ECLI:NL:RBGEL:2025:11463

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
ARN 24_320
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de voortzetting van de WIA-uitkering van eiseres met een arbeidsongeschiktheid van 48,15%

Deze uitspraak betreft de voortzetting van de WIA-uitkering van eiseres, die is berekend op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 48,15%. Eiseres is het niet eens met de hoogte van dit percentage en heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het UWV een juiste beslissing heeft genomen. Het medisch onderzoek door het UWV is zorgvuldig uitgevoerd en de beperkingen van eiseres zijn correct vastgesteld. De rechtbank heeft vastgesteld dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt zijn voor eiseres. Het beroep van eiseres is ongegrond verklaard.

In het procesverloop heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar WIA-uitkering per 14 juni 2023 te beëindigen, omdat haar arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 28,53%. Het UWV heeft dit bezwaar gegrond verklaard en besloten tot voortzetting van de WIA-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 48,15%. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, waarop het UWV heeft gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft de zaak op 28 oktober 2025 behandeld, waarbij eiseres en haar gemachtigde aanwezig waren.

De rechtbank heeft de medische beoordeling door het UWV als zorgvuldig beoordeeld. De rapporten van de verzekeringsartsen zijn op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en bevatten geen tegenstrijdigheden. Eiseres heeft aangevoerd dat haar medische klachten niet goed zijn meegenomen in de beoordeling, maar de rechtbank heeft geconcludeerd dat de rapporten logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische onderbouwing van het bestreden besluit. Eiseres heeft geen gelijk gekregen en het beroep is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/320

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: R.V. Gerritsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de voortzetting per 14 juni 2023 (de datum in geding) van haar uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 48,15%. Eiseres is het niet eens met de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspercentage. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de voortzetting van de WIA-uitkering van eiseres.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV een juiste beslissing heeft genomen. Eiseres krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 13 april 2023 heeft het UWV besloten tot de beëindiging van de WIA-uitkering van eiseres per 14 juni 2023, omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 28,53%. Met het bestreden besluit van 5 december 2023 heeft het UWV het bezwaar gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en besloten tot de voortzetting van de WIA-uitkering per 14 juni 2023, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 48,15%.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de echtgenoot van eiseres, de gemachtigde van eiseres (via videoverbinding) en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres was werkzaam als accountmanager mkb [1] bij de Rabobank voor gemiddeld 35,86 uur per week. Op 9 oktober 2017 heeft zij zich ziekgemeld, vanwege diverse lichamelijke klachten. Zij bereikte op 7 februari 2020 (na een samengestelde wachttijd) het einde van haar wachttijd. Op 12 maart 2020 besluit het UWV tot de toekenning van een loongerelateerde WGA [2] -uitkering per 7 februari 2020. Op dat moment wordt eiseres op medische gronden volledig arbeidsongeschikt geacht. Per 24 december 2020 wordt haar WIA-uitkering beëindigd, omdat zij op dat moment een zwangerschaps- en bevallingsuitkering [3] ontvangt tot 25 april 2021. Aansluitend ontvangt zij weer een loongerelateerde WGA-uitkering. Het UWV besluit op 21 april 2021 tot de toekenning van een WGA-loonaanvullingsuitkering per 9 juni 2021. Op initiatief van het UWV vindt in 2022 een herbeoordeling plaats.
3.1.
In het kader van de WIA-herbeoordeling heeft een onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en door een arbeidsdeskundige van het UWV. De verzekeringsarts heeft de belastbaarheid vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Op basis van de FML heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres vastgesteld op 28,53%. Met het besluit van 13 april 2023 heeft het UWV besloten dat de WIA-uitkering van eiseres per 14 juni 2023 wordt beëindigd, omdat zij op dat moment minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
3.2.
Op 4 mei 2023 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen dit besluit van het UWV, omdat haar medische beperkingen zouden zijn onderschat. Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen. Het UWV heeft deze besluitvorming (mede) gebaseerd op een onderzoek door een (verzekerings)arts bezwaar en beroep (b&b) en een arbeidsdeskundige b&b. De (verzekerings)arts b&b heeft aanleiding gezien om de FML op bepaalde punten te wijzigen en een urenbeperking aan te nemen van maximaal zes uur per dag en 30 uur per week. De arbeidsdeskundige b&b heeft op basis van de aangepaste FML geconcludeerd, dat niet langer alle door de (primaire) arbeidsdeskundige geduide functies passend worden bevonden voor eiseres. Wel worden, na een nieuwe CBBS [4] -raadpleging, de volgende functies geschikt geacht: boekhouder (SBC-code 515070), schadecorrespondent (SBC-code 516080) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code 315100). Rekening houdend met deze (nieuwe) functieduiding wordt de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres vastgesteld op 48,15%.
