ECLI:NL:RBGEL:2026:269

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
AWB-24_4131 e.a.
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en intrekking van het recht op bijstand op grond van de Participatiewet en terugvordering van te veel betaalde bijstand

In deze zaak heeft de Rechtbank Gelderland uitspraak gedaan over de herziening en intrekking van het recht op bijstand van eiser op basis van de Participatiewet (Pw). Eiser ontving sinds 1 mei 2010 bijstand van Fijnder, maar heeft niet gemeld dat hij bijschrijvingen op zijn bankrekening heeft ontvangen, die als inkomen worden aangemerkt. De rechtbank oordeelt dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door deze bijschrijvingen niet te melden. De rechtbank komt tot de conclusie dat de bijschrijvingen als middelen en inkomen moeten worden aangemerkt, en dat Fijnder terecht is overgegaan tot herziening, intrekking en terugvordering van de bijstand. Eiser heeft geen bewijs geleverd dat de bijschrijvingen geen inkomsten zijn, en de rechtbank wijst zijn beroep af. De rechtbank bevestigt ook de opgelegde boete van € 690, omdat eiser niet alle relevante informatie heeft verstrekt. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheid van bijstandsontvangers om inkomsten te melden en de gevolgen van het niet naleven van deze verplichting.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/4131 en 24/8787

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. R.N. Brugge),
en

het Dagelijks Bestuur van Fijnder, Fijnder

(gemachtigde: A. Brons).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herziening van het recht op bijstand van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) over de perioden van 1 januari 2018 tot en met 31 mei 2018 en van 1 januari 2019 tot en met 31 mei 2023, met uitzondering van de maand juni 2021 en de periode augustus 2021 tot en met oktober 2022, waarin het recht op bijstand is ingetrokken. Ook gaat deze uitspraak over de terugvordering van de door Fijnder te veel aan eiser betaalde bijstand ter hoogte van € 45.992,86 over voornoemde perioden. Daarnaast gaat deze uitspraak over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een individuele inkomenstoeslag. Tot slot gaat deze uitspraak over de door Fijnder aan eiser oplegde boete op grond van de Pw ter hoogte van € 690. Eiser is het met deze besluiten niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herziening, intrekking en terugvordering van de bijstand, het opleggen van de boete en de afwijzing van de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn
.Eiser krijgt daarom geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen: zijn de bijschrijvingen op de bankrekening van eiser aan te merken als middelen in de zin van artikel 31 van de Pw en inkomen als bedoeld in artikel 32 van de Pw; heeft eiser de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden; is Fijnder terecht overgegaan tot herziening, intrekking en terugvordering; heeft Fijnder terecht de aanvraag van eiser om een individuele inkomenstoeslag afgewezen en tot slot heeft Fijnder terecht een boete opgelegd. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het besluit van 16 november 2023 (het primaire besluit I) heeft Fijnder de aanvraag van eiser om een individuele inkomenstoeslag afgewezen. Met het besluit van 8 december 2023 (het primaire besluit II) heeft Fijnder het recht op bijstand van eiser herzien over de perioden van 1 januari 2018 tot en met 31 mei 2018 en van 1 januari 2019 tot en met 31 mei 2023, met uitzondering van de maand juni 2021 en de periode augustus 2021 tot en met oktober 2022, waarin het recht op bijstand is ingetrokken. Ook heeft Fijnder de betaalde bijstand ter hoogte van € 45.992,86 over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 mei 2023 van eiser teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 13 mei 2024 (het bestreden besluit I) is Fijnder bij de primaire besluiten I en II gebleven.
2.1.
Met het besluit van 5 juli 2024 (het primaire besluit III) heeft Fijnder aan eiser een boete opgelegd van € 690. Met het bestreden besluit van 11 november 2024 (het bestreden besluit II) is Fijnder bij het primaire besluit III gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten I en II. Fijnder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van Fijnder.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de bestreden besluiten
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser ontvangt sinds 1 mei 2010 bijstand van Fijnder naar de norm voor een alleenstaande. Hij is, vanwege fysieke en mentale beperkingen, ontheven van de arbeidsverplichtingen. Eiser heeft vrijwillig een schuldhulptraject doorlopen bij de Stadsbank Oost Nederland (de Stadsbank) van 17 april 2019 tot 19 april 2022. Dat traject is geëindigd in een ‘schone lei-melding’. Conform een overeenkomst van budgetbeheer met de Stadsbank wordt de bijstand van eiser ontvangen door de Stadsbank. De Stadsbank zorgt voor de betaling van de vaste lasten, voor een reservering ten behoeve van de schuldeisers en voorziet eiser van leefgeld. Omdat het vermoeden bestond dat eiser onjuiste dan wel onvolledige inlichtingen heeft verstrekt, heeft Fijnder een onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan hem verstrekte bijstand.
3.1.
