Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3508

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
11424179 \ BR VERZ 24-3329 \ 894 ER
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 61a RvvArt. 13a WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking wegens ontbreken staandehouding bij vasthouden mobiel apparaat tijdens rijden

Betrokkene werd gesanctioneerd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden. Hij betwistte dit en voerde aan dat hij een bril en brillenkoker vasthield, niet een telefoon. De controle was een eenmanscontrole, waardoor geen staandehouding plaatsvond.

De rechtbank oordeelde dat het wettelijke uitgangspunt is dat bij constatering van een overtreding de bestuurder staande wordt gehouden om direct te kunnen reageren en misverstanden te voorkomen. De uitzondering dat bij eenmanscontrole geen staandehouding mogelijk is, werd niet aanvaard omdat het mogelijk is dat een tweede verbalisant de achtervolging inzet.

De beschikking van de officier van justitie werd daarom vernietigd. Tevens werd vastgesteld dat de proceskosten voor professionele rechtsbijstand vergoed moeten worden zonder toepassing van een vermenigvuldigingsfactor, omdat de advocaat op uurtarief werkt en niet op no cure no pay basis. De officier van justitie werd veroordeeld tot betaling van €708,63 aan proceskosten.

Uitkomst: De beschikking wegens vasthouden mobiel apparaat tijdens rijden wordt vernietigd wegens het ontbreken van een staandehouding.

Uitspraak

proces-verbaal/uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 11424179 \ BR VERZ 24-3329 \ 894 ER
cjib-nr / registratienr 260813062 / 018XT2
zitting van 15 april 2026
proces-verbaal/beslissing inzake Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
[betrokkene] B.V.
gevestigd te [adres] [vestigingsplaats]
betrokkene
gemachtigde: voorheen mr. M.J.M. Bergers (Boete.nu)
thans: mr. D. Wijsman, advocaat te Utrecht
tegen
de officier van justitie

1.De procesgang

1.1
Het beroep is ingesteld tegen een beslissing van de officier van justitie met bovenvermeld CJIB nummer.
1.2
Aan betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd vanwege het als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden.
1.3
De zaak is behandeld op de openbare zitting door de kantonrechter mr. F.J.H. Hovens, bijgestaan door H.H. Roelofs als griffier. Daarbij zijn verschenen:
- mr. D. Wijsman, gemachtigde
- [medewerker CVOM] , medewerker van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM), als vertegenwoordiger van de officier van justitie.
1.4
De advocaat voert -zakelijk weergegeven- het volgende aan.
Betrokkene betwist dat hij een telefoon vast hield tijdens de rijden. Ik heb de door verbalisant gemaakte foto’s van de vrachtwagencabine uitvergroot en toegezonden. Daarop is zichtbaar dat cliënt in de ene hand een bril vast heeft en in de andere hand een brillenkoker. Op de kleine foto’s in het dossier heeft verbalisant nooit kunnen waarnemen dat het een telefoon betreft. De bestuurder beschikte ook over apparatuur om handsfree te bellen.
Als de verbalisanten de moeite hadden genomen om deze controle met z’n tweeën uit te voeren, had de ene verbalisant de apparatuur kunnen bedienen en de waarneming kunnen doen, waarna de andere verbalisant langs de snelweg meteen de achtervolging had kunnen inzetten om cliënt staande te houden. Dan was de zaak meteen opgehelderd. Beide verweren dienen te leiden tot gegrond verklaring.
1.5
De officier van justitie voert -zakelijk weergegeven- het volgende aan.
De bestuurder is niet staandegehouden omdat het betreft een eenmanscontrole. Dan is volgens het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voldoende uitgelegd dat staandehouden niet mogelijk is. Betrokkene ontkent de gedraging, maar er wordt wel degelijk een mobiele telefoon vastgehouden. Het verweer geeft geen reden voor twijfel. De gedraging kan worden vastgesteld. Daarnaast is de redelijke termijn van berechting overschreden. Ik vraag daarom gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep en matiging van het sanctiebedrag. De proceskosten voor de kantonfase kunnen worden toegewezen, met dien verstande dat voor het beroepschrift geen punt wordt toegekend omdat de toenmalige gemachtigde zich inmiddels heeft terug getrokken.