De medische beoordeling door het UWV
4. Eiseres voert aan dat de conclusies van de verzekeringsartsen niet valide zijn. De medisch geobjectiveerde klachten van eiseres zijn namelijk niet bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts b&b stelt dat eiseres conditie moet opbouwen en handhaven, en dit doe je niet door te rusten. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft alle behandelmogelijkheden aangegrepen en die hebben niet tot tastbare resultaten geleid. Zij heeft rustmoment nodig en verwijst naar informatie van het Spine & Joint Centre. Hieruit volgt dat rustmomenten worden geadviseerd om overbelasting en verergering van klachten te voorkomen. Daarnaast stelt de (primaire) verzekeringsarts dat bij eiseres sprake is van een somatoforme pijnstoornis. Eiseres vraagt zich af of een verzekeringsarts van het UWV in staat is om een dergelijke diagnose te stellen. De arts b&b weegt de diagnose van hypermobiliteit en de luxatie van het SI-gewricht onterecht niet mee bij de oordeelsvorming. Ook stelt de arts b&b onterecht dat fysieke oefeningen geen schade aan gewrichten en pezen kunnen veroorzaken bij pijnsyndromen. Tot slot concludeert eiseres dat er geen rekening is gehouden met hetgeen door de behandelend sector is aangegeven met betrekking tot de mogelijkheid om liggend te recupereren.
Is het medisch onderzoek door het UWV zorgvuldig geweest?
5. De rechtbank stelt voorop dat het UWV zijn besluiten omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is. [5]
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit op zorgvuldige wijze verricht. Daarbij is het volgende van belang. Uit het rapport van de primaire verzekeringsarts van 18 oktober 2022 volgt dat dossierstudie is verricht, informatie van de behandeld sector is bestudeerd en dat eiseres op 17 oktober 2022 is gezien op een spreekuur. Tijdens het spreekuur heeft de verzekeringsarts een (uitgebreide) anamnese afgenomen en is eiseres lichamelijk onderzocht. De informatie van het Spine & Joint Centre van 25 maart 2022 en 6 oktober 2022 en van het Jeroen Bosch ziekenhuis is kenbaar bij de beoordeling betrokken. Uit het rapport van de arts b&b volgt dat in bezwaar ook dossierstudie is verricht en dat eiseres is gezien op de hoorzitting van 9 oktober 2023. Naderhand is informatie door eiseres opgestuurd. De arts b&b heeft deze informatie kenbaar bij de heroverweging betrokken. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de (verzekerings)artsen aspecten van de gezondheidstoestand van eiseres hebben gemist. Verder is de rechtbank van oordeel dat de rapporten van de (verzekerings)artsen geen tegenstrijdigheden bevatten en dat de conclusies van de rapporten logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen.
Zijn de beperkingen van eiseres juist vastgesteld?
6. De rechtbank stelt vast dat de (verzekerings)arts b&b bekend is met de klachten van eiseres. De arts b&b heeft toegelicht zich in grote lijnen te kunnen verenigen met de aangenomen beperkingen door de primaire verzekeringsarts en kan de primaire verzekeringsarts volgen in het standpunt dat eiseres op de datum in geding benutbare mogelijkheden heeft. Echter, de in bezwaar overgelegde informatie heeft aanleiding gegeven om de FML op bepaalde punten aan te passen. Uit deze informatie volgt dat bij eiseres sprake is van een chronisch pijnsyndroom en dat zij last heeft van haar SI-gewricht. Hier heeft zij een injectie voor gehad. Ondanks dat bij eiseres geen sprake is van psychische problematiek, ervaart zij spanningsklachten en emotionele gevoelens vanwege haar langdurige klachten, aldus de arts b&b. Zij wordt daarom beperkt geacht op het vlak van mentaal sterk stresserende activiteiten tijdens werk. Eiseres is aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige storingen, veelvuldige deadlines, productiepieken en zonder een hoog handelingstempo. Zij is ook beperkt ten aanzien van omgaan met conflicten, intensief samenwerken en beroepsmatig vervoer. Ten gevolge van de bekkeninstabiliteit en fibromyalgie stelt de arts b&b dat eiseres geen zware werkkleding kan dragen. Daarnaast moet zij werkzaamheden waarbij bukken en draaien tegelijkertijd moet worden verricht, vermijden. Ze is ook beperkt ten aanzien van zitten achtereen zonder vertredingsmogelijkheden. Gezien de aard van de klachten, vanwege het chronisch pijnsyndroom, de bekkenklachten en de dagactiviteiten van eiseres, stelt de arts b&b dat sprake is van verminderde energetische belastbaarheid die leidt tot extra recuperatieperioden overdag. Er wordt daarom een urenbeperking aangenomen van maximaal zes uur per dag en 30 uur per week. Daarnaast moet zij onregelmatige en nachtdiensten vermijden.