In het kader van het onderzoek heeft eiser, in een aantal fasen en op verzoek van Fijnder, zijn bankafschriften over de periode van 1 januari 2018 tot en met 15 mei 2023 overgelegd. Naar aanleiding van de eerste uitvraag voor het overleggen van zijn bankafschriften heeft eiser op 28 oktober 2022 een e-mailbericht gestuurd naar een medewerker van Fijnder. Daarin geeft hij aan dat de betaalverzoeken betrekking hebben op boodschappen en dergelijke voor zijn vrienden en kennissen. Die neemt hij regelmatig voor hen, op verzoek, mee. Meestal doet hij die boodschappen in Duitsland. Drank, vlees en rookwaar zijn daar aanzienlijk goedkoper. Ook heeft hij afgelopen zomer regelmatig boodschappen gedaan voor een BBQ. De vrienden en kennissen appen hem dan wat ze nodig hebben en vragen eiser om een betaalverzoek te sturen. Eiser pint dan het geld, neemt de desbetreffende boodschappen mee en geeft deze mensen het te veel betaalde geld terug. Uit deze bankafschriften heeft Fijnder geconstateerd dat er verschillende betaalverzoeken/stortingen/bijschrijvingen hebben plaatsgevonden op de bankrekening van eiser. Over deze periode is er middels 864 bijschrijvingen een bedrag van € 42.573,39 bijgeschreven op de bankrekening van eiser. [1]
3.2.
Op 6 juni 2023 is eiser als verdachte gehoord. Daarbij heeft hij, onder meer, het volgende verklaard. Hij heeft een grote vriendenkring waarvoor hij veel boodschappen doet. Eiser koopt als hij naar Duitsland gaat drank en shag voor vrienden en buren. Hij stuurt hen dan een tikkie. Eiser wil niet zeggen waar deze mensen wonen in verband met hun privacy. Hij pint niet altijd al het geld dat mensen naar hem overmaken, omdat hij altijd contant geld op zak heeft. Eiser ziet zijn bezigheden niet als op geld waardeerbare arbeid. Hij vindt niet dat hij inkomsten heeft gehad. Daarom heeft hij deze activiteiten niet gemeld bij Fijnder.
3.3.
De onderzoeksbevindingen zijn vastgelegd in het ‘Fijnder rapport Preventie en Handhaving Sociale Recherche Twente’ van 25 juli 2023. Daarin wordt geconcludeerd dat eiser gedurende de periode van 1 januari 2018 tot en met 15 mei 2023 inkomsten heeft ontvangen door middel van stortingen, bijschrijvingen en betaalverzoeken op zijn bankrekening. De verklaring van eiser dat de bijschrijvingen en betaalverzoeken zijn gedaan, omdat hij boodschappen heeft gedaan voor derden, acht Fijnder niet aannemelijk. Dit omdat eiser niet kon aantonen dat dit ook daadwerkelijk het geval was. Eiser kon niet verklaren waarom hij contante stortingen heeft gedaan. Geadviseerd wordt om, overeenkomstig artikel 54, derde lid, van de Pw, de bijstand te herzien over de periode van 1 januari 2018 tot en met 15 mei 2023. Tevens wordt geadviseerd om de ten onrechte verstrekte bijstand over deze periode terug te vorderen op grond van artikel 58 van de Pw. Ook dient er een boetebeoordeling plaats te vinden.
3.4.
In het rapport van 6 november en 7 december 2023 heeft Fijnder op basis van het in 3.3 genoemde rapport berekend welk bedrag van eiser wordt teruggevorderd. Fijnder licht in het rapport toe dat het van een iets hoger bedrag aan bijschrijvingen uitgaat dan de Sociale Recherche (zie voetnoot 1).
3.5.
Op 4 oktober 2023 heeft eiser een aanvraag voor een individuele inkomenstoeslag ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag is Fijnder overgegaan tot afgifte van het primaire besluit I. Daarin is de aanvraag van 4 oktober 2023 afgewezen, omdat eiser niet aan de voorwaarde voldoet dat zijn inkomen de laatste 36 maanden niet hoger is geweest dan 115% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Uit onderzoek is gebleken dat eiser in de periode van 1 januari 2018 tot en met 15 mei 2023 bedragen heeft ontvangen die door Fijnder worden aangemerkt als inkomen. Het totaal van de bijstand van eiser en de vastgestelde inkomsten is hoger dan 115% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Met zijn e-mailbericht van 27 november 2023 heeft eiser ‘protest aangetekend’ tegen dit primaire besluit.
3.6.
Bij brief van 23 november 2023 heeft Fijnder eiser in de gelegenheid gesteld (‘laatste kans’) om aan te tonen dat hij de boodschappen heeft afgeleverd. Fijnder vraagt eiser ook om bewijsstukken van de boodschappen en hoe hij ze heeft afgeleverd, naar Fijnder toe te sturen. De bewijsstukken moeten controleerbaar en verifieerbaar zijn. Eiser heeft bij e-mailbericht van 29 november 2023 op deze brief gereageerd. Daarin geeft hij aan dat het voor hem onmogelijk is om de gevraagde bewijsstukken aan te leveren en dat de terugvordering helemaal onterecht is.
3.7.