2.Gronden voor de beslissing:

2.1
Uitgangspunt van de wet is dat bij een ter plaatse door verbalisanten geconstateerde overtreding de bestuurder wordt staande gehouden (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 december 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:11556). Dat is vooral bedoeld om betrokkene meteen de gelegenheid te geven om te reageren op de vermeende geconstateerde overtreding waarbij ook gelegenheid is voor nader onderzoek door de verbalisant waarbij eventuele misverstanden of vergissingen kunnen worden opgehelderd. Dit dient zowel de waarheidsvinding als de eerlijkheid van de procedure, nu het voor betrokkene doorgaans erg lastig is om twee of drie jaar later bij de rechter alsnog zijn gelijk aan te tonen. Deze beginselverplichting tot staande houden moet daarom ook serieus worden genomen.
2.2
Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen (na staande houding), mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 juli 2021,ECLI:NL:GHARL:2021:6740). Hierover vermeldt de memorie van toelichting bij het wetsontwerp Wahv:
“Een groot deel van de constateringen van lichte overtredingen van verkeersvoorschriften vindt plaats met behulp van technische middelen (onder andere radar-apparatuur en rood licht-camera's). Een directe confrontatie tussen de politie-ambtenaar en de overtreder vindt in dergelijke gevallen niet plaats. Hetzelfde geldt voor het overgrote deel van geconstateerde parkeerovertredingen. In dergelijke gevallen, waarin niet aanstonds kan worden vastgesteld wie de bestuurder is van het motorrijtuig waarmee of door middel waarvan de gedraging heeft plaatsgevonden, wordt ingevolge dit artikel de administratieve sanctie opgelegd aan de kentekenhouder.” (Kamerstukken II, 1987-1988, 20 329, nr. 3, p. 41).
2.3
De Hoge Raad heeft hieruit afgeleid dat het moet gaan om een reële mogelijkheid tot staande houden:
“3.3. Vooropgesteld moet worden dat het stelsel van de WAHV meebrengt dat de administratieve sanctie dient te worden opgelegd aan de bestuurder van het desbetreffende motorrijtuig. In art. 5 WAHV Pro wordt daarop een uitzondering gemaakt in die zin dat, indien niet aanstonds kan worden vastgesteld wie de bestuurder is, de sanctie kan worden opgelegd aan de kentekenhouder, ook al was deze niet de bestuurder. Daarbij gaat het om de gevallen waarin de verkeersovertredingen al dan niet met technische hulpmiddelen worden geconstateerd zonder dat er voor de politie — in aanmerking genomen factoren zoals de verkeersveiligheid en de feitelijke onmogelijkheid tot voortdurende surveillance — een reële mogelijkheid bestaat tot staandehouding van de bestuurder (verg. HR 16 februari 1993, NJ 1993, 538 (VR 1993, 86; red. VR)).” (HR 28 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9774 (n.g.), VR 1994/218)
2.4
Hieruit blijkt dat de wetgever met deze uitzondering op het beginsel van staande houden het oog had op situaties waarin redelijkerwijs geen contact mogelijk is met de bestuurder, zoals het parkeren op een plek waar dat niet mag, het constateren van een snelheidsovertreding of rood licht overtreding met behulp van een vaste ‘flitspaal’. Deze gegevens worden immers geautomatiseerd verwerkt en enige tijd later op een andere locatie uitgelezen en beoordeeld op strafwaardigheid.
2.5
Dat is echter anders wanneer een verbalisant zich nabij de openbare weg bevindt en de snelheid van een voorbijkomende voertuig opmeet met laserapparatuur. Dan kunnen aanvullende maatregelen worden genomen. In een zaak betreffende een snelheidscontrole met behulp van een lasergun waarbij geen staandehouding had plaatsgevonden, heeft het hof overwogen:
