseres] de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, heeft [eiseres] haar verlofuren opgenomen.
2.7.
Op 17 november 2024 is de arbeidsovereenkomst van [eiseres] geëindigd.

3.Het geschil in conventie

3.1.
[eiseres] vordert – na vermindering van haar eis – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de gewerkte schoonmaakuren na sluitingstijd van € 2.225,30 bruto, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag,
II. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de ’10 minuten’ uren van
€ 2.514,30 bruto, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag,
III. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van 197 meer-/overuren ten bedrage van € 14,45 bruto per uur, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag,
IV. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van € 3.893,72 bruto, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, als gevolg van de onterecht lagere inschaling,
V. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen twee dagen na betekening van het vonnis over te gaan tot het corrigeren van de functieklasse van [eiseres] naar Verkoopmedewerker III en de daarbij behorende salarisschaal, met terugwerkende kracht vanaf mei 2019, op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag dat [gedaagden] daartoe in gebreke blijft,
VI. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de cao-overwerktoeslag over de gemaakte over-/meeruren van € 2.332,59 bruto, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag,
VII. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van achterstallig vakantiegeld van € 1.274,10 bruto, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag,
VIII. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting binnen twee dagen na betekening van het vonnis over te gaan tot correcte en nabetaling van achterstallig pensioenpremie, overeenkomstig de door de kantonrechter bij onderhavig vonnis bepaalde bedragen, op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag dat [gedaagden] daarmee in gebreke blijft,
IX. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de wettelijke verhoging van € 8.766,33 bruto, dan wel een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag,
X. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over voormelde vorderingen, primair vanaf mei 2024, subsidiair vanaf het moment van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening,
XI. [gedaagden] veroordeelt om binnen tien dagen na het vonnis over te gaan tot het verstrekken van gecorrigeerde correcte loonstroken en jaaropgave vanaf mei 2019 tot en met april 2024, op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag dat [gedaagden] daartoe in gebreke blijft,
XII. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 947,00, de proceskosten en de nakosten, inclusief de wettelijke rente vanaf de dag van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.
3.2.
[eiseres] legt – kort samengevat – aan de vordering ten grondslag dat zij bij [gedaagden] werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst voor 22 uur per week. Ten onrechte heeft zij de uren die zij werkte voor aanvangstijd en na sluitingstijd niet uitbetaald gekregen en is aan haar nooit een overwerktoeslag betaald. Bovendien zijn haar verlofuren onjuist berekend en niet volledig uitbetaald aan het einde van het dienstverband. Ook heeft [gedaagden] haar ten onrechte ingeschaald in de functie van verkoopmedewerkster II in plaats van verkoopmedewerkster III. [gedaagden] is daarom nog achterstallig loon aan [eiseres] verschuldigd. Omdat [gedaagden] in gebreke is gebleven met (tijdige) betaling is zij de wettelijke rente, wettelijke verhoging, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten verschuldigd.
3.3.
[gedaagden] heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover rechtens van belang, wordt ingegaan.

4.Het geschil in reconventie

4.1.
[gedaagden] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [eiseres] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 3.268,86 bruto aan onverschuldigd doorbetaalde pauze-uren (225,75 uur x € 14.45 bruto per uur), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 november 2024 tot aan de dag van algehele voldoening,
II. [eiseres] veroordeelt tot betaling van de wettelijke verhoging van € 1.634,44 bruto,
III. [eiseres] veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
[gedaagden] legt – samengevat – aan haar vordering ten grondslag dat zij de pauzes van [eiseres] altijd heeft doorbetaald. Daartoe was zij echter niet verplicht, zodat deze onverschuldigd aan [eiseres] zijn betaald.
4.3.
[eiseres] heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover rechtens van belang, wordt ingegaan.

5.De beoordeling in conventie

Uitgangspunten voor de beoordeling
Overgang van onderneming
5.1.
Niet in geschil is dat sprake is van een overgang van onderneming waarbij [gedaagden] haar onderneming heeft overgedragen aan [bedrijf 1] Door de overgang van onderneming gaan de rechten en verplichtingen die op dat tijdstip voor de werkgever in die onderneming voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst tussen hem en een daar werkzame werknemer van rechtswege over op de verkrijger. De (oorspronkelijke) werkgever is echter nog gedurende een jaar na de overgang naast de verkrijger hoofdelijk verbonden voor de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, die zijn ontstaan vóór dat tijdstip (artikel 7:663 Burgerlijk Wetboek (BW)). Dit betekent dat [gedaagden] verbonden is voor de loonaanspraken van [eiseres] die zijn ontstaan vóór de datum van overgang van onderneming, te weten 1 mei 2024.
