Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3172

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
ARN 24/3183
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 9 AwirArt. 10 Vw 2000Art. 11 Vw 2000Art. 26 Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit zorgtoeslag wegens nalaten onderzoek verblijfsrecht toeslagpartner

Eiseres maakte bezwaar tegen de definitieve berekening van haar huur- en zorgtoeslag over 2022 en 2023. De dienst handhaafde het besluit over zorgtoeslag, maar niet over huurtoeslag. De rechtbank oordeelt dat de dienst terecht de zorgtoeslag berekende, maar dat zij had moeten onderzoeken of de toeslagpartner rechtmatig verblijf had in Nederland in de periode 11 mei 2022 tot 15 augustus 2023.

De toeslagpartner had zijn Nederlandse nationaliteit verloren met terugwerkende kracht tot 1 april 2003, en had sindsdien geen rechtmatig verblijf. De rechtbank concludeert dat eiseres over die periode geen recht had op zorgtoeslag. De dienst had onvoldoende onderzoek gedaan naar de verblijfsstatus, ondanks concrete aanwijzingen van eiseres.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen voor de zorgtoeslag in stand. De dienst moet een nieuw besluit nemen over de huurtoeslag. Verder krijgt eiseres vergoeding van griffierecht en proceskosten. Andere beroepsgronden, zoals strijd met de Terugkeerrichtlijn en het evenredigheidsbeginsel, worden verworpen.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens nalaten onderzoek verblijfsrecht toeslagpartner, maar de rechtsgevolgen voor zorgtoeslag blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/3183

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] uit [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de definitieve berekening van de huur- en zorgtoeslag van eiseres over de jaren 2022 en 2023. Eiseres is het niet eens met de berekening en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De dienst handhaaft het besluit voor zover het ziet op de huurtoeslag niet langer. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank of de dienst de definitieve zorgtoeslag over de jaren 2022 en 2023 juist heeft berekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de dienst de definitieve zorgtoeslag over de jaren 2022 en 2023 juist heeft berekend, maar dat de dienst eigen onderzoek had moeten doen naar de vraag of de toeslagpartner van eiseres in de periode van 11 mei 2022 tot 15 augustus 2023 rechtmatig verblijf had in Nederland. De rechtbank komt naar eigen onderzoek tot het oordeel dat de toeslagpartner van eiseres geen rechtmatig verblijf had in Nederland in de genoemde periode, waardoor eiseres over die periode geen recht had op zorgtoeslag. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen voor zover deze zien op de zorgtoeslag daarvan in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met de besluiten van 22 juli 2023 en 13 oktober 2023 is de hoogte van de huur- en zorgtoeslag over 2022 en 2023 berekend. Daarbij zijn de huur- en zorgtoeslag naar beneden bijgesteld omdat de toeslagpartner van eiseres niet het gehele jaar in 2022 en 2023 rechtmatig in Nederland verbleef. Met het bestreden besluit van 4 april 2024 op de bezwaren van eiseres is de dienst bij die besluiten gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en [persoon A] en [gemachtigde 2] namens de dienst.
2.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de dienst in de gelegenheid gesteld om stukken in het geding te brengen waaruit blijkt dat de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (verblijfsvergunning) van de toeslagpartner van eiseres is ingetrokken dan wel anderszins is komen te vervallen. De dienst heeft op
10 april 2025 gereageerd dat uit informatie van de IND [1] blijkt dat de verblijfsvergunning van de toeslagpartner van eiseres is ingetrokken met de beschikking van 19 juni 2013. Eiseres heeft daarop gereageerd dat zij niet bekend is met een beschikking waarin de verblijfsvergunning van haar toeslagpartner is ingetrokken.
2.4.
De rechtbank heeft vervolgens de IND verzocht de beschikking te overleggen waaruit blijkt dat de toeslagpartner van eiseres niet langer in het bezit is van een verblijfsvergunning. De IND heeft gereageerd dat met de verlening van het Nederlanderschap aan de toeslagpartner van eiseres de verblijfsvergunning van rechtswege is geëindigd. [2] Het Nederlanderschap van de toeslagpartner is ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 april 2003.Omdat de toeslagpartner van eiseres van 9 oktober 2002 tot 1 april 2003 wel in het bezit is geweest van de Nederlandse nationaliteit, is zijn eerdere verblijfsstatus niet herleefd door de intrekking van het Nederlanderschap.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de dienst.