Vervolgens is Fijnder overgegaan tot afgifte van het primaire besluit II. Daarin wordt aangegeven dat Fijnder besloten heeft dat eiser bijstand moet terugbetalen. Het gaat om € 45.992,86. Eiser heeft bijschrijvingen van andere mensen op zijn bankrekening ontvangen. Deze bijschrijvingen moet Fijnder aanmerken als inkomen van eiser. Deze bijschrijvingen heeft eiser bij ontvangst niet aan Fijnder gemeld. Daarmee heeft eiser de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Pw overtreden. Fijnder herziet zijn recht op bijstand over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 mei 2018 en over de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 mei 2023, op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw. Over de maanden juni 2021 en augustus 2021 tot en met 31 oktober 2022 en over januari 2023 trekt Fijnder het recht op bijstand van eiser, op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw, in. [2] Fijnder vordert de te veel betaalde bijstand over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 mei 2023 van eiser terug, op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw. Fijnder gaat vanaf november 2023 5% van de maandelijkse bijstand met deze terugvordering verrekenen, op grond van artikel 60, vierde lid, van de Pw.
3.8.
Bij brief van 9 januari 2024 heeft Fijnder eiser geïnformeerd over het voornemen hem een boete op te leggen. De reden hiervoor is dat hij Fijnder niet de informatie heeft gegeven die belangrijk is voor zijn recht op bijstand. Daarmee heeft eiser de inlichtingenplicht, op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw, overtreden. Eiser wordt in de gelegenheid gesteld om op dit voornemen te reageren. Van deze gelegenheid heeft eiser, middels de brief van zijn gemachtigde van 23 januari 2024, gebruik gemaakt.
3.9.
In de bezwaarprocedure tegen de primaire besluiten I en II heeft eiser verklaringen overgelegd van [persoon A] van 24 januari 2024, [persoon B] (ongedateerd), [persoon C] (ongedateerd) en [persoon D] (ongedateerd).
3.10.
Fijnder heeft aan het bestreden besluit I – samengevat en met overneming van het advies van de Commissie Bezwaarschriften van 1 mei 2024 – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft aangegeven dat hij van mening is dat hij de inlichtingenplicht niet geschonden heeft, omdat hij de bijschrijvingen expliciet heeft besproken met zijn contactpersoon van de Stadsbank. Eiser is en blijft zelf verantwoordelijk voor het nakomen van de inlichtingenplicht. Eventuele afspraken tussen hem en de Stadsbank over de bijschrijvingen en de inlichtingenplicht veranderen daaraan niets. De bijschrijvingen zijn terecht als inkomen aangemerkt. Gelet op het aantal bijschrijvingen en de waarde van deze bijschrijvingen is niet langer sprake van een vriendendienst of hobby. Het inkomen van eiser was in de 36 maanden voorafgaand aan zijn aanvraag om een individuele inkomenstoeslag hoger dan 115% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Daarom is terecht de aanvraag om een individuele inkomenstoeslag afgewezen. Terecht is geconstateerd dat, gelet op de bijschrijvingen, aan eiser te veel bijstand is betaald. En daarom is terecht van hem bijstand ter hoogte van € 45.992,86 teruggevorderd.
3.11.
Vervolgens is Fijnder overgegaan tot afgifte van het primaire besluit III. Daarin staat dat Fijnder heeft besloten om eiser een boete op te leggen van € 690, omdat hij Fijnder niet alle informatie heeft gegeven die nodig was voor de bepaling van zijn recht op bijstand. Daarmee heeft eiser de inlichtingenplicht overtreden. Hij heeft namelijk niet doorgegeven dat hij in de periode van januari 2018 tot en met mei 2023 bijschrijvingen van andere mensen op zijn bankrekening heeft ontvangen. De bijschrijvingen moeten worden aangemerkt als inkomen. Fijnder heeft deze niet als inkomen in mindering kunnen brengen op de bijstand, omdat de inkomsten niet bij de ontvangst aan Fijnder zijn gemeld. Daardoor heeft Fijnder te veel bijstand aan eiser betaald. Dat betreft een bedrag van € 35.073,37. Het benadelingsbedrag is het bedrag dat Fijnder netto van eiser heeft teruggevorderd. Fijnder vindt dat de overtreding van de inlichtingenplicht eiser kan worden verweten. De mate van verwijtbaarheid is vastgesteld op normale verwijtbaarheid. Eiser had redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag van invloed kon zijn op zijn recht op bijstand. Er zijn geen verzachtende of verzwarende omstandigheden aangetoond. Bij normale verwijtbaarheid bedraagt de boete 50% van het benadelingsbedrag. Dit zou neerkomen op een boete van € 17.786,69. Er gelden voor overtredingen maximale boetes. Omdat de voor eiser vastgestelde boete hoger is dan de maximale boete, wordt de boete verlaagd tot de maximale boete die voor zijn situatie van toepassing is. Dit zou neerkomen op een boete van € 6.866,67. Er is geen sprake van dringende redenen waardoor Fijnder zou moeten afzien van het opleggen van een boete. Er zijn geen bijzondere omstandigheden bekend die aanleiding geven om de boete te verlagen. Bij het bepalen van de boete houdt Fijnder rekening met 5% van het inkomen van eiser om de boete af te kunnen lossen. Ook moet hij de boete in een redelijke termijn terug kunnen betalen. Deze redelijke termijn is vastgesteld op twaalf maanden. Daarom heeft Fijnder de boete verlaagd naar € 770,28. In artikel 7 van de Beleidsregels bestuurlijke boete PW, IOAW en IOAZ Fijnder 1 juli 2024 (de Beleidsregels) staat beschreven dat indien er niet binnen dertien weken na dagtekening van het boeterapport wordt beslist omtrent het opleggen van een boete, de boete gematigd dient te worden. Fijnder matigt de boete met 10%. De hoogte van de boete na matiging wegens te laat beslissen wordt € 693,25. Fijnder rondt dit bedrag af op € 690. Voor de boete wordt maandelijks 5% verrekend met de bijstand.