Urenregistratie
5.2.
Ter onderbouwing van de door haar gewerkte dagen en uren heeft [eiseres] verwezen naar de door haar bijgehouden uren op de kalenders over de jaren 2019 tot en met 2024.
Het bijhouden van een deugdelijke urenregistratie komt voor rekening van de werkgever. Nu een dergelijke urenregistratie vanuit [gedaagden] ontbreekt over de jaren 2019, 2020, 2022 en 2024, en de uren op de door [eiseres] overgelegde kalenders uit 2021 en 2023 nagenoeg overeen komen met de door [gedaagden] overgelegde roosters over 2021 en 2023 en de beschikbare loonspecificaties, is de kantonrechter van oordeel dat de door [eiseres] overgelegde kalenders als uitgangspunt kunnen gelden voor het vaststellen van de omvang van de door [eiseres] gewerkte uren.
Functie-inschaling
5.3.
[eiseres] stelt dat [gedaagden] haar ten onrechte heeft ingeschaald in de functie van Verkoopmedewerker II in plaats van Verkoopmedewerker III van de cao. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [eiseres] aangevoerd dat zij op het moment van indiensttreding reeds zes jaar ervaring had in een gelijkwaardige functie bij een bakkerij elders. Een collega met gelijkwaardige ervaring is ingedeeld in de functie van Verkoopmedewerker III, terwijl [eiseres] nagenoeg dezelfde werkzaamheden als deze collega verricht. Dit blijkt volgens [eiseres] uit de als productie 25 overgelegde verklaring van de betreffende collega. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] toegelicht dat zij de winkel opende en sloot en dat zij contacten onderhield met klanten, hetgeen werkzaamheden zijn zoals genoemd in de functieomschrijving behorend bij Verkoopmedewerker III.
5.4.
[gedaagden] betwist de duur van de relevante werkervaring van [eiseres] niet maar voert aan dat de werkervaring van [eiseres] niet aansluitend voorafgaand aan de indiensttreding bij [gedaagden] is opgedaan en zij daar daarom geen rekening mee hoefde te houden. De collega van [eiseres] , waar [eiseres] naar verwijst, had velen jaren meer ervaring en die collega hield zich bovendien bezig met het onderhouden van de social media voor de bakkerij. De taken van [eiseres] die vielen onder de functie van Verkoopmedewerker III waren niet meer dan 25% van haar dagelijkse bezigheden, zodat [gedaagden] niet verplicht was tot inschaling in een hogere functieklasse.
5.5.
Uit de als bijlage 1 bij de cao opgenomen functievergelijking volgt dat voor beide Functieklassen (II en III) enige jaren relevante werkervaring in een soortgelijke functie vereist is. Niet vereist is direct aansluitende ervaring en wat betreft de werkervaring wordt evenmin onderscheid gemaakt in de duur daarvan. Dit verweer van [gedaagden] faalt daarom. Bovendien opende en sloot [eiseres] de winkel, hetgeen werkzaamheden zijn die vallen onder die van Verkoopmedewerker III. Dit betreft derhalve een extra verantwoordelijkheid die een hoger salaris rechtvaardigt. Daarbij geldt dat [eiseres] regelmatig alleen in de winkel stond en vanzelfsprekend klantencontact onderhield. Het feit dat de collega van [eiseres] de social media van de bakkerij onderhield, rechtvaardigt naar het oordeel van de kantonrechter daarom niet een verschil in functieklasse. Dat klemt temeer nu deze collega heeft bevestigd dat zij de social media uit zichzelf bijhield en het derhalve geen aan haar door [gedaagden] opgelegde taak betrof.
5.6.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [eiseres] ten onrechte niet is ingeschaald in de functie van Verkoopmedewerker III. [gedaagden] wordt dan ook veroordeeld tot het corrigeren van de functieklasse en de daarbij behorende salarisschaal (4), met terugwerkende kracht vanaf mei 2019.
5.7.
De door [eiseres] gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd zoals in het dictum opgenomen.
Salarisschaal functieklasse III
5.8.