Beoordeling door de rechtbank

Huurtoeslag
3. Het beroep is ook gericht tegen de definitieve berekening van de huurtoeslag over 2022 en 2023. In het verweerschrift heeft de dienst gesteld dat zij over de huurtoeslag over 2023 een nieuw besluit zal nemen waarbij het bezwaar van eiseres, op dat vlak, opnieuw beoordeeld zal worden. Het in de bestreden beslissing ingenomen standpunt over de huurtoeslag 2023 wordt daarom door de dienst niet langer gehandhaafd. De rechtbank bespreekt daarom de beroepsgronden die zien op de huurtoeslag niet en vernietigt het bestreden besluit voor zover dat gaat over de huurtoeslag.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiseres is getrouwd met de heer [persoon B] (de toeslagpartner). De toeslagpartner verblijft sinds 13 januari 1998 in Nederland. Op 9 oktober 2002 heeft de toeslagpartner de Nederlandse nationaliteit gekregen. Bij besluit van 22 mei 2013 is het Nederlanderschap van de toeslagpartner ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 april 2003. Na een bezwaar- en beroepsprocedure heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 11 mei 2022 het hoger beroep van de toeslagpartner ongegrond verklaard. [3] Met deze uitspraak heeft de Afdeling de juistheid van de intrekking van het Nederlanderschap bevestigd. De toeslagpartner heeft vervolgens een klacht ingediend bij het EHRM [4] , maar daar is tot heden nog niet op beslist. Daarnaast heeft de toeslagpartner een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend. Met ingang van 15 augustus 2023 heeft de toeslagpartner verblijfscode 32. Deze verblijfscode staat gelijk aan een verblijfsrecht op grond van artikel 8, onder f en h van de Vw 2000 [5] en houdt in dat een vreemdeling in procedure is voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (artikel 28 van Pro de Vw 2000).
4.1.
Eiseres heeft zorgtoeslag aangevraagd en gedeeltelijk ook ontvangen. Op grond van artikel 9, tweede lid, van de Awir [6] heeft eiseres volgens de dienst over de periode van 11 mei 2022 tot 15 augustus 2023 geen aanspraak op zorgtoeslag omdat haar toeslagpartner een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in Nederland in de zin van artikel 8 van Pro de Vw 2000. De dienst heeft het voorschot zorgtoeslag over 2022 en 2023 daarom herzien en respectievelijk in totaal € 511 en € 344 aan te veel ontvangen voorschotten zorgtoeslag teruggevorderd.
4.2.
Met het bestreden besluit van 4 april 2024 verklaart de dienst de bezwaren van eiseres tegen de berekening van de zorgtoeslag over 2022 en 2023 ongegrond.
Moet de dienst toetsen of de toeslagpartner een verblijfsrecht had op grond van het Unierecht?
5. Eiseres voert aan dat de dienst zelfstandig had moeten toetsen of haar toeslagpartner een verblijfsrecht had op grond van het Unierecht. Zij verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2023. [7] Uit deze uitspraak volgt dat de dienst een eigen verantwoordelijkheid heeft om het rechtstreeks werkende Unierecht toe te passen en moet beoordelen bij de aanspraak van toeslagen of zich een situatie voordoet die valt onder artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Op de zitting heeft eiseres toegelicht dat de asielstatus van haar toeslagpartner niet is ingetrokken. Ook heeft haar toeslagpartner een verblijfsrecht gedurende procedures over zijn verblijfsrecht. Daarmee valt hij onder het Unierecht en heeft hij recht op bescherming inclusief basisvoorzieningen op grond van artikel 47 van Pro het Handvest [8] en de Terugkeerrichtlijn.
5.1.