3.12.
Fijnder is met het bestreden besluit II – met overneming van het advies van de Commissie Bezwaarschriften van 8 november 2024 – bij het primaire besluit III gebleven.
Wat vindt eiser?
4. Eiser voert – samengevat – het volgende aan. Omdat boodschappen in Duitsland aanzienlijk goedkoper zijn dan in Nederland, doet eiser regelmatig boodschappen voor zijn vrienden in Duitsland. Door deze vriendendiensten komt hij onder de mensen. Gelet op het beperkte inkomen van eiser wordt, voordat hij de gevraagde boodschappen doet, eerst een betaling van de betreffende vriend ontvangen. Eiser neemt dit bedrag vervolgens op bij een geldautomaat om daarmee vervolgens in de Duitse supermarkt contant te betalen. Na aflevering van de boodschappen geeft hij dan het wisselgeld terug, dat hij in voorkomende gevallen mag houden als compensatie van zijn benzinekosten. Eiser verwijst naar de verklaringen van vrienden die hij in de bezwaarprocedure heeft overgelegd. Vanzelfsprekend wordt door eiser van de vriendendiensten, waaraan hij niet verdient, geen administratie bijgehouden. Er is sprake van verrekening van kosten, niet van inkomsten. Eiser staat sinds april 2018 onder budgetbeheer bij de Stadsbank. De bijstand van eiser wordt ontvangen door de Stadsbank en die betaalt daarvan de vaste lasten van eiser en administreert de baten en de lasten. Met een medewerker van de Stadsbank zijn medio 2020 de boodschappen en betaalverzoeken uitdrukkelijk besproken. Eiser is daarover geadviseerd om de betaalverzoeken van een duidelijke omschrijving te voorzien. Dan zou eiser niet in de problemen komen met zijn recht op bijstand. Dit is ook zichtbaar op de door Fijnder geleverde jaaroverzichten van betaalverzoeken van eiser. Eiser heeft openheid van zaken gegeven aan Fijnder. Eiser meent dat de inlichtingenplicht niet door hem geschonden is. Dit omdat de ontvangen betaalverzoeken op zijn bankrekening geen inkomsten betreffen. Eiser kan niet goed met geld omgaan. Daarom neemt hij altijd direct contant geld op van zijn rekening, wanneer hij geld daarop krijgt bijgeschreven. Eiser wil graag over contant geld beschikken. Dan kan hij niet meer uitgeven dan dat zich in zijn portemonnee bevindt. Dat blijkt evident ook uit het transactie-overzicht dat zich in het dossier bevindt. Zodra eiser (leef)geld van de Stadsbank heeft ontvangen, neemt hij dat bedrag op. Hetzelfde geldt voor alle vanuit zijn vriendenkring ontvangen voorschotten voor de boodschappen, die door eiser meestal daags na de ontvangst in Duitsland voor hen worden gedaan. Er is sprake van een bestendige handelswijze.
Eiser is langdurig en volledig arbeidsongeschikt. Daarom is het ook niet aannemelijk, dat door hem inkomsten worden vergaard door lichamelijke arbeid als klus- of tuinwerkzaamheden of dat eiser zou bijverdienen als illegale ambulante vishandelaar. Eiser beschikt niet over criminele antecedenten en houdt zich ook niet bezig met criminele activiteiten. Wanneer dit het geval zou zijn, zouden deze niet via zijn bankrekening verlopen, maar geheel contant. De onderhavige kwestie heeft een aanzienlijk negatieve invloed op het dagelijks leven van eiser en zijn welbevinden. Dat de facto een verbod om nog langer boodschappen voor zijn vrienden te doen bestaat, belemmert eiser ook aanzienlijk in zijn sociale leven en in een nuttige dagbesteding.
Fijnder stelt met een beroep op de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), dat eiser een administratie van de betalingen diende bij te houden en dat hij dient te bewijzen dat de ontvangsten geen inkomsten zijn. Eiser is van mening dat de bijschrijvingen op zijn bankrekening en de omschrijvingen daarvan, het kort daarna opnemen van die bedragen, zijn meewerkende houding en eigen verklaringen, zijn volledige arbeidsongeschiktheid, de door hem aan Fijnder overgelegde verklaringen, het gegeven dat eiser reeds langdurig onder budgetbeheer en financieel toezicht van de Stadsbank verkeert en dat die op de hoogte is van de ontvangsten, voldoende bijdragen aan het standpunt van eiser. Dat maakt voldoende aannemelijk dat de ontvangsten geen inkomsten zijn. Fijnder had nader onderzoek moeten doen, aldus eiser.