6.1.
In het rapport van 15 juli 2025 heeft verzekeringsarts b&b Jonker (uitgebreid) gereageerd op de medische informatie die eiseres heeft ingebracht bij haar aanvullende beroepsgronden van 2 juli 2025. Kort samengevat, stelt de verzekeringsarts b&b dat er geen aanleiding is om van standpunt te wijzigen. Een luxatie van het SI-gewricht is bij eiseres nooit beschreven. Eiseres is getest op hypermobiliteit, maar hieruit is gebleken dat geen sprake is van gegeneraliseerde hypermobiliteit. Wel is er sprake van enige hypermobiliteit van de ellebogen, maar daar is rekening mee gehouden in de FML. Hypermobiliteit van de gewrichten in de handen is niet beschreven, waardoor geen reden wordt gezien om de vingervaardigheid verder te beperken of het gebruik van toetsenbord en muis te beperken. Hiermee wordt ook rekening gehouden met de door eiseres aangegeven klachten van gevoelsstoornissen in haar handen. Voor het gebruik van een toetsenbord en muis is immers nauwelijks vingerkracht nodig, aldus de verzekeringsarts b&b. De diagnose POTS is pas geruime tijd na de datum in geding vastgesteld. De verzekeringsarts b&b licht toe dat het goed mogelijk is dat die diagnose ook al actueel was ten tijde van de datum in geding. Desondanks ziet zij geen reden om in verband hiermee meer beperkingen aan te nemen. Er zijn immers al (zeer) forse beperkingen aangenomen in de FML. Ondanks die klachten blijkt eiseres redelijk actief te zijn. Zij rijdt auto, kan fietsen met een elektrische (bak)fiets en bezoekt de supermarkt. Daarnaast wordt bij POTS ‘voorzichtig activeren’ aangeraden, waarbij de conditie door middel van liggende of zittende activiteiten wordt opgebouwd. Over het standpunt van eiseres dat zij geregeld moet rusten, stelt de verzekeringsarts b&b dat uit de informatie van het Spine & Joint Centre volgt dat inderdaad wordt aanbevolen om tijdens de beginperiode van de training geregeld liggend te rusten. Er wordt niet aangegeven dat dit een blijvend advies is. De verzekeringsarts b&b ziet ook geen medische argumenten voor een dergelijk advies. Daarnaast zijn in de FML zodanig veel beperkingen aangegeven en tevens een urenbeperking, dat tussendoor liggend recupereren geen toegevoegde waarde heeft. De rechtbank kan de verzekeringsarts b&b hierin volgen.
6.2.
Op 11 september 2025 heeft eiseres aanvullende beroepsgronden en een diagnose van de medisch specialist ingediend (gedateerd 28 juli 2025). Eiseres is inmiddels gediagnosticeerd met ME/CVS. Zij verwijst ook naar drie tussenuitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 juli 2025. [6] Eiseres voert aan dat geconcludeerd kan worden dat de medische beoordeling door de verzekeringsartsen niet gebaseerd is op het juiste ziektebeeld. Dat bij haar de diagnose ME/CVS pas later is vastgesteld, doet hier niet aan af. Van de verzekeringsarts b&b had immers verwacht mogen worden dat hij, gelet op de medische geschiedenis van eiseres, haar consistente dagverhaal, haar uitgebreide motivering in bezwaar en de toelichtingen tijdens de hoorzitting, tot een andere conclusie was gekomen. Er had een verdergaande urenbeperking aangenomen moeten worden.
6.2.1.