[eiseres] stelt dat zij als gevolg van de onjuiste inschaling en bedrag van € 3.893,72 ten onrechte niet uitbetaald heeft gekregen. Volgens [eiseres] is dit bedrag opgebouwd uit een tekort van € 0,67 bruto per gewerkt uur over de periode van 1 mei 2019 tot 1 mei 2024 totaal van (5,08 x 52 weken x 22 uur = 5.811,52 uur).
5.9.
Of en hoeveel salaris [gedaagden] nog verschuldigd is, kan thans nog niet worden vastgesteld. [eiseres] is bij de berekening van de hoogte van het uurloon voor alle voorafgaande jaren namelijk uitgegaan van een salaris van € 14,45 bruto per uur, terwijl de uurlonen, gelet op de salaristabellen bij de cao, de afgelopen jaren zijn gestegen tot voornoemd bedrag. [eiseres] wordt daarom in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de hoogte van het door haar gevorderde uurloon over de periode van 1 mei 2019 tot 1 mei 2024 en haar toelichting te voorzien van een gespecificeerde berekening per jaar.
Gewerkte tijd voor opening van de winkel en de gewerkte tijd na sluiting van de winkel
5.10.
[eiseres] vordert de veroordeling van [gedaagden] tot betaling van loon over de uren die zij voor- en na sluitingstijd van de winkel heeft gewerkt maar nooit uitbetaald heeft gekregen.
5.11.
Bij de beoordeling van de vraag of [gedaagden] over deze uren loon verschuldigd is, wordt uitgegaan van het begrip arbeidstijd zoals dat is opgenomen in artikel 2 van de Arbeidstijdenrichtlijn. Daarin is bepaald dat ‘arbeidstijd’ de tijd is waarin de werknemer werkzaam is, ter beschikking van de werkgever staat en zijn werkzaamheden of functie uitoefent, overeenkomstig de nationale wetten en/of gebruiken. De arbeidstijdenrichtlijn is in Nederland onder meer geïmplementeerd in de Arbeidstijdenwet (Atw) en boek 7 (titel 7.10) BW. In artikel 1:7 lid 1 onderdeel k Atw is het begrip arbeidstijd nader omschreven als ‘de tijd dat de werknemer onder gezag van de werkgever arbeid verricht’. In artikel 7:610 lid 1 BW staat ten slotte: “De arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten’.
5.12.
Uit de recente rechtspraak, komt naar voren dat wanneer 1) de werkgever de werknemer verplicht om ten behoeve van inlogtijd, opstarttijd of uitwerktijd een bepaalde tijd eerder (of langer) op het werk aanwezig te zijn én (2) er gedurende die tijd werkzaamheden en/of handelingen worden verricht ten behoeve van het werk of de werkgever, die tijd al snel kwalificeert als arbeidstijd. Het is daarbij aan de werknemer om te stellen en te bewijzen dat is opgedragen om die bepaalde tijd voor aanvang van de dienst (of na afloop van de dienst) aanwezig te zijn. [1]
Gewerkte tijd voor opening van de winkel
5.13.
[eiseres] vordert [gedaagden] te veroordelen tot betaling van een bedrag van
€ 2.514,30 bruto aan ’10 minuten uren’ die zij heeft gewerkt voor openingstijd van de winkel. Zij heeft daartoe gesteld dat zij elke werkdag verplicht werd om tien minuten voor aanvangstijd van haar dienst aanwezig te zijn. In deze tijd moest zij de winkel klaar maken. Als de winkel om 07:00 uur openging, dan moest [eiseres] voor openingstijd de kassalade ophalen, het pinapparaat opstarten, spullen buiten zetten, bestellingen klaarzetten en ervoor zorgen dat het brood op de planken kwam. Ter onderbouwing verwijst [eiseres] naar het personeelsreglement waaruit de aanwezigheidsplicht volgt met bijbehorende sancties bij niet naleving daarvan (r.o. 2.3.).