Het verweer van Fijnder
5. Fijnder stelt zich in het verweerschrift van 31 juli 2024 op het volgende standpunt. Eiser heeft op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw de inlichtingenplicht. Hij heeft verklaard goed te weten wat deze verplichting inhoudt en ook dat het hierbij gaat om het ontvangen van inkomsten. Eiser heeft inkomsten niet gemeld. In bepaalde periodes ontving eiser meer inkomen door middel van tikkies dan aan bijstand. Gelet op het aantal bijschrijvingen en de waarde daarvan is niet langer sprake van een vriendendienst of een hobby. Het gaat hier om het structureel verrichten van diensten aan derden. Er waren veel bijschrijvingen met een andere vermelding dan boodschappen. Fijnder deelt het standpunt van eiser niet dat de ontvangsten op zijn bankrekening niet zijn aan te merken als inkomsten. Fijnder verwijst daarbij naar overweging 4.4 van de uitspraak van de CRvB van 9 april 2024. [3] Fijnder heeft niet beweerd dat eiser zich bezighoudt met drugshandel. Het gaat Fijnder niet om de precieze achtergrond van de inkomsten. Het gaat erom dat het inkomsten betreffen die relevant zijn voor de Pw en die niet door eiser zijn opgegeven.
Wat vindt de rechtbank?
Zijn de bijschrijvingen op de rekening van eiser aan te merken als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, en als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Pw?
6. Niet in geschil is dat de te beoordelen periode (met uitzondering van enkele perioden) loopt van 1 januari 2018 tot en met 31 mei 2023 en dat eiser in deze periode in totaal 864 bijschrijvingen heeft ontvangen op zijn bankrekening voor een bedrag van € 42.573,39. Evenmin is in geschil dat eiser deze bijschrijvingen niet heeft gemeld aan Fijnder. Wel is in geschil of de bijschrijvingen door Fijnder terecht als inkomen zijn aangemerkt, en of eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het niet melden van die bijschrijvingen.
7. Het besluit tot herziening en intrekking van het recht op bijstand en de terugvordering van de betaalde bijstand is een voor eiser belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden daarvoor is voldaan in beginsel op Fijnder. Dit betekent dat Fijnder de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen. Het ligt daarom op de weg van Fijnder om aan de hand van uit onderzoek verkregen gegevens aannemelijk te maken dat eiser de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Pw op hem rustende inlichtingenverplichting niet of niet naar behoren is nagekomen door geen, onvolledige of onjuiste mededeling te doen van feiten of omstandigheden die van invloed zijn of kunnen zijn op het recht op bijstand. Meer concreet houdt deze bewijslast in dit geval in dat Fijnder aannemelijk moet maken dat eiser onjuiste of onvolledige inlichtingen over de bijschrijvingen van geld door derden heeft verstrekt.
7.1.
Zoals de rechtbank onder 6 heeft vastgesteld, is in geschil of de bedragen die eiser op zijn bankrekening ontving, moeten worden aangemerkt als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw en als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Pw. Het is vaste rechtspraak van de CRvB dat bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandsontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw worden beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is sprake van inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Pw. [4]
7.2.
Vaststaat dat de bankrekening waarop de bijschrijvingen hebben plaatsgevonden op naam van eiser staat. Dit gegeven brengt mee dat, behoudens tegenbewijs, ervan kan worden uitgegaan dat eiser over de daarop bijgeschreven tegoeden beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. [5] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de op zijn rekening bijgeschreven bedragen niet als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de Pw en als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Pw zijn aan te merken. De rechtbank is van oordeel dat eiser hierin niet is geslaagd.
7.3.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat alle 864 bijschrijvingen en stortingen boodschappengeld betroffen van vrienden en bekenden, waarmee hij (in Duitsland) boodschappen heeft gedaan. Eiser heeft geen deugdelijk administratie overgelegd waaruit blijkt dat dat hij in Duitsland is geweest, dat hij daar boodschappen heeft gedaan, voor welk bedrag hij boodschappen heeft gedaan en of hij daar een vergoeding voor heeft gehad. De redenen voor de bijschrijvingen zijn daardoor niet objectief verifieerbaar. De omschrijvingen bij de bijschrijvingen zijn daartoe onvoldoende. Daaruit blijkt namelijk niet dat eiser inderdaad boodschappen in Duitsland heeft gedaan. Daarbij komt dat er afgeronde bedragen werden overgemaakt, waarbij eiser heeft verklaard dat hij het wisselgeld vaak mocht houden. Bovendien heeft Fijnder terecht gesteld dat bij een aantal bijschrijvingen andere onderwerpen staan genoemd zoals ‘zwarte cross, ‘festival’, ‘BBQ’, enzovoort. Whatsappberichten waaruit de ‘bestellingen’ zouden blijken, heeft eiser niet meer. Eiser heeft zijn Whatsapp zodanig ingesteld dat de berichten na 24 uur worden verwijderd. Bovendien volgt uit de aard en de omvang van de activiteiten (het aantal van 864 bijschrijvingen) die eiser heeft verricht dat deze verder gaan dan een vriendendienst. Er is, naar het oordeel van de rechtbank, sprake van structurele activiteiten. De overgelegde verklaringen van enkele van de vrienden is evenmin voldoende reden om de bijschrijvingen niet als middelen en inkomen aan te merken. Deze verklaringen betreffen achteraf door de gemachtigde van eiser opgestelde formats. Deze schriftelijke verklaringen zijn niet heel concreet en niet met controleerbare gegevens onderbouwd. Uit deze verklaringen blijkt niet waar en wanneer eiser boodschappen voor hen heeft gedaan, welke boodschappen dat precies betrof, voor welke bedragen eiser deze boodschappen heeft gedaan, of eiser na het doen van deze boodschappen het wisselgeld aan hen heeft teruggegeven en of eiser voor deze activiteiten een vergoeding ontving. Bovendien betreft dit ook slechts een aantal van de personen die geld aan eiser hebben overgemaakt.