De dienst heeft bij de IND navraag gedaan naar de verblijfstatus van de toeslagpartner. De IND heeft een overzicht overgelegd van de verblijfcodes van de toeslagpartner. Van 11 mei 2022 tot 15 augustus 2023 had de toeslagpartner verblijfscode 98 wat staat voor onrechtmatig verblijf. Deze verblijfscode geeft geen recht op zorgtoeslag op grond van artikel 11 van Pro de Vw 2000 in samenhang met artikel 9 van Pro de Awir. De dienst stelt dat, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling van 21 oktober 2009 [9] , de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aangewezen instantie is om te beoordelen of iemand rechtmatig in Nederland verblijft. De dienst is in beginsel dan ook gehouden om de vaststelling van de verblijfsstatus te volgen die de IND namens de staatssecretaris heeft vastgesteld. In dat verband heeft de Afdeling nog wel overwogen dat de dienst onderzoek dient te doen naar de juistheid van de verblijfsstatus, indien een vreemdeling concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht voor twijfel aan de juistheid van de aan hem toegekende verblijfstitelcode. [10] Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de door de IND vastgestelde verblijfscode naar voren gebracht. De dienst heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien om een nader onderzoek in te stellen naar de juistheid van de verblijfcodes en daarmee naar het verblijfsrecht van de toeslagpartner.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de dienst ten onrechte heeft nagelaten zelfstandig onderzoek te doen naar de verblijfsstatus van de toeslagpartner van eiseres. Hoewel de dienst zich in beginsel mag baseren op de verblijfscodes die door de IND zijn verstrekt, moet zij daar wel nader onderzoek naar doen als er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de toegekende verblijfstitelcode naar voren zijn gebracht. [11] Omdat eiseres naar voren heeft gebracht dat de eerdere verblijfsstatus van haar toeslagpartner niet is ingetrokken en daarom is herleefd na de intrekking van het Nederlanderschap, had de dienst nader onderzoek moeten doen naar de verblijfsstatus van de toeslagpartner.
5.3.
Op grond van het voorgaande vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en onderzoekt zij of de rechtsgevolgen daarvan in stand kunnen worden gelaten.
Had de toeslagpartner van 11 mei 2022 tot 15 augustus 2023 rechtmatig verblijf in Nederland?
6. De rechtbank heeft onderzoek verricht naar een mogelijk verblijfsrecht van de toeslagpartner over de periode van 11 mei 2022 tot 15 augustus 2023. Op 9 oktober 2002 heeft de toeslagpartner de Nederlandse nationaliteit gekregen. Zijn Nederlanderschap is ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 april 2003. [12] Tegen dit besluit is tot de Afdeling geprocedeerd en de intrekking is op 11 mei 2022 definitief geworden. Op 15 augustus 2023 heeft de toeslagpartner een aanvraag voor een verblijfsvergunning ingediend.
6.1.
Het voorgaande betekent dat de toeslagpartner van eiseres over de periode van
1 april 2003 tot 15 augustus 2023 geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Het betoog van eiseres dat haar toeslagpartner nog steeds een vluchtelingenstatus heeft omdat zijn asielvergunning voor onbepaalde tijd niet is ingetrokken toen aan hem het Nederlanderschap is verleend, slaagt namelijk niet. Uit artikel 1C, onder 3, van het Vluchtelingenverdrag volgt dat het verdrag ophoudt van toepassing te zijn op de betrokkene die een nieuwe nationaliteit heeft verkregen en de bescherming geniet van het land waarvan hij de nieuwe nationaliteit bezit. Toen de toeslagpartner op 9 oktober 2002 het Nederlanderschap verkreeg eindigde zijn vluchtelingenstatus en is zijn verblijfstitel als gevolg van de verlening of verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege vervallen. Omdat het Nederlanderschap niet met terugwerkende kracht tot de datum van verlening of verkrijging is ingetrokken en de toeslagpartner in de periode van 9 oktober 2002 tot 1 april 2003 het Nederlanderschap heeft behouden, is geen sprake van een situatie dat zijn rechtmatige verblijfsstatus is herleefd. Op grond van paragraaf 2.9.3. van de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 is als gevolg van de verkrijging van het Nederlanderschap de verblijfstitel namelijk van rechtswege vervallen. Dit betekent dat de toeslagpartner na de intrekking van het Nederlanderschap geen verblijfsrecht meer had.
Is het bestreden besluit in strijd met de Terugkeerrichtlijn [13] ?
7. Eiseres stelt dat het bestreden besluit in strijd is met de Terugkeerrichtlijn. De toeslagpartner van eiseres heeft geen verblijfsstatus maar kan ook niet worden uitgezet naar Rwanda in verband met het risico op marteling. Hoewel de Terugkeerrichtlijn niet rechtsreek van toepassing is op eiseres, heeft de situatie van haar toeslagpartner wel invloed op het recht van eiseres op zorgtoeslag. Eiseres wijst ter onderbouwing van haar standpunt op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld [14] aan het Hof van Justitie van de Europese Unie en verzoekt de rechtbank om deze beroepszaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is namelijk van oordeel dat het bestreden besluit niet in strijd is met de Terugkeerrichtlijn. Omdat eiseres Nederlander is, is de Terugkeerrichtlijn niet op haar van toepassing. De prejudiciële vragen die de Afdeling aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft gesteld zien op de situatie dat iemand onrechtmatig in Nederland verblijft, niet kan terugkeren naar het land van herkomst en voor tien jaar uitsluitend aanspraak kan maken op onderwijs, medisch noodzakelijke zorg of rechtsbijstand. Dit is niet de situatie van eiseres. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om deze beroepszaak aan te houden in afwachting van beantwoording van de prejudiciële vragen.