5.14.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagden] deze vordering onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De enkele blote betwistingen dat de medewerkers niet 10 minuten de tijd nodig hadden om de winkel klaar te maken en dat het personeelsreglement nooit officieel in werking is getreden is, gelet op de gemotiveerde en onderbouwde stelling van [eiseres] , onvoldoende. Het is immers zeer voorstelbaar dat als de winkel om 07:00 uur opent en de aanvangstijd van de dienst ook 07:00 uur is, de werknemers daarvoor een korte periode nodig hebben om de winkel in gereedheid te brengen. Bovendien volgt ook uit het personeelsreglement de verplichting om eerder aanwezig te zijn en daar zijn bovendien sancties aan verbonden bij niet naleving daarvan, waaronder ontslag. Dat de werknemers ervan uit gingen dat van enige vrijblijvendheid geen sprake kon zijn, is dan ook goed voorstelbaar. Dit reglement is kennelijk op enig moment onder de werknemers verspreid en niet gesteld of gebleken is dat aan de werknemers is medegedeeld dat dit een concept reglement was, waar over en weer geen rechten aan kon worden ontleend. Dit verweer van [gedaagden] wordt dan ook gepasseerd.
5.15.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de tijd dat [eiseres] aanwezig moest zijn voordat haar dienst formeel zou beginnen, kwalificeert als arbeidstijd en dat [eiseres] daarvoor betaald had moeten worden.
5.16.
Of [eiseres] ook daadwerkelijk alle door haar gestelde ‘10-minuten uren’ over de periode 1 mei 2019 tot 1 mei 2024 nabetaald moet krijgen, is afhankelijk van het antwoord op de vraag of het beroep van [gedaagden] op de klachtplicht slaagt of niet.
Klachtplicht
5.17.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de klachtplicht van artikel 6:89 BW in beginsel van toepassing is op alle verbintenissen, waaronder ook die uit hoofde van een arbeidsovereenkomst en die tot betaling van een geldsom. Of in een concreet geval gedeeltelijk is gepresteerd of in het geheel niet, hangt af van de omstandigheden van het geval (ECLI:NL:HR:2024:1278).
5.18.
De klachtplicht in het arbeidsrecht houdt – kort gezegd – in dat werknemers tijdig moeten klagen over gebreken in de prestatie van de werkgever, zoals het niet (volledig) ontvangen van loon, omdat anders hun recht daarop vervalt. Bij de beoordeling van het beroep op de klachtplicht moet het bijzondere karakter van de arbeidsverhouding in aanmerking worden genomen, waarbij onder meer acht moet worden geslagen op de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie. Het bijzondere karakter van de arbeidsverhouding kan onder omstandigheden meebrengen dat een werknemer niet altijd de ruimte of gelegenheid ervaart om bij de werkgever te klagen. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoort verder het antwoord op de vraag of de werkgever nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de werknemer heeft geklaagd.
5.19.
De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van [gedaagden] op de klachtplicht niet slaagt. Daarvoor is van belang dat [gedaagden] welbewust in het personeelsreglement heeft opgenomen dat haar werknemers 10 minuten voor aanvangstijd aanwezig moesten zijn, daar ook de consequentie van mogelijk ontslag aan heeft verbonden en daar tegelijkertijd geen loon voor heeft uitbetaald. Daarbij komt dat [eiseres] heeft toegelicht dat zij de niet betaalde uren weleens mondeling ter sprake heeft gebracht maar dat zij geen verdere stappen heeft ondernomen uit angst voor de reactie van [gedaagden] Het financiële nadeel dat [gedaagden] leidt omdat het dienstverband tussen partijen is geëindigd en de uren daardoor niet meer kunnen worden ingehaald of als verlofuren kunnen worden ingezet, komt, gelet op het bepaalde in het personeelsreglement, voor rekening en risico van [gedaagden]
5.20.
Mede met inachtneming van hetgeen is geoordeeld in r.o. 5.9. zal [eiseres] in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over het aantal ’10-minuten uren’ waarover nog loon is verschuldigd over de periode van 1 mei 2019 tot 1 mei 2024 en de hoogte van het bijpassende uurloon in het jaar waarop de ’10-minuten uren’ betrekking hebben.
Gewerkte tijd na sluiting van de winkel
5.21.
[eiseres] heeft gesteld dat [gedaagden] van haar verwachtte dat zij na sluitingstijd de bakkerij zou schoonmaken en aanvegen. De tijd die [eiseres] hier voor nodig had, bedroeg circa 30 tot 45 minuten per werkdag na sluitingstijd. Deze tijd was niet ingeroosterd en [eiseres] kreeg hiervoor aanvankelijk niet betaald. Het betreft de periode mei 2019 tot eind 2022. In de periode daarna, dus vanaf eind 2022, is het werk na sluitingstijd wel altijd ingeroosterd en uitbetaald nadat een andere collega daarover had gereclameerd, aldus [eiseres] . Ter onderbouwing van haar stelling heeft [eiseres] onder meer verwezen naar de zelf door haar gemaakte overzichten waarop zij de door haar gewerkte uren heeft bijgehouden (r.o. 5.2.). Verder heeft zij verwezen naar de als productie 25 ingebrachte verklaring van haar directe collega.