Op 6 oktober 2025 heeft verzekeringsarts b&b Kox aanvullende gerapporteerd naar aanleiding van dit aanvullend beroepschrift van eiseres van 11 september 2025. De verzekeringsarts b&b heeft in dit rapport toegelicht dat ME/CVS primair een uitsluitingsdiagnose is, wat betekent dat de diagnose alleen dan wordt gesteld wanneer er geen andere verklaring voor de aanwezige klachten is. Uit de uitgebreide aanwezige informatie blijkt dat bij eiseres sprake is van bekkenklachten met SI-disfunctie, rugpijn, hypermobiliteit van haar ellebogen en linkerknie, stemmingsklachten en fybromyalgie. Omdat ook deze aandoeningen met vermoeidheid gepaard kunnen gaan en omdat er dus voor een groot deel van de klachten (met uitzondering van fibromyalgie) wel een verklaring is, is het opmerkelijk dat vanwege dit laatste de diagnose ME/CVS is gesteld, aldus de verzekeringsarts b&b. De verzekeringsarts b&b stelt de diagnose ME/CVS op dit moment niet ter discussie. Hij kan zich echter niet verenigen met de stelling dat deze diagnose al op de datum in geding speelde. Uit de door eiseres overgelegde informatie blijkt namelijk duidelijk dat in het verleden en op de datum in geding altijd pijnklachten op de voorgrond hebben gestaan, daar waar bij ME/CVS vermoeidheid op de voorgrond staat. Naast de overige geobjectiveerde diagnosen, sluit dit ook aan bij het gegeven dat in het verleden de diagnose fibromyalgie werd gesteld. Bij fibromyalgie staat immers ook chronische pijn op de voorgrond. De verzekeringsarts b&b ziet dan ook niet duidelijk op basis waarvan gesteld kan worden dat ME/CVS al sinds de datum in geding speelde. Van POTS en MCAS wordt pas vrij recent gesproken. Door verzekeringsarts b&b Jonker werd aangegeven (in het rapport van 15 juli 2025) dat weliswaar niet uitgesloten kan worden dat POTS mogelijk ook al speelde op de datum in geding. Aanwezigheid van POTS betekent echter niet automatisch dat er ook sprake is van ME/CVS, omdat er weliswaar een associatie is met ME/CVS, maar geen causaal verband. De verzekeringsarts b&b concludeert dat het feit dat ME/CVS is gediagnosticeerd na de datum in geding, niet leidt tot een andere visie. De rechtbank kan de verzekeringsarts b&b hierin volgen.
6.3.
De rechtbank heeft, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, geen aanleiding om aan de conclusies van de (verzekerings)artsen b&b te twijfelen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat voor eiseres voorop staat wat zij ervaart, gaat het bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, zoals hier aan de orde, om beperkingen die een medisch objectiveerbaar gevolg zijn van ziekte. De beleving van klachten is volgens vaste rechtspraak van de CRvB namelijk niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen bij eiseres zijn vast te stellen. [7] Het UWV ontkent niet dat eiseres klachten ervaart en beperkingen heeft. Daarom is een FML opgesteld. Van een medisch objectieve onderbouwing voor het aannemen van aanvullende beperkingen is niet gebleken. Zonder afbreuk te willen doen aan de door eiseres ervaren impact van haar klachten op het dagelijks leven, ziet de rechtbank in wat zij heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische onderbouwing van het bestreden besluit. De rechtbank gaat dan ook uit van de juistheid van de FML.
7. De rechtbank merkt nog het volgende op. Eiseres stelt in haar aanvullende beroepsgronden van 11 september 2025 dat door de behandelend specialist is geconcludeerd dat zij vanaf 2017 aan de criteria voor ME/CVS voldoet. Daarbij verwijst zij naar de bijlage bij die (aanvullende) beroepsgronden. De rechtbank gaat ervan uit dat die bijlage een schermafdruk is van een stukje van een pagina uit het account van eiseres bij het Erasmus MC. Het gaat om een registratie van 28 juli 2025. Onduidelijk is van welke arts deze informatie afkomstig is. Er is geen medische informatie, alleen een conclusie. Die conclusie luidt als volgt:
“Voldoet aan criteria van ME/CVS (sinds 2017 invaliderende vermoeidheid, met spierklachten, gewrichtsklachten, PEM en cognitieve klachten).”
De rechtbank is van oordeel dat eiseres in deze conclusie ten onrechte leest dat zij vanaf 2017 aan de criteria voor ME/CVS voldoet. Er staat slechts dat eiseres aan de criteria voldoet. Dat betekent dat zij ten tijde van de registratie op 28 juli 2025 aan de criteria voldoet. Wat vervolgens tussen haakjes staat is de (summiere) onderbouwing voor deze conclusie, namelijk dat zij sinds 2017 invaliderende vermoeidheid, met spierklachten, gewrichtsklachten, PEM en cognitieve klachten heeft.
