Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4205

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
ARN 25/4025 en 25/4026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 7:4 AwbArt. 7:13 AwbArt. 8:88 AwbArt. 10:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Handhaving permanente bewoning recreatiewoningen op vakantiepark Bad Hulckesteijn

Eiser is eigenaar van twee recreatiewoningen op vakantiepark Bad Hulckesteijn in Nijkerk, die volgens het omgevingsplan bestemd zijn voor verblijfsrecreatie en niet voor permanente bewoning. Het college legde eiser lasten onder dwangsom op wegens permanente bewoning, wat eiser betwistte. De rechtbank toetste de besluiten en oordeelde dat het college terecht handhavend is opgetreden.

De rechtbank overwoog dat de inschrijving van eiser en zijn zoon in de Basisregistratie Personen een aanwijzing is voor permanente bewoning. Het college had een beginselplicht tot handhaving en hoefde alleen bij bijzondere omstandigheden hiervan af te zien, wat niet was aangetoond. Eiser kon geen beroep doen op het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel, en het handhavend optreden was niet onevenredig.

Ook werd geoordeeld dat de besluiten rechtmatig waren genomen op basis van een geldig mandaat. De vermeende fout in de hoogte van de dwangsom was een kennelijke schrijffout die eenvoudig kon worden hersteld. Het verzoek van eiser om schadevergoeding werd afgewezen omdat de besluiten rechtmatig waren. De beroepen werden ongegrond verklaard en de lasten onder dwangsom blijven in stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt het handhavend optreden van het college tegen permanente bewoning van recreatiewoningen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/4025 en 25/4026

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk, het college
(gemachtigde: E.J.H.M. de Haard).

Samenvatting

Deze uitspraken gaan over de beroepen van eiser tegen de aan hem opgelegde lasten onder dwangsom in verband met de permanente bewoning van twee recreatiewoningen op het vakantiepark ‘Bad Hulckesteijn’ in Nijkerk. Eiser is het niet eens met deze besluiten. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college heeft kunnen besluiten tot het opleggen van twee lasten onder dwangsom aan eiser. Eiser krijgt geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

1. Met de besluiten van 14 januari 2025 heeft het college twee lasten onder dwangsom opgelegd aan eiser. Met de beslissingen op bezwaar van 29 juli 2025 heeft het college de lasten onder dwangsom in stand gelaten (de beslissingen op bezwaar).
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissingen op bezwaar.
1.2.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn eiser en de gemachtigde van het college. Omdat de beroepen gelijktijdig met de beroepen in zaaknummers 25/4012 en 25/5012 zijn behandeld, hebben ook deelgenomen: [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] .

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaan deze zaken over?
2. Eiser is eigenaar van twee recreatiewoningen en de daarbij behorende percelen aan de [locatie 1] en [locatie 2] (de recreatiewoningen) in Nijkerk op het vakantiepark ‘Bad Hulckesteijn’ (het vakantiepark). De recreatiewoningen zijn gelegen binnen de grenzen van het omgevingsplan ‘Omgevingsplan gemeente Nijkerk’ (het omgevingsplan). De recreatiewoningen vallen daarmee binnen het tijdelijke deel van het omgevingsplan, onderdeel ‘Bestemmingsplan Bad Hulckesteijn’ (tijdelijke deel van het omgevingsplan – Bad Hulckesteijn). In dit tijdelijke deel van het omgevingsplan hebben de gronden waarop de recreatiewoning zijn gesitueerd de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’.
2.1.
Op 24 en 28 oktober 2024 heeft het college eiser in kennis gesteld dat het college voornemens is om eiser lasten onder dwangsom op te leggen in verband met het in strijd met het omgevingsplan permanent (laten) bewonen van de recreatiewoningen.
2.2.
In de besluiten van 14 januari 2025 heeft het college eiser tweemaal gelast om de overtredingen, bestaande uit het gebruiken of laten gebruiken van de recreatiewoningen voor niet-recreatieve doeleinden, vóór 1 augustus 2025 te beëindigen en beëindigd te houden, onder dreiging van een dwangsom van € 20.000,- ineens (de primaire besluiten). [1]
2.3.
Op 10 en 11 juli 2025 heeft het college de begunstigingstermijnen van de lasten verlengd tot zes weken na verzending van de beslissingen op bezwaar.
2.4.
In de beslissingen op bezwaar van 29 juli 2025 heeft het college besloten om de primaire besluiten in stand te laten en de bezwaren van eiser ongegrond te verklaren.
2.5.
De begunstigingstermijnen zijn meermaals verlengd door het college tot uiteindelijk 1 januari 2027. [2]