7.4.
De stelling dat Fijnder meer onderzoek had moeten doen, slaagt evenmin. De bewijslast ligt namelijk, zoals de rechtbank in rechtsoverweging 7.2 heeft overwogen, bij eiser. Los daarvan heeft Fijnder de stellingen van eiser geverifieerd bij de Stadsbank. Ook heeft Fijnder eiser op 23 november 2023 een brief gestuurd, waarin hem nog ‘een laatste kans’ wordt geboden om duidelijkheid over de ontvangen bijschrijvingen te geven. Eiser heeft daarop gereageerd met zijn mailbericht van 29 november 2023. Daarin geeft hij aan dat hij verder geen nadere informatie over deze bijschrijvingen heeft. Eiser heeft zelf geen toestemming gegeven aan Fijnder om bij de personen die geld hebben overgemaakt nader onderzoek te doen.
7.5.
De rechtbank gaat er daarom vanuit dat eiser over de middels 864 bijschrijvingen bijgeschreven tegoeden kon beschikken of redelijkerwijs kon beschikken. Fijnder heeft deze tegoeden daarom terecht als middelen en inkomen in aanmerking genomen bij de herziening en intrekking van het recht op bijstand van eiser.
Heeft eiser de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden?
8. Het is een bijstandsgerechtigde niet verboden om een ander te helpen bij het doen van boodschappen. Eiser is wel gehouden spontaan mededeling te doen aan Fijnder van alle feiten en omstandigheden bij dat helpen, die van belang kunnen zijn voor zijn recht op bijstand. Gelet op wat de rechtbank in rechtsoverweging 7.2 tot en met 7.5 heeft geoordeeld worden de bijschrijvingen in beginsel als inkomen aangemerkt, zodat die informatie voor het recht op bijstand van eiser van belang kon zijn. Deze bijschrijvingen moesten daarom door eiser aan Fijnder worden gemeld. Gelet op de hoogte van de bedragen, het aantal bijschrijvingen (864) en het totale bedrag daarvan (€ 42.573,39) moet het eiser redelijkerwijs duidelijk zijn geweest, dat deze gegevens van belang konden zijn voor zijn recht op bijstand. Hij had ze daarom moeten melden aan Fijnder. Door dit na te laten, heeft eiser de, op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw, op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.
8.1.
De stelling van eiser dat als hij de bijschrijvingen al had moeten melden, hem geen enkel verwijt treft, omdat de Stadsbank zou hebben gezegd dat hij de bijschrijvingen niet zou hoeven melden, slaagt niet. Eiser heeft deze stelling verder niet onderbouwd. Bovendien heeft de Stadsbank in een e-mailbericht van 24 april 2024 aan Fijnder aangegeven dat zij hun klanten met een uitkering adviseren dat zij zich moeten houden aan de voorwaarden van de uitkerende instantie, waaronder het melden van inkomsten. Het opgeven van inkomsten aan de uitkerende instantie dient een klant altijd zelf te doen. De Stadsbank controleert daar niet op. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat, nog los van het voorgaande, Fijnder niet is gebonden aan hetgeen al dan niet tussen eiser en de Stadsbank is besproken. Het gaat, gelet op het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de Pw, om de inlichtingenplicht richting Fijnder. De inlichtingenverplichting moet namelijk worden nagekomen bij de afdeling van de gemeente die de Pw uitvoert. [6] Dat door een organisatie die niet over het recht op bijstand gaat (zoals de Stadsbank) mededelingen zouden zijn gedaan – wat daar verder ook van zij – ontslaat eiser niet van zijn inlichtingenplicht richting Fijnder. Het is verder niet relevant of eiser bewust de informatie over de bijschrijvingen voor Fijnder heeft willen achterhouden. De in artikel 17, eerste lid, van de Pw neergelegde verplichting is een objectief geformuleerde verplichting, waarbij opzet geen rol speelt. Beoordeeld moet worden of eiser de bijschrijvingen op zijn bankrekening had moeten melden en dit heeft nagelaten. Dat laatste is hier het geval.
Is Fijnder terecht overgegaan tot herziening, intrekking en terugvordering?
9. Fijnder is bij schending van de inlichtingenplicht op grond van artikel 54, derde lid, en artikel 58, eerste lid, van de Pw verplicht om het recht op bijstand te herzien en in te trekken en de ten onrechte betaalde bijstand terug te vorderen. Eiser heeft tijdens de zitting bevestigd dat, indien de rechtbank tot het oordeel komt dat de bijschrijvingen als inkomsten moeten worden beschouwd en dat hij de inlichtingenplicht heeft geschonden door deze bijschrijvingen niet te melden aan Fijnder, daaruit volgt dat herziening en intrekking van zijn recht op bijstand en de terugvordering van de te veel betaalde bijstand terecht zijn. De rechtbank stelt vast dat eiser tegen de herziening en de intrekking van zijn recht op bijstand en de terugvordering van de te veel door Fijnder aan hem betaalde bijstand geen gronden heeft aangevoerd, anders dan hiervoor al besproken.