5.22.
[gedaagden] heeft als verweer aangevoerd dat zij werkte met registratieformulieren waarop haar personeel de gewerkte uren invulde. Aan de hand van deze formulieren werden de gewerkte uren uitbetaald. [eiseres] diende de ingevulde formulieren bij [gedaagden] in te leveren en kon maandelijks op haar loonstroken zien of de formulieren juist waren verwerkt. Het lag op de weg van [eiseres] om tijdig, dat wil zeggen vanaf het moment dat zij haar loonstrook ontving, te klagen over het uitblijven van betaling hiervan. Gedurende het gehele dienstverband is [eiseres] hier nooit over begonnen, aldus [gedaagden]
5.23.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagden] echter ook erkend dat een collega van [eiseres] wel de gewerkte schoonmaakuren steeds invulde en zij deze uren wel uitbetaald kreeg. Als een werknemer dat niet deed, zoals [eiseres] , dan kwam dit voor rekening en risico van de betreffende werknemer, aldus [gedaagden] Nadat een collega over deze gang van zaken had gereclameerd, is [gedaagden] de schoonmaakuren vanaf eind 2022 wel gaan uitbetalen.
5.24.
Gelet op deze erkenning strandt het verweer van [gedaagden] dat als een werknemer niet vroeg om uitbetaling van de gewerkte uren, zij ook geen recht had op uitbetaling daarvan. Datzelfde geldt voor het beroep van [gedaagden] op de klachtplicht voor wat betreft de uren na sluitingstijd. [gedaagden] wist immers dat haar werknemers recht hadden op doorbetaling van schoonmaakuren maar afhankelijk van de urenregistratie van de betreffende werknemers werden de uren wel of niet uitbetaald. [gedaagden] diende er derhalve rekening mee te houden dat [eiseres] op enig moment ook aanspraak zou maken op uitbetaling van de gewerkte, maar niet uitbetaalde, schoonmaakuren. Nadat [gedaagden] vanaf eind 2022 de uren na sluitingstijd wel is gaan betalen, heeft zij er kennelijk welbewust voor gekozen om geen inhaalslag te maken ten aanzien van de voorgaande jaren. Dit komt, mede gelet wat is overwogen over de klachtplicht in r.o. 5.18., voor haar rekening en risico.
5.25.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [eiseres] recht heeft op uitbetaling van de door haar gewerkte uren na sluitingstijd over de periode 2019 tot eind 2022. [eiseres] heeft deze uren berekend op basis van de door haarzelf bijgehouden urenregistratie. Zoals in r.o. 5.2. geoordeeld neemt de kantonrechter deze voor de onderhavige berekening ook tot uitgangspunt. De kantonrechter gaat derhalve voorbij aan de blote betwistingen van [gedaagden] onder randnummers 13 en 14 van haar conclusie van antwoord. Zij heeft haar verweer niet onderbouwd en bovendien heeft [eiseres] , onder verwijzing naar de roosters van [gedaagden] zelf, gemotiveerd dat de winkel op vrijdag open was tot 18:00 uur in plaats van 17:30 uur zoals door [gedaagden] is aangevoerd. Het enkele feit dat 1 mei 2019 geen vrijdag was, doet niet af aan het feit dat uit de door [eiseres] overgelegde agenda volgt dat zij op 3 mei 2019 wel degelijk tot 18:00 uur heeft gewerkt.
5.26.
[eiseres] heeft gesteld dat zij in 2019 61 dagen een sluitingsdienst heeft gewerkt, hetgeen neerkomt op 30.5 uur onbetaalde uren (61 x 0,5 uur), in 2020 91 dagen, hetgeen neerkomt op 45.5 uur (91 x 0,5), in 2021 81 dagen, hetgeen neerkomt op 40.5 uur (81 x 0,5) en ten slotte in 2022 75 dagen, hetgeen neerkomt op 37.5 uur (75 x 0,5). In totaal betreft dit 154 uur.
5.27.
Mede met inachtneming van hetgeen is geoordeeld in r.o. 5.9. zal [eiseres] in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over de hoogte van het uurloon behorend bij de uren na sluitingstijd in de jaren 2019, 2020, 2021 en 2022.