“6. Bij het gebruik van de lasergun vindt meestal geen fotografische- of videoregistratie van de snelheidsoverschrijding plaats. Dat brengt naar het oordeel van het hof mee dat in beginsel tot staandehouding moet worden overgegaan, al dan niet door een andere ambtenaar. Zo wordt de bestuurder geconfronteerd met de bevindingen van de ambtenaar en weet hij waartegen hij zich desgewenst heeft te verdedigen.
7. Uit de door de ambtenaar in deze zaak vermelde reden om niet tot staandehouding over te gaan leidt het hof af dat de ambtenaar bezig was met het constateren van andere gedragingen. In beginsel leent de - voor de mogelijkheid van staandehouding van belang zijnde - keuze van de ambtenaar voor de wijze waarop een verkeerscontrole wordt uitgevoerd zich slechts voor een uiterst marginale toetsing door de rechter. Dit neemt echter niet weg dat de ambtenaar wel inzichtelijk dient te maken waarom hij ervoor heeft gekozen om de snelheidscontrole zodanig vorm te geven dat na de meting geen staandehouding kan plaatsvinden. Dit is in de onderhavige zaak niet gebeurd. Aldus is onvoldoende gebleken waarom zich in dit geval geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan.” (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1233)
2.6
Hetzelfde, en misschien nog wel pregnanter, geldt dit bij overtreding van artikel 61a Rvv: het vasthouden van een elektronisch apparaat tijdens het rijden. Hier is het bijna standaard verweer in de kantonrechterspraktijk dat betrokkenen aanvoeren dat het geen elektronisch apparaat was dat zij vasthielden, maar een aansteker, een vaper, een scheerapparaat en wat dies meer zij. Als het dossier al foto’s bevat van de gedraging, is daarop doorgaans nauwelijks te zien wat de bestuurder in handen heeft.
2.7
Het is juist dat er ook uitspraken zijn waarin het hof oordeelde dat de verklaring van de ambtenaar dat sprake was van een mobiele radarcontrole door één persoon, volstaat voor de conclusie dat er geen reële mogelijkheid was de bestuurder staande te houden (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4240; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5506).
2.8
Door deze rechtspraak dreigt echter een feitelijke uitholling van het, ook door het hof steeds benadrukte wettelijke uitgangspunt van staandehouding.
2.9
Niet valt in te zien waarom bij een controle als onderhavige niet twee of meer verbalisanten betrokken zouden kunnen zijn. Een dergelijke controle wordt terdege voorbereid. De benodigde apparatuur wordt opgesteld op een viaduct boven de snelweg en de betreffende verbalisant kijkt door de camera in de cabine van de onderdoor rijdende auto’s en vrachtwagens. Het is heel wel mogelijk dat deze verbalisant, als hij meent een overtreding waar te nemen, dat meteen doorgeeft aan een andere verbalisant (op de motor) die een stuk verderop langs de snelweg staat te wachten. Deze kan vervolgens, als het betreffende voertuig voorbij komt, de achtervolging inzetten en het voertuig staande houden waarna hij een nader onderzoek kan instellen naar het voorwerp dat de collega-verbalisant meende te zien en de bestuurder de mogelijkheid biedt om te reageren.
2.1
De enkele mededeling dat het nu eenmaal een eenmanscontrole betreft moet onvoldoende worden geacht om het wettelijke uitgangspunt van staande houding terzijde te stellen. Dit is geen kwestie van ‘overmacht’, maar van efficiënte organisatie van de werkzaamheden en recht doen aan de bedoeling van de wetgever.
2.11
Het beroep is dus gegrond en de gewraakte beschikking zal worden vernietigd.