Zoals hiervoor al overwogen, heeft het UWV voldoende onderbouwd dat in het verleden en ook op de datum in geding altijd de pijnklachten op de voorgrond hebben gestaan. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het rapport van Ergatis van 9 januari 2020. Op pagina 5 van dit rapport staat vermeld dat samenvattend kan worden gesteld dat er sprake is van aanhoudende chronische pijnklachten.
De vermelding bij de registratie van het Erasmus MC van 28 juli 2025 ‘sinds 2017 invaliderende vermoeidheid’ is onvoldoende om aan te nemen dat bij eiseres sinds 2017 sprake is van invaliderende vermoeidheid, enerzijds omdat niet is onderbouwd waarop die vermelding is gebaseerd, en anderzijds, omdat uit de veelheid aan medische stukken blijkt dat in het verleden, en ook op de datum in geding, de pijnklachten op de voorgrond stonden, zoals het UWV terecht heeft gesteld.
8. Eiseres heeft tijdens de zitting aangevoerd dat uit het rapport van Ergatis van 9 januari 2020 (pagina 28 en verder) volgt dat de zuurstofopname door de spieren (VO2max waarde) zeer slecht is. Dit is een belangrijk punt dat buiten beeld is gebleven en bij de beoordeling door het UWV niet of nauwelijks een rol heeft gespeeld. Het UWV is ervan uitgegaan dat sprake is van deconditionering, maar dat is een verkeerde conclusie. Er was sprake van een slechte zuurstofopname door de spieren, aldus eiseres. Dit betekent dat zij snel vermoeid is en daarom had een grotere urenbeperking opgenomen moeten worden in de FML.
De rechtbank overweegt hierover als volgt. In het rapport van 18 oktober 2023 heeft de arts b&b gesteld een urenbeperking aan te nemen van maximaal zes uur per dag en 30 uur per week. De arts b&b heeft hiertoe overwogen dat, gezien de aard van de klachten met betrekking tot het chronisch pijnsyndroom, de bekkenklachten en de dagactiviteiten van eiseres, gesteld kan worden dat sprake is van een verminderde energetische belastbaarheid die tot extra recuperatieperioden overdag leiden. Daarom wordt zij bepekt geacht ten aanzien van de duurbelasting in arbeid tot een maximum van zes uur per dag en 30 uur per week. Ook moet eiseres onregelmatige en nachtdiensten vermijden.
Eiseres heeft haar standpunt, dat de door Ergatis gemeten VO2max waarde op medische gronden moet leiden tot de conclusie dat een verdergaande urenbeperking moet worden aangenomen, niet onderbouwd.
9. Eiseres heeft tijdens de zitting gesteld dat zij informatie van internist Lafeber heeft van 17 oktober 2025, en dat zijn inschatting is dat eiseres al sinds 2019, en wellicht zelfs al sinds 2017 voldoet aan de criteria van ME/CVS. Omdat uiterlijk tot tien dagen voor de zitting stukken kunnen worden ingebracht, heeft zij deze informatie niet overgelegd.
De rechtbank stelt vast dat hetgeen eiseres tijdens de zitting naar voren heeft gebracht over de informatie van internist Lafeber van 17 oktober 2025, heel algemeen is, en dat zij niet heeft gesteld dat deze informatie nieuwe medische gegevens of gezichtspunten bevat. Gelet hierop, en gelet op hetgeen de rechtbank onder 7. heeft overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding om het onderzoek te heropenen om eiseres in de gelegenheid te stellen om de informatie van internist Lafeber van 17 oktober 2025 in het geding te brengen.
9.1.
Eiseres heeft tijdens de zitting ook gesteld dat zij ook informatie heeft van een revalidatiearts van het Jeroen Bosch Ziekenhuis van 23 oktober 2025, waaruit zou volgen dat bij haar sprake is van duiminstabiliteit en dat dit per abuis niet in de stukken is opgenomen en dat dit dus ook niet bij het UWV terecht is gekomen. Omdat uiterlijk tot tien dagen voor de zitting stukken kunnen worden ingebracht heeft zij deze informatie niet overgelegd.
De rechtbank overweegt het volgende.
Bij de aanvullende gronden van 2 juli 2025 heeft eiseres informatie van de revalidatiearts van het Jeroen Bosch Ziekenhuis overgelegd. Hieruit blijkt dat eiseres op 20 juni 2025 is gezien en onderzocht. In het verslag van 20 juni 2025 wordt als reden van komst onder andere hypermobiliteit duim vermeld. Onder ‘anamnese’ is vermeld dat eiseres last heeft van met name haar duim en wijsvinger, en dat de duim links snel overbelast is. Onder ‘lichamelijk onderzoek’ zijn bevindingen ten aanzien van het onderzoek aan de duim vermeld. Onder ‘conclusie’ is vermeld dat eiseres klachten heeft aan de duim.
Deze informatie is beoordeeld door de verzekeringsarts b&b in het rapport van 15 juli 2025, zie hiervoor onder 6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de mededeling van eiseres tijdens de zitting dat per abuis in de stukken van de revalidatiearts geen duiminstabiliteit is vermeld, onvoldoende is om aan te nemen dat de brief van de revalidatiearts van 23 oktober 2025 nieuwe medische gegevens of gezichtspunten bevat, die van belang zijn voor de beoordeling van de belastbaarheid van eiseres. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om het onderzoek te heropenen, om eiseres in de gelegenheid te stellen om de informatie van de revalidatiearts van 23 oktober 2025 in het geding te brengen.
10. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een onafhankelijke medische deskundige te benoemen. Nu er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, is er geen aanleiding om een deskundige te benoemen.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geschikt?
11. Eiseres voert aan dat in de functie ‘boekhouder’ een kenmerkende activiteit is, het verzorgen van aanmaningen en telefonisch overleg met debiteuren/crediteuren. Dat staat haaks op de beperking onder de beoordelingspunten 1.8.3 en 2.8 in de FML. Deze functie is daarom niet geschikt. Wat betreft de functie ‘schadecorrespondent’ voert eiseres aan dat deze functie in bezwaar is vervallen, en nu opnieuw als passende functie is geduid. De functieomschrijving is vrijwel identiek. Ook wordt in deze functie de belastbaarheid overschreden op de beoordelingspunten 1.8.3 en 2.8 in de FML. Wat betreft de functie ‘administratief ondersteunend medewerker’ voert eiseres aan dat er sprake is van een overschrijding van de beoordelingspunten 1.8.3 en 2.8 in de FML. De functies ‘secretaris, notulist’ (SBC-code 515060), ‘boekhouder, loonadministrateur’ (SBC-code 315040) en ‘directie secretaresse’ (SBC-code 515020) die niet zijn benoemd in het rapport van de arbeidsdeskundige b&b overschrijden ook de belastbaarheid op beoordelingspunten 1.8.3 en 2.8 in de FML. Ook zijn alle functies niet passend, omdat er geen mogelijkheid wordt geboden om liggend te recupereren.
11.1.
De arbeidsdeskundige b&b is in diens rapport van 29 november 2023 hier uitgebreid op ingegaan. In de geduide functies zijn storingen en onderbrekingen (beoordelingspunt 1.8.3) en omgaan met conflicten (beoordelingspunt 2.8) beoordeeld als ‘niet kenmerkend’. Er behoefde daarom geen rekening mee gehouden te worden. De rechtbank kan deze motivering volgen. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt immers dat in het geval het CBBS ten aanzien van een functie geen signalering heeft gegeven op een bepaald punt, dit betekent dat er ten aanzien van die functie geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid op dat punt. [8] Een nadere motivering hoeft in dat geval niet gegeven te worden. Over de functies ‘secretaris, notulist’, ‘boekhouder, loonadministrateur’ en ‘directie secretaresse’ heeft de arbeidsdeskundige b&b toegelicht dat deze niet zijn gebruikt voor de schatting, nu deze onvoldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Over de functie ‘schadecorrespondent’ heeft de arbeidsdeskundige b&b toegelicht dat de oorspronkelijke functie een omvang kende van 38 uur en daarom niet langer passend werd bevonden. De nieuw geduide functie kent echter een omvang van 30 uur per week en is daarom wel passend. Tot slot merkt de rechtbank op dat de arbeidsdeskundige b&b geen rekening hoefde te houden met de mogelijkheid voor eiseres om liggend te recupereren, aangezien hiervoor geen beperking is aangenomen in de FML.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Midden- en kleinbedrijf.
2.Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
3.Op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO).
4.Claim Beoordelings- en Borgingssysteem.
5.Zie bijvoorbeeld CRvB 29 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2114.
7.Zie bijvoorbeeld CRvB 15 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3214.
8.Zie bijvoorbeeld CRvB 15 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:957.