Beroepsgronden

Woo-verzoek
3. Bij aanvullend beroepschrift van 21 maart 2026 heeft eiser aangevoerd dat door de Belangenvereniging Bad Hulckesteijn (de belangenvereniging) eind 2025 een verzoek is gedaan op grond van de Wet open overheid (Woo), strekkende tot openbaarmaking van alle relevante stukken en documentatie inzake de handhaving door de gemeente en de Omgevingsdienst De Vallei (ODDV). Eiser stelt dat het college niet binnen de beslistermijn een besluit heeft genomen naar aanleiding van het verzoek van de belangenvereniging. Dit voorgaande heeft volgens eiser gevolgen voor onderhavige procedure omdat het Woo-verzoek betrekking heeft op documentatie over het contact met de voormalige wethouder en haar directe ondersteuning. Hierdoor is volgens eiser in onderhavige procedure het procesdossier niet compleet en is het voor eiser niet mogelijk om de rechtmatigheid en volledigheid van de besluitvorming en handhaving adequaat te toetsen.
3.1.
De rechtbank overweegt dat het in deze procedure alleen de beslissingen op bezwaar toetst. Daarom beoordeelt de rechtbank niet of het college onzorgvuldig heeft gehandeld in de Woo-procedure. De stelling dat de handelswijze van het college in de Woo-procedure invloed heeft op onderhavige procedure volgt de rechtbank niet. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat het Woo-verzoek van de belangenvereniging een geruime tijd ná de beslissingen op bezwaar is ingediend. Dit heeft tot gevolg dat de handelswijze van het college in de Woo-procedure geen invloed kan hebben gehad op de beslissingen op bezwaar. Gelet hierop slaagt de beroepsgrond niet. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de door het college aan de rechtbank verstrekte op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiser zijn doorgestuurd. Daarnaast had eiser indien hij dat wilde op grond van artikel 7:4, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de fase tussen de primaire besluiten en de beslissingen op bezwaar een verzoek kunnen doen om afschriften te ontvangen van alle op de zaken betrekking hebbende stukken.
Procedure bezwaarschriftencommissie
4. Eiser voert aan dat het advies van de ‘commissie bezwaarschriften van de gemeente Nijkerk’ (bezwaarschriftencommissie), dat is overgenomen in de beslissingen op bezwaar, onvolledig is. Zo betoogt eiser dat hij geen schriftelijke transcriptie heeft ontvangen van de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie.
4.1.
Artikel 7:13, zesde lid, van de Awb luidt:
‘Het advies van de commissie wordt schriftelijk uitgebracht en bevat een verslag van het horen.’
4.2.
Het college heeft ter zitting toegelicht dat in september 2025 een zakelijke weergave van de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie aan eiser is gestuurd. Dat eiser een letterlijke weergave van de hoorzitting wenst heeft niet tot gevolg dat het college in strijd heeft gehandeld met artikel 7:13, zesde lid, van de Awb. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is een zakelijke weergave van de hoorzitting voldoende. [3] De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn de besluiten zonder daartoe strekkend mandaatbesluit genomen?
5. Eiser betoogt dat de primaire besluiten en de beslissingen op bezwaar zonder daartoe strekkend mandaatbesluit zijn genomen. Eiser stelt dat de timing van de primaire besluiten niet strookt met het mandaat dat de medewerkers van de ODDV hiervoor hebben verkregen van het college. Verder betwist eiser dat de medewerkers van de ODDV gemandateerd waren om menigmaal de begunstigingstermijn korter te verlengen dan is neergelegd in het handhavingsbeleid van de gemeente Nijkerk.
5.1.
Op grond van artikel 10:3, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen mandaatverlening verzet. Deze bepaling sluit de mogelijkheid van mandatering van een handhavingsbevoegdheid niet uit. Ook kan niet worden geoordeeld dat de aard van de bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen zich tegen mandaatverlening verzet. [4]
In artikel 10:3, derde lid, van de Awb is bepaald dat het mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen.
5.2.
Artikel 3, eerste lid, van het besluit ‘Gemeente Nijkerk – Mandaatbesluit Omgevingsdienst De Vallei’ van 28 november 2023 (mandaatbesluit), luidt:

Het bestuursorgaan verleent, voor zover het bevoegd is, mandaat aan de directeur tot het uitoefenen van de (categorieën van) bevoegdheden in de lijst van bevoegdheden.’
Artikel 4, eerste lid, van het mandaatbesluit luidt:
‘De directeur kan ter uitoefening van een aan hem gemandateerde bevoegdheid
ondermandaat verlenen aan degenen die werkzaam zijn onder zijn verantwoordelijkheid of,
indien door het bestuursorgaan toegestaan, aan derden. In dat laatste geval dient degene aan wie ondermandaat is verleend, alsmede degene onder wiens verantwoordelijkheid hij
werkzaam is, schriftelijk met de verlening van het ondermandaat in te stemmen.’
Artikel 7, aanhef en onder a, van het mandaatbesluit luidt:
‘Bij het beslissen op bezwaar geldt: De directeur krijgt mandaat om te beslissen op bezwaarschriften en om deze besluiten te ondertekenen, mits dat conform advies van de
bezwaarschriftencommissie van Nijkerk en met instemming van de verantwoordelijke wethouder gebeurt.’
In de bijlage bij het mandaatbesluit met de titel ‘Besluitbevoegdheden’ is onder meer het volgende opgenomen:

In onderstaand overzicht is met een 'X' in de kolom 'Mandaat' aangegeven welke bevoegdheden het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk heeft gemandateerd aan de directeur van de Omgevingsdienst De Vallei waarbij een 'X' betekent dat de betreffende bevoegdheid is gemandateerd. In de kolom 'begrenzing' Is, indien van toepassing, vermeld tot welke omvang de gemandateerde bevoegdheid is begrensd.
Nr.
Algemene omschrijving te mandateren bevoegdheid
Nadere toelichting
Grondslag
Mandaat
Begrenzing
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
4.
(…) c. het opleggen en ten uitvoer leggen van een bestuurlijke sanctie vanwege enig handelen of nalaten in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Ow. Ook is gemandateerd de bevoegdheid tot het doen/nemen van eventueel benodigde procedurele handelingen en besluiten, zoals het onderzoeken van een veiligheidsrapport.
Dit betreft zowel het toezicht op vergunningvoorschriften als toezicht op informatie- en meldingsplichten en algemene regels
Art. 125 Gemeentewet Pro jo. Art. 18.1 Ow (en overige artikelen in afd. 18.1 Ow) en Awb (o.a. art. 5:20 lid 3 Awb Pro)
X
5.3.
In het ‘Ondermandaatbesluit directeur van de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst De Vallei 2024’ van 21 december 2023 (ondermandaatbesluit) is onder meer het volgende opgenomen:

De directeur van Omgevingsdienst De Vallei.
  • Gelet op afdeling 10.1.1 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)
  • Gelet op de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst De Vallei;
  • (…)
  • Gelet op Mandaatbesluit omgevingsdienst De Vallei – gemeente Nijkerk 2024.
(…)
Besluit:
1. Aan de managers van de Omgevingsdienst De Vallei op te dragen:
a. De uitoefening van de bij bovengenoemde mandaatbesluit aan de directeur van de Omgevingsdienst De Vallei Arnhem toegekende bevoegdheden.
b. De ondertekening van stukken bij de uitoefening van de onder A genoemde bevoegdheden.’
5.4.
De primaire besluiten zijn als volgt ondertekend:

namens burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk ,
(…) Teammanager Juridisch advies Omgevingsdienst De Vallei.’
5.5.
De beslissingen op bezwaar zijn als volgt ondertekend:
‘namens burgemeester en wethouders van Nijkerk ,
(…) Directeur Omgevingsdienst de Vallei’
5.6.
De rechtbank oordeelt dat de primaire besluiten en de beslissingen op bezwaar berusten op een geldig mandaat en daarmee rechtmatig zijn. Blijkens het mandaatbesluit was de Teammanager Juridisch advies Omgevingsdienst De Vallei gemandateerd om de primaire besluiten in naam van het college te nemen. Daaropvolgend was de directeur van de Omgevingsdienst de Vallei gemandateerd om de beslissingen op bezwaar te nemen. Gelet hierop is geen sprake van strijdigheid met artikel 10:3, derde lid, van de Awb. Voor zover eiser stelt dat de bevoegdheid tot het verlengen van de begunstigingstermijn niet is gemandateerd aan de directeur van de ODDV, merkt de rechtbank op dat dit betoog niet slaagt. Zoals is opgenomen in de bijlage bij het mandaatbesluit is de directeur van de ODDV bevoegd tot het opleggen en ten uitvoer leggen van een bestuurlijke sanctie. Hier moet naar het oordeel van de rechtbank ook het eventueel verlengen van een begunstigingstermijn worden geschaard, omdat die bevoegdheid samenhangt met de bevoegdheid een last onder dwangsom op te leggen. Voor zover eiser heeft gesteld dat de termijnen waarmee de begunstigingstermijnen van de lasten zijn verlengd in afwijking van het handhavingsbeleid, merkt de rechtbank op dat in het handhavingsbeleid geen voorgeschreven verlengingstermijn is opgenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van een overtreding?
6. Eiser betoogt dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat sprake is van overtredingen. Eiser stelt dat het is toegestaan om 364 dagen per jaar de recreatiewoningen te gebruiken voor eigen gebruik.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat in de dossiers een uitdraai uit de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Nijkerk is overgelegd van eiser en zijn zoon. Blijkens deze uitdraaien staat eiser sinds 1 oktober 2022 ingeschreven op het adres van de recreatiewoning [locatie 1] en de zoon van eiser op het adres van de recreatiewoning [locatie 2] . Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat de inschrijving in de BRP in het algemeen al een aanwijzing oplevert dat de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft op het adres waarop hij is ingeschreven, waarbij de voor die inschrijving gegeven reden niet relevant is. [5]
6.2.
De rechtbank oordeelt dat, voor zover het nog wordt betwist door eiser, het college heeft kunnen besluiten dat eiser dan wel de zoon van eiser permanent de recreatiewoningen bewoonden. Het college heeft dat kunnen baseren op de inschrijvingen in de BRP en het gegeven dat eiser geen andere woonadressen heeft overgelegd. Hierdoor heeft eiser, door de ene vakantiewoning permanent te laten bewonen en de andere recreatiewoning permanent te bewonen, in strijd gehandeld met het tijdelijk deel van het omgevingsplan - Bad Hulckesteijn. Blijkens het tijdelijk deel van het omgevingsplan - Bad Hulckesteijn is permanente bewoning van de recreatiewoningen niet toegestaan. De stelling van eiser dat hij 364 dagen op het vakantiepark mag verblijven brengt in het voorgaande geen verandering. Uit de definitie van permanente bewoning uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan Bad Hulckesteijn, die is ontleend aan de Wet basisregistratie gemeenten, volgt dat het door eiser aangehaalde niet het criterium is voor de vaststelling of bewoning van een recreatiewoning permanent is. [6] De beroepsgrond slaagt niet.
Beginselplicht tot handhaving
7. Bij de beoordeling van het beroep stelt de rechtbank voorop dat het bestuursorgaan een beginselplicht tot handhaving heeft. Dit houdt in dat het bestuursorgaan dat bevoegd is om bij een overtreding van een wettelijk voorschrift op te treden met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [7]
Is er in afwijking van het handhavingsbeleid handhavend opgetreden?
8. Eiser betoogt dat de medewerkers van de ODDV, in afwijking van het handhavingsbeleid, zijn overgegaan tot handhavend optreden voordat waarschuwingen en andere maatregelen zijn getroffen.
8.1.
In het document ‘Handhavingsbeleid permanente bewoning op recreatieparken in Nijkerk ’ (handhavingsbeleid) is onder meer het volgende opgenomen:

Flankerend optreden (verbijzondering)
Wanneer ons blijkt dat de gebruiker tevens eigenaar is van het recreatieobject, zal de gebruiker/eigenaar overeenkomstig hetgeen onder 2. Eigenaar grond en/of opstallen omschreven worden aangeschreven.
(…)
2. Eigenaar grond en/of opstallen Omschrijving van de overtreding:
(…)
Prioritering
Optreden tegen bovengenoemde gedragingen heeft hoge prioriteit.
Wijze van handhavend optreden
Wanneer wij handhavend optreden zal de volgende procedure worden gevolgd:
Vooraankondiging
De overtreder krijgt allereerst een vooraankondiging. Hierin wordt aangegeven dat geconstateerd is dat sprake is van een overtreding en dat overwogen wordt hiertegen op te treden. De overtreder krijgt de gelegenheid binnen twee weken zijn zienswijze schriftelijk of mondeling kenbaar te maken.
Last onder dwangsom
Wanneer wij ook na de beoordeling van de zienswijze van oordeel zijn dat sprake is van een overtreding zullen wij optreden door een last onder dwangsom op te
leggen. Deze last zal inhouden dat de niet-recreatieve activiteit(en) op het betreffende kadastrale perceel (dus voor alle opstallen op dat perceel) binnen zes maanden
moet worden beëindigd en beëindigd moeten worden gehouden. Na deze periode zal de dwangsom van €20.000 worden verbeurd. Wanneer de overtreding na het verbeuren van het maximumbedrag niet is beëindigd zal een nieuw handhavingsbesluit worden genomen, waarvan de inhoud afhankelijk is van de feiten en omstandigheden.’
8.2.
De rechtbank overweegt dat de door eiser genoemde handelswijze, bestaande uit het eerst waarschuwen en het treffen van andere maatregelen voordat tot handhavend optreden wordt overgegaan, niet is neergelegd in het handhavingsbeleid. De beroepsgrond slaagt niet.
Kan eiser een geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel?
9. Eiser betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten om alsnog handhavend op te treden tegen eiser. Eiser stelt dat er door de (voormalig) wethouder aan de Belangenvereniging Bad Hulckesteijn en Europarcs is toegezegd dat er een persoonlijke maatwerkoplossing geboden zou worden aan eiser. Deze toezegging is ten onrechte niet meegenomen in de beslissingen op bezwaar, aldus eiser. Verder stelt eiser dat de oud-burgemeester heeft aangegeven dat in zijn situatie strikte handhaving niet wenselijk is.
9.1.
Voor de bespreking van deze beroepsgrond hanteert de rechtbank het stappenplan zoals uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019. [8] Dat bestaat uit drie stappen. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating waarop de betrokkene zich beroept, namelijk de vraag of die uitlating kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. Die betreft de belangenafweging. In het kader daarvan moet de vraag worden beantwoord of geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de gewekte verwachtingen in de weg staan.
9.2.
De rechtbank overweegt dat wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk moet maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. [9]
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een toezegging van de (voormalig) wethouder dat aan hem een persoonlijke maatwerkoplossing wordt geboden en daarom niet handhavend tegen hem wordt opgetreden. De enkele stelling dat deze toezegging is gedaan is onvoldoende om deze gestelde toezegging aannemelijk te maken. Dit voorgaande is eveneens van toepassing op de gestelde uitspraak door de oud-burgmeester. De beroepsgrond slaagt niet.
Concreet zicht op legalisatie?
10. Eiser betoogt dat er een concreet zicht op legalisatie van de overtredingen bestaat en er daarom een bijzondere omstandigheid bestaat om van handhavend optreden af te zien. Eiser stelt dat er voormalig minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Keijzer (Keijzer) een instructieregel heeft voorgesteld om niet meer handhavend op te treden tegen permanente bewoning van recreatiewoningen en dit voorstel aan de eerste kamer is gezonden.
10.1.
Het college voert hierover aan dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Het college stelt dat het college de handhaving niet kan staken, omdat de voorgestelde instructieregel van Keijzer nog niet definitief is en daarom de regeling nog gewijzigd kan worden. Het is daarom voor het college nog niet mogelijk om te bepalen of eiser en zijn zoon onder de toekomstige regeling gaan