9.1.
Gelet daarop is gesteld noch gebleken van dringende redenen op basis waarvan Fijnder geheel of gedeeltelijk van terugvordering van de te veel aan eiser betaalde bijstand af had moeten zien. Fijnder is daarom terecht tot herziening en intrekking van het recht op bijstand en tot terugvordering van de te veel betaalde bijstand tot een bedrag van
€ 45.992,86 overgegaan.
Heeft Fijnder terecht de aanvraag van eiser om een individuele inkomenstoeslag afgewezen?
10. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Pw kan Fijnder op aanvraag aan eiser, als hij langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, gelet op zijn omstandigheden, een individuele inkomenstoeslag verlenen. Wat onder langdurig laag inkomen moet worden verstaan moet door Fijnder in beleidsregels worden vastgelegd.
10.1.
In het (ongedateerde) ‘Fijnder rapport Individuele inkomenstoeslag’ verwijst Fijnder (op pagina 9) naar artikel 3 van de Beleidsregels individuele inkomenstoeslag Fijnder 2022 en volgende jaren. In dit artikel wordt geen definitie gegeven van het begrip laag inkomen. Wel wordt in dit artikel, voor de vaststelling van de hoogte van het inkomen, verwezen naar de beleidsregels bijzondere bijstand. De rechtbank begrijpt dat met deze verwijzing gedoeld wordt op de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Oost Gelre 2023. In artikel 3, derde lid, van deze Beleidsregels is bepaald, dat een inwoner recht heeft op bijzondere bijstand wanneer hij in de gemeente Oost Gelre woont, 21 jaar of ouder is en een inkomen heeft dat gelijk is aan of minder dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm. Dit percentage van 110% wijkt af van het, door Fijnder, in het primaire besluit I en het bestreden besluit I, gehanteerde percentage van 115%. Tijdens de zitting heeft Fijnder verduidelijkt dat de grens van 115% van de geldende bijstandsnorm is vastgelegd in artikel 7.4.1 van de Verordening Sociaal Domein gemeente Oost-Gelre (de Verordening). In sub a van dit artikel wordt inderdaad de grens van 115% van de geldende bijstandsnorm genoemd. Gelet op deze toelichting van Fijnder tijdens de zitting is de rechtbank van oordeel dat Fijnder de norm van 115% van de geldende bijstandsnorm heeft kunnen toepassen.
10.2.
Eiser heeft tijdens de zitting bevestigd dat, indien de rechtbank tot het oordeel komt dat de bijschrijvingen als inkomsten moeten worden beschouwd, hij dan niet aan de voorwaarde voldoet dat zijn inkomen de laatste 36 maanden niet hoger is geweest dan 115% van de voor hem geldende bijstandsnorm.
10.3.
Gelet op het voorgaande heeft Fijnder de aanvraag van eiser om een individuele inkomenstoeslag terecht afgewezen.
Is terecht een boete opgelegd?
11. Bij schending van de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Pw is Fijnder verplicht een bestuurlijke boete op te leggen op grond van artikel 18a, eerste lid, van de Pw. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB is de bewijslast voor het opleggen van een boete zwaarder dan voor de herziening of de intrekking van een recht op bijstand of terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand, wegens schending van deze inlichtingenplicht. In het geval van een boete dient het bestuursorgaan aan te tonen dat de inlichtingenplicht is geschonden. [7]
11.1.
De rechtbank is van oordeel dat Fijnder voldoende heeft aangetoond dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden, door geen melding te maken van de bijschrijvingen op zijn bankrekening. Vaststaat dat eiser deze bedragen heeft ontvangen en dat hij daarvan geen melding heeft gemaakt bij Fijnder. Daarmee is eiser de inlichtingenplicht niet nagekomen. Eiser kan daarvan een verwijt worden gemaakt. Zoals volgt uit rechtsoverwegingen 8 en 8.1, slaagt de stelling van eiser dat hem geen verwijt treft niet. Fijnder was daarom gehouden een boete op te leggen. De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft aangevoerd tegen de hoogte of de berekening van de boete.
Overschrijding redelijke termijn?
12. Ingeval een boete is opgelegd, wordt ambtshalve getoetst of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn [8] , bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. [9]
12.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. [10] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven om een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
12.2.
In het geval van eiser is sprake van een procedure die vanaf de datum van het kenbaar maken aan hem door Fijnder van het voornemen tot boeteoplegging op 9 januari 2024, tot de datum van deze uitspraak meer dan twee jaar en minder dan tweeënhalf jaar heeft geduurd. Van omstandigheden die de langere behandelingsduur rechtvaardigen is niet gebleken. Dit betekent dat de redelijke termijn in deze procedure met minder dan zes maanden is overschreden. Deze overschrijding is toe te rekenen aan de rechterlijke fase.