3.Proceskosten

3.1
De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking, voor zover professionele rechtsbijstand is verleend. Uit de stukken volgt dat betrokkene tijdens de administratieve beroepsprocedure werd bijgestaan door mr. Bergers, die ook het beroepschrift voor de kantonrechter heeft ingediend. Daarna heeft hij zich onttrokken en heeft mr. Wijsman zich gesteld als advocaat. Zij heeft ter zitting ook het woord gevoerd.
3.2
Het forfaitaire bedrag aan proceskosten die betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moet ingevolge artikel 13a, tweede lid, van de Wahv worden vermenigvuldigd met 0,25 of 0,10, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tijdens de zitting werd betrokkene bijgestaan door mr. Wijsman, advocaat te Utrecht. Deze heeft de toepassing van artikel 13a lid 2 Wahv aan de orde gesteld omdat zij rechtsbijstand verleent op basis van een vooraf afgesproken uurtarief en niet op basis van ‘no cure no pay’, hetgeen ook niet wordt toegestaan door de Nederlandse Orde van Advocaten.
3.3
De Hoge Raad heeft hierover overwogen (HR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985; NJ 2025/280 m.nt. W.H. Vellinga; AB 2025/231 m.nt. B. Tijssen):
“Het huidige tweede lid van artikel 13a Wahv is ingevoerd als onderdeel van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: Whpkv).
(…)
5.2
De wetgever heeft in de Whpkv, ook met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wahv, het oog gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van
no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de betreffende zaak. (…)
5.3
Gevallen die kennelijk niet de in 5.2 bedoelde kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Whpkv worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 13a lid 2 Wahv, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Bpb berekende forfaitaire vergoeding met de factor 0,25 of 0,10.”
3.4
Met de advocaat is de kantonrechter van oordeel dat de in artikel 13a lid 2 Wahv voorziene matiging via vermenigvuldiging met de factor 0,25 niet aan de orde is, nu op basis van de door haar verstrekte informatie moet worden aangenomen dat zij een reguliere advocatenpraktijk uitoefent en niet werkt op basis van no cure no pay maar op basis van een vast uurtarief.
3.5
Ter zitting heeft het openbaar ministerie de stelling ingenomen dat in de kantonfase geen vergoeding moet worden toegekend voor het door de vorige gemachtigde ingediende beroepschrift nu deze zich inmiddels heeft onttrokken. Deze stelling wordt verworpen. Het zich onttrekken als gemachtigde heeft geen terugwerkende kracht. De eenmaal verrichte werkzaamheden zijn nu eenmaal verricht en er is geen bijzondere reden deze uit te zonderen van de gebruikelijke vergoedingsregeling.
3.6
De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, een hoorzitting (telefonisch), het indienen van een beroepschrift bij kantonrechter en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter dienen vier procespunten te worden toegekend. Gelet op de door betrokkene geleverde inspanning zal de kantonrechter met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het voor het telefonisch horen door de officier van justitie toegekende punt halveren, zodat in totaal 3,5 procespunten worden toegekend.
De waarde per punt bij de officier van justitie bedraagt € 666 en de waarde per punt bij de kantonrechter bedraagt € 934. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 toegepast.
3.7
Omdat de beschikking en beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 zijn bekendgemaakt, wordt het bedrag van het administratieve beroepschrift, de telefonische hoorzitting en het beroepschrift bij de kantonrechter op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Het bedrag van de zitting van de kantonrechter wordt niet gematigd.
3.8
De kantonrechter zal de officier van justitie veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 708,63 (= 1,5 x € 666 x 0,5 x 0,25 + 1 x € 934 x 0,5 x 0,25 + 1 x € 934 x 0,5).
Beslissing
De kantonrechter:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt de bestreden beslissing en de inleidende beschikking;
-bepaalt dat wat betrokkene aan zekerheid heeft gesteld, door de officier van justitie wordt gerestitueerd;
-veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene, begroot op