Heeft eiseres recht op 50% van de zorgtoeslag?
8. Eiseres voert aan dat zij tenminste recht heeft op 50% van de zorgtoeslag. Deze mogelijkheid biedt de wet, net zoals bij de Wet op de huurtoeslag waarbij ook de gedetineerde als toeslagpartner buiten beschouwing wordt gelaten. Op de zitting heeft eiseres ook gewezen op het wetsvoorstel Wet verbetermaatregelen toeslagen waarbij het uitgangspunt is dat bij alle toeslagen een partner in detentie geen toeslagpartner is.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen recht heeft op 50% van de zorgtoeslag over de periode van augustus 2022 tot september 2023. Zoals onder 6.1 is overwogen had de toeslagpartner van eiseres geen rechtmatig verblijf in Nederland in deze periode. Dit betekent dat op grond van artikel 9, tweede lid, van de Awir geen recht bestaat op tegemoetkomingen zoals de zorgtoeslag. Deze bepaling is helder en laat geen ruimte om daarvan af te wijken. [15] Dat per 1 januari 2026 in de Awir is opgenomen dat onder een toeslagpartner niet een persoon wordt verstaan jegens wie een bevel tot gevangenneming of gevangenhouding is gegeven of die is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel voor meer dan drie maanden, maakt het voorgaande niet anders. Deze wet is namelijk pas per 1 januari 2026 in werking getreden en heeft geen terugwerkende kracht. [16]
Is de terugvordering in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
9. Eiseres voert aan dat de terugvordering in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Aan eiseres kan geen verwijt worden gemaakt dat zij door de verblijfstatus van haar toeslagpartner geen recht heeft op zorgtoeslag. Van haar kan namelijk niet worden verwacht dat zij haar huwelijk ontbindt of hem op straat zet. Dit is in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. Verder is het doel van het stoppen van voorzieningen als personen onrechtmatig in Nederland verblijven het hanteren van een consistent vreemdelingenbeleid en het ontmoedigen van verblijf in Nederland zonder status. In het geval van de toeslagpartner is vastgesteld door de Hoge Raad dat hij niet kan worden uitgeleverd aan Rwanda omdat een gevaar bestaat van een oneerlijk proces en politieke inmenging. Hij kan dus niet terug naar Rwanda. Door de wetgever is niet voorzien dat een situatie als deze kan ontstaan. Doordat de toeslagpartner niet terug kan keren naar Rwanda wordt eiseres in Nederland ernstig benadeeld in haar basisbehoeften. Deze bijzondere omstandigheden zijn niet ten volle verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Ten slotte heeft de terugvordering voor eiseres financiële gevolgen terwijl zij leeft op minimumniveau.
9.1.
In dit geval berust het besluit op een wet in formele zin met een gebonden bevoegdheid. Enkel als sprake is van een geval waarin zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, kan het besluit getoetst worden aan het evenredigheidsbeginsel. In dit geval moet daarom de vraag worden beantwoord of de wetgever de gevolgen en toepassing van deze uitkomst bedoeld en voorzien heeft.
9.2.
In artikel 10, eerste lid, van de Vw 2000 is het koppelingsbeginsel neergelegd. Dit beginsel strekt ertoe het recht op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve middelen te koppelen aan het rechtmatig verblijf in Nederland. [17] Het uitgangspunt dat illegale vreemdelingen geen aanspraken op collectieve voorzieningen kunnen doen gelden, heeft de wetgever als beginsel van het vreemdelingenrecht aangemerkt. [18] Met de toepassing hiervan wordt beoogd te voorkomen dat illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen door ontvangst van tegemoetkomingen en voorzieningen, in staat worden gesteld tot voortzetting van hun niet rechtmatig verblijf, het verwerven van een schijn van legaliteit of het opbouwen van een zodanige sterke rechtspositie, of de schijn hiervan, dat zij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijken. Met wat in artikel 9, tweede lid, van de Awir is neergelegd, is in zoverre hierop aangesloten, dat deze bepaling ertoe strekt te voorkomen dat de niet rechtmatig in Nederland verblijvende partner zou kunnen meeprofiteren van de tegemoetkomingen die aan de Nederlander worden toegekend. Dat eiseres in haar situatie geen recht heeft op toeslagen heeft de wetgever dan ook bedoeld en voorzien. De dienst heeft daarom niet hoeven te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de dienst de terugvordering moeten matigen?