12.3.
In zijn arrest van 19 december 2008 [11] , voor zover hier van belang, heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat in de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden de boete verminderd wordt:
1. met 5% bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder;
2. met 10% bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden;
een en ander met dien verstande dat:
- de omvang van de vermindering in deze gevallen niet meer bedraagt dan € 2.500, en
- geen vermindering wordt toegepast indien het gaat om een boete die minder beloopt dan
€ 1.000. De Hoge Raad zal in een dergelijk geval volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
In de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden zal de Hoge Raad naar bevind van zaken handelen.
12.4.
In de overschrijding van de redelijke termijn ten aanzien van de boete ziet de rechtbank, gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad waarbij de rechtbank zich aansluit, geen reden tot een vermindering van de hoogte van de boete, omdat deze minder dan € 1.000 bedraagt. Bovendien is sprake van een zeer geringe overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie en gevolgen

13. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Peters, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Griffier
Rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Participatiewet
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 18a, eerste lid
Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, en artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld of de gegevens en bewijsstukken, bedoeld in artikel 30c, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn verstrekt en deze overtredingen opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, en artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld of de gegevens en bewijsstukken, bedoeld in artikel 30c, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn verstrekt en deze overtredingen niet opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 18a, zevende lid
Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Artikel 31, eerste lid
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 32, eerste lid
Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Artikel 36, eerste lid
Op aanvraag van een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 heeft en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering, kan het college, gelet op de omstandigheden van die persoon, een individuele inkomenstoeslag verlenen.
Artikel 54, derde lid
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Artikel 58, achtste lid
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Beleidsregels bestuurlijke boete PW, IOAW en IOAZ Fijnder 1 juli 2024
Artikel 7, vierde lid
Als het Dagelijks Bestuur niet binnen een termijn van 13 weken na de dagtekening van het boeterapport beslist over het opleggen van een boete, vermindert het Dagelijks Bestuur de boete:
a. met 5% als het Dagelijks Bestuur beslist na de 13e week maar voor de 26e week;
b. met 10% als het Dagelijks Bestuur beslist in of na de 26e week maar voor de 52e week;
c. met 50% als het Dagelijks Bestuur beslist in of na de 52e week.
Beleidsregels individuele inkomenstoeslag Fijnder 2022 en volgende jaren
Artikel 3
Als de betrokken persoon 36 maanden of langer voorafgaand aan de peildatum heeft geleefd van een uitkering op grond van de wet, hoeft hij geen bewijsstukken aan te leveren. Het inkomen kan worden bepaald op grond van de gegevens van de betrokken persoon die aanwezig zijn bij Fijnder.
In andere gevallen moet het inkomen van de betrokken persoon tijdens de gehele referteperiode worden bepaald op de manier die ook geldt voor algemene bijstand. Hoe dit wordt gedaan is vastgesteld in de wet en de beleidsregels bijzondere bijstand.
Hierop is de volgende uitzondering mogelijk:
Als aan de betrokken persoon in de voorgaande jaren een individuele inkomenstoeslag is gegeven, hoeft de betrokken persoon alleen bewijsstukken van inkomsten en vermogen aan te leveren van het jaar voorafgaande aan de peildatum.
Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Oost Gelre 2023
Artikel 3, derde lid
Een inwoner heeft recht op bijzondere bijstand wanneer hij in de gemeente Oost Gelre woont, 21 jaar of ouder is en een inkomen heeft dat gelijk is aan of minder dan 110% van de voor hem geldende bijstandsnorm.
Verordening Sociaal Domein gemeente Oost Gelre
Artikel 7.4.1
De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor de inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd die:
a. in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 115% van de bijstandsnorm;
b. geen financiële buffer heeft; en
c. geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

Voetnoten

1.De Sociale Recherche noemt in het rapport van 25 juli 2023 het bedrag van € 42.268,56 als totaalbedrag van alle bijschrijvingen. In het rapport Terugvordering van 6 november en 7 december 2023 komt Fijnder op een bedrag van € 42.573,39. Fijnder komt op een hoger bedrag dan de rekensom van de Sociale Recherche, omdat de Sociale Recherche niet alle bijschrijvingen op de juiste manier heeft meegeteld, aldus Fijnder. Het bedrag van € 42,573,39, dat niet is betwist door eiser, is als basis gebruikt voor de bestreden besluitvorming en de rechtbank gaat daarom van dit bedrag uit.
2.De rechtbank gaat er in deze uitspraak van uit dat de bijstand over de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 mei 2018 en van 1 januari 2019 tot en met 31 mei 2023 is herzien, met uitzondering van de maand juni 2021 en de periode augustus 2021 tot en met oktober 2022, waarin het recht op bijstand is ingetrokken. Op de wijze zoals het in de besluitvorming is opgeschreven vallen de perioden waarin de bijstand is ingetrokken binnen het bereik van de periode waarover het recht op bijstand is herzien, zodat sprake zou zijn van een dubbeling wat niet mogelijk is.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:327.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 6 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1632.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van CRvB 10 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1967 en CRvB 25 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1771.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:83.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB 13 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3657.
9.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
10.Zie de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
11.ECLI:NL:HR:2008:BD0191. Zie ook HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:175.