Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede legde op 28 mei 2024 een last onder dwangsom op aan eiser vanwege bewoning van de begane grond van een pand in strijd met het geldende omgevingsplan. Eiser, mede-eigenaar van het pand, voerde diverse beroepsgronden aan tegen deze last, waaronder het ontbreken van bewijs voor bewoning, het niet kunnen aanmerken als overtreder, onzorgvuldige besluitvorming, disproportionele dwangsom en een te korte begunstigingstermijn.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft vastgesteld dat er sprake is van bewoning, onder meer op basis van de inschrijving van de huurder in de Basisregistratie Personen, verklaringen van de huurder en foto’s uit inspectierapporten. Tevens is vastgesteld dat eiser als overtreder kan worden aangemerkt omdat hij beschikkingsmacht had over het pand en de overtreding heeft aanvaard, mede gelet op de huurovereenkomst en telefoongesprekken met het college.
Verder is geoordeeld dat de besluitvorming zorgvuldig is verlopen en in overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht. De hoogte van de dwangsom van € 20.000,- wordt niet als disproportioneel beschouwd, en de begunstigingstermijn van zes maanden is redelijk gelet op de omstandigheden. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de last onder dwangsom in stand blijft.