10. Eiseres stelt dat de dienst de terugvordering had moeten matigen op grond van artikel 2.1 van het Verzamelbesluit Toeslagen. Doordat de toeslagpartner niet terug kan keren naar Rwanda wordt eiseres in Nederland ernstig benadeeld in haar basisbehoeften. Eiseres heeft hierdoor namelijk geen recht op zorgtoeslag. Dit is een bijzondere omstandigheid die zich verzet tegen terugvordering. Verder heeft de terugvordering voor eiseres financiële gevolgen terwijl zij leeft op minimumniveau.
10.1.
In artikel 26 van Pro de Awir is bepaald dat als een herziening van een tegemoetkoming of voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag, de belanghebbende het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd is. Artikel 26 van Pro de Awir schrijft niet dwingend voor dat de dienst het volledige bedrag van een belanghebbende terugvordert. Hierdoor heeft de dienst beslissingsruimte bij de vaststelling van het bedrag dat wordt teruggevorderd. [19] Dit betekent dat de dienst op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Awb [20] de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen en onder bijzondere omstandigheden van terugvordering kan afzien of het terug te vorderen bedrag kan matigen. Het verzamelbesluit Toeslagen bevat beleid over het matigen van de terugvordering van toeslagen.
10.2.
De rechtbank is van oordeel dat de dienst geen aanleiding heeft hoeven zien de terugvordering te matigen. In beginsel is geen sprake van een onevenredige terugvordering als een belanghebbende de terugvordering vanwege ontoereikende financiële middelen niet kan voldoen. Verder stelt eiseres dat zij door de terugvordering onder het minimumniveau moet leven, maar dit heeft zij niet onderbouwd. Ook heeft eiseres een betalingsregeling getroffen waaruit blijkt dat op dit moment geen invorderingsmaatregelen worden genomen. Dit betekent dat er op dit moment ook geen druk wordt gelegd op het maandelijks besteedbare inkomen van eiseres. Er is ook niet gebleken van andere omstandigheden die maken dat de terugvordering onevenredig is.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat de dienst ten onrechte heeft nagelaten onderzoek te doen naar de vraag of de toeslagpartner van eiseres rechtmatig verblijf had in Nederland. Ook handhaaft de dienst het bestreden besluit niet langer voor wat betreft het ingenomen standpunt over de huurtoeslag over de jaren 2022 en 2023. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat echter de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor zover het ziet op de zorgtoeslag in stand, omdat uit eigen onderzoek van de rechtbank blijkt dat de toeslagpartner van eiseres geen rechtmatig verblijf had in Nederland over de periode van 11 mei 2022 tot 15 augustus 2023 en de overige beroepsgronden niet slagen. [21]
11.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de dienst het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 2.335 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 20 februari 2025 en 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting van 19 maart 2026, met een waarde per punt van
€ 934). Verder is niet gebleken dat er kosten zijn gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit voor zover deze zien op de zorgtoeslag in stand blijven en bepaalt dat de dienst een nieuw besluit moet nemen voorzover het gaat over de huurtoeslag;
- bepaalt dat de dienst het griffierecht van € 51 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de dienst tot betaling van € 2.335 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Immigratie- en Naturalisatiedienst.
2.Daarbij heeft de IND gewezen op artikel 1C, onder 3, van het Vluchtelingenverdrag.
3.ABRvS 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1267.
4.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
5.Vreemdelingenwet 2000.
6.Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.
7.ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4215.
8.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
9.ABRvS 21 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK0811.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2499 en 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2768
11.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:877.
12.De datum van de inwerkingtreding van artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap.
13.Richtlijn 2008/115/EG.
14.ABRvS 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4046.
15.ABRvS 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4127.
16.Kamerstukken II 2024/25 36779, nr. 3, p. 10.
17.Kamerstukken II 1994/95, 24 233, nr. 3.
18.Kamerstukken II 1995/96, 24 233, nr. 6.
19.ABRvS 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3536.
20.Algemene wet bestuursrecht.
21.De rechtbank past artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb toe.