Over-/meeruren
5.28.
[eiseres] vordert – na vermindering van haar eis – betaling van de door haar gemaakte overuren van 197 uur. Gelet op hetgeen is geoordeeld in r.o. 5.2. gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de door [eiseres] overgelegde overzichten en berekeningen en wordt voor het vervolg ervan uitgegaan dat [eiseres] in de periode van mei 2019 tot en met mei 2024 197 overuren heeft gemaakt.
5.29.
Ook ten aanzien van de overuren heeft [gedaagden] een beroep gedaan op de klachtplicht. In tegenstelling tot de overige vorderingen, slaagt het beroep op de klachtplicht naar het oordeel van de kantonrechter wel voor wat betreft de overuren. Ter zitting is namens [eiseres] bevestigd dat zij wist dat zij aanspraak kon maken op betaling van overuren en op loonstrookjes is ook te zien dat overuren zijn betaald. Voorts is door [eiseres] onvoldoende weersproken dat er soms ook minuren werden bijgehouden die dan werden weggestreept met overuren in een week of periode. Doordat [gedaagden] de onderneming heeft overgedragen en het dienstverband is geëindigd, heeft zij nu niet meer de mogelijkheid om overuren te compenseren met minuren. Gelet daarop – en het gegeven dat [eiseres] wist dat zij overuren kon laten uitbetalen – zorgt dat nadeel er naar het oordeel van de kantonrechter voor dat het beroep van [gedaagden] op de klachtplicht slaagt. [eiseres] had tijdig, tijdens het dienstverband met [gedaagden] , uitdrukkelijk moeten klagen over het niet uitgekeerd zijn van overuren. Dat zij dat niet heeft gedaan komt voor haar rekening en risico en zorgt ervoor dat deze vordering wordt afgewezen.
Cao overwerktoeslag
5.30.
[eiseres] vordert [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de cao-overwerktoeslag over de ’10-minuten uren’, de schoonmaakuren en de overige gewerkte overuren. Zij stelt, onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie van 29 juli 2024 [2] dat de in de cao opgenomen regeling over overwerktoeslag niet is toegestaan omdat daarin een verboden onderscheid wordt gemaakt tussen fulltimers en parttimers. In de cao is bepaald dat overuren alleen met een toeslag worden beloond wanneer die buiten de normale arbeidsomvang van een fulltimer zijn gewerkt, namelijk 38 uur. Parttimers ontvangen dus geen toeslag voor overuren die zij maken boven de met hen overeengekomen arbeidsomvang en onder de voor fulltimers geldende arbeidsomvang. Dit heeft tot gevolg dat [eiseres] op basis van de cao geen recht heeft op overwerktoeslag over de uren boven haar 22-urige arbeidsomvang, hetgeen, althans zo begrijpt de kantonrechter [eiseres] , een verboden onderscheid oplevert tussen fulltimers en parttimers.
5.31.
De kantonrechter volgt [eiseres] in deze stellingen, die door [gedaagden] niet (inhoudelijk) zijn weersproken. De cao maakt immers onderscheid tussen parttimers en fulltimers in de toekenning van een overwerktoeslag, hetgeen in strijd is met artikel 7:648 BW. In dat artikel staat dat een werkgever geen onderscheid mag maken tussen werknemers op grond van verschil in arbeidsduur in de voorwaarden waaronder een arbeidsovereenkomst is aangegaan. Nu evenmin is gebleken van een objectieve rechtvaardiging van het onderscheid, heeft [eiseres] in beginsel recht op betaling van een overwerktoeslag over de door haar gewerkte meeruren. Op grond van artikel 22 lid 2 van de cao is dit 125% over de eerste 8 uur en 150% over de uren boven de 8 uur.
Klachtplicht overwerktoeslag
5.32.
[gedaagden] heeft in de pleitnota aangevoerd dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om het arrest tegen haar te laten gelden. De uitspraak was na de datum van overgang van onderneming op 1 mei 2024. In de tijd dat [gedaagden] werkgever was, was de grens voor de toeslag conform de cao. In de nieuwe cao is het overwerktoeslag artikel geschrapt en een andere systematiek gehanteerd voor de berekening van de toeslag. Het verweer van [gedaagden] gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op, omdat het arrest slechts de uitleg is van artikel 7:648 BW dat reeds lange tijd bestond.
5.33.