€ 708,63.
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. F.J.H. Hovens, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier, De kantonrechter,
Rechtsmiddel:
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, doch alleen indien:
a. de bij deze beslissing opgelegde sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. het beroepschrift niet-ontvankelijk is verklaard omdat de zekerheid niet (tijdig) is gesteld.
Het beroepschrift dient schriftelijk te worden ingediend bij de rechtbank Gelderland, Team strafrecht, Mulderzaken, kamer C.1.06, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem en dient door degene die beroep heeft ingesteld, of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend. Beroepschriften die per e-mail worden ingediend, kunnen gezien de wettelijke regeling niet in behandeling worden genomen.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting wordt gevraagd waarbij u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Een afschrift van deze uitspraak is aan betrokkene en de officier van justitie verzonden op:
uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 11424179 \ BR VERZ 24-3329 \ 894 ER
cjib-nr / registratienr 260813062 / 018XT2
herstelbeslissingvan de kantonrechter van de uitspraak van 29 april 2026inzake Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
[betrokkene] B.V.
gevestigd te [adres] [vestigingsplaats]
betrokkene
gemachtigde: voorheen mr. M.J.M. Bergers (Boete.nu)
thans: mr. D. Wijsman, advocaat te Utrecht
tegen
de officier van justitie
In het dictum van de uitspraak van 29 april 2026 is het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en het sanctiebedrag gematigd tot € 285. Uit de overwegingen blijkt echter dat de kantonrechter tot vernietiging van de beschikking komt.
De kantonrechter is daarom van oordeel dat in de uitspraak van 29 april 2026 sprake is van een kennelijke fout. Als gevolg daarvan is ook de toegekende proceskostenvergoeding fout. Die fouten lenen zich voor eenvoudig herstel.
De kantonrechter zal de schriftelijke weergave van de uitspraak dan ook in overeenstemming brengen met de uitgesproken beslissing als volgt.
A. Er wordt duidelijkheidshalve een overweging toegevoegd:
2.11
Het beroep is dus gegrond en de gewraakte beschikking zal worden vernietigd.
B. De overwegingen inzake de proceskosten komen als volgt te luiden:
3.6
De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, een hoorzitting (telefonisch), het indienen van een beroepschrift bij kantonrechter en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter dienen vier procespunten te worden toegekend. Gelet op de door betrokkene geleverde inspanning zal de kantonrechter met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het voor het telefonisch horen door de officier van justitie toegekende punt halveren, zodat in totaal 3,5 procespunten worden toegekend.
De waarde per punt bij de officier van justitie bedraagt € 666 en de waarde per punt bij de kantonrechter bedraagt € 934. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 toegepast.
3.7
Omdat de beschikking en beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 zijn bekendgemaakt, wordt het bedrag van het administratieve beroepschrift, de telefonische hoorzitting en het beroepschrift bij de kantonrechter op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Het bedrag van de zitting van de kantonrechter wordt niet gematigd.
3.8
De kantonrechter zal de officier van justitie veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 708,63 (= 1,5 x € 666 x 0,5 x 0,25 + 1 x € 934 x 0,5 x 0,25 + 1 x € 934 x 0,5).
C. Het dictum komt als volgt te luiden.
Beslissing
De kantonrechter:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt de bestreden beslissing en de inleidende beschikking;
-bepaalt dat wat betrokkene aan zekerheid heeft gesteld, door de officier van justitie wordt gerestitueerd;
-veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene, begroot op
€ 708,63;
Deze herstelbeschikking is gegeven door de kantonrechter mr. F.J.H. Hovens, en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier, wordt gehecht aan de uitspraak van 29 april 2026 en maakt daarvan integraal deel uit.
De griffier, De kantonrechter,
Een afschrift van deze uitspraak is aan betrokkene en de officier van justitie verzonden op: