Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van
[eiseres], in [vestigingsplaats], belanghebbende
de inspecteur van de Belastingdienst, Backoffice BPM, de inspecteur,
Inleiding
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
- Dient met herstelde schade rekening te worden gehouden?
- Is naheffing na het belastbare feit toegestaan?
- Is het Unierecht geschonden doordat voor geïmporteerde auto’s en auto’s op de binnenlandse markt op verschillende momenten belasting moet worden betaald?
- Heeft de inspecteur het verdedigingsbeginsel en/of het beginsel van equality of arms geschonden?
- Moet de rechtbank prejudiciële vragen stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie)?
- Is te veel belasting geheven als gevolg van de overgang van de NEDC- naar de WLTP-rekenmethode?
- Moet er extra leeftijdskorting worden toegepast?
- Heeft belanghebbende recht op een integrale proceskostenvergoeding?
- Heeft belanghebbende recht op restitutie van het griffierecht met rente?
- Is de CO2-uitstoot ten onrechte volgens de Scandinavische rekenmethode vastgesteld? (auto 1)
- Is de naheffingsaanslag aan de juiste persoon gericht? (auto 2)
- Heeft de inspecteur de afschrijvingstabel juist toegepast? (auto 2)
- Mag een beroep op een koerslijst worden gedaan? (auto 2)
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag voor auto 1 tot € 12.689;
- vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar voor auto 1;
- vernietigt de naheffingsaanslag voor auto 2;
- veroordeelt de inspecteur en de Staat gezamenlijk tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 3.000 aan belanghebbende;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 6.442,75;
- draagt de inspecteur op het betaalde griffierecht van in totaal € 730 aan belanghebbende te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag nadat vier weken zijn verstreken na de openbaarmaking van de uitspraak van de rechtbank, tot aan de dag van algehele voldoening.