Mede met inachtneming van hetgeen is geoordeeld in r.o. 5.9. en hetgeen is geoordeeld over de ‘10-minuten uren’ en de uren na sluitingstijd, zal [eiseres] in de gelegenheid worden gesteld haar vordering wat betreft de overwerktoeslag nader te specificeren.
Achterstallig vakantiegeld
5.34.
Hiervoor is geoordeeld dat [gedaagden] nog loon aan [eiseres] verschuldigd is. Daarover is [gedaagden] ook vakantiegeld verschuldigd. De hoogte daarvan kan, in verband met de nog vast te stellen hoogte van het uurloon, thans nog niet worden vastgesteld.
5.35.
Met inachtneming van hetgeen hiervoor is geoordeeld over de diverse looncomponenten wordt [eiseres] in de gelegenheid gesteld zich bij akte ook uit te laten over de hoogte van het nog openstaande vakantiegeld.
Correctie en nabetaling pensioenpremie
5.36.
[eiseres] vordert [gedaagden] te veroordelen om binnen 2 dagen na betekening van het eindvonnis tot correctie en nabetaling van achterstallige pensioenpremie over te gaan, overeenkomstig de door de kantonrechter toegewezen bedragen. [gedaagden] heeft deze vordering niet weersproken zodat deze voor toewijzing gereed ligt. De door [eiseres] gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd.
Wettelijke verhoging
5.37.
[eiseres] vordert [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging van € 8.766,33 bruto. De wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW is bedoeld als prikkel voor de werkgever om tot tijdige betaling van het loon over te gaan. Nu de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd en de onderneming van [gedaagden] niet meer bestaat en van loonbetaling nimmer geen sprake meer zal zijn, ziet de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot nihil, temeer nu [eiseres] ook aanspraak heeft gemaakt op betaling van de wettelijke rente.
Wettelijke rente
5.38.
De door [eiseres] gevorderde wettelijke rente over de toe te wijzen bedragen is toewijsbaar vanaf mei 2024.
Correctie loonstroken en jaaropgaven
5.39.
Ook de vordering strekkende tot afgifte van de gecorrigeerde correcte loonstroken en jaaropgaven vanaf mei 2019 tot en met april 2024, is toewijsbaar. De door [eiseres] gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd.
Hoofdelijkheid
5.40.
De veroordeling zal deels hoofdelijk worden uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
Aanhouding procedure in afwachting van aktewisseling
5.41.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden in afwachting van de aktewisseling tussen partijen over de hoogte van het bruto uurloon en de totale nog openstaande loonvordering.
5.42.
De kantonrechter geeft partijen in overweging om, met inachtneming van al hetgeen hiervoor is geoordeeld en beslist, alsnog te proberen met elkaar overeenstemming te bereiken over de afwikkeling van de reeds geëindigde arbeidsrelatie.

6.De beoordeling in reconventie

6.1.
De vordering van [gedaagden] is gegrond op onverschuldigde betaling. Voor onverschuldigde betaling is vereist dat de betaling zonder rechtsgrond is gedaan. De rechtsgrond voor de doorbetaling van de pauzes is echter gelegen in de jarenlange handelwijze van [gedaagden] waarbij zij de pauze uren als gewerkte uren heeft uitbetaald. Zij heeft in haar conclusie van antwoord immers toegelicht dat zij de pauzes van al haar personeel te allen tijde heeft doorbetaald en dat zij hier nooit een punt van heeft gemaakt uit waardering van haar personeel. Dat [gedaagden] nu op deze goodwill als werkgever wil terugkomen omdat [eiseres] een loonvordering tegen haar heeft ingesteld, kan niet leiden tot de conclusie dat sprake is van onverschuldigde betaling.
6.2.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering in reconventie wordt afgewezen. De gevorderde wettelijke rente en wettelijke verhoging volgen datzelfde lot nu die daarmee samenhangen.
6.3.
Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagden] veroordeeld in de proceskosten in reconventie.

7.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
7.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 14 januari 2026voor het nemen van een akte door [eiseres] over wat is vermeld onder r.o. 5.9., 5.20., 5.27. en 5.36., waarna [gedaagden] in de gelegenheid wordt gesteld om een antwoordakte te nemen,
7.2.
houdt iedere verdere beslissing aan;
in reconventie
7.3.
wijst de vordering af;
7.4.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de kant van [eiseres] begroot op
€ 238,00 aan salaris voor de gemachtigde,
7.5.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. van der Boon en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
34124 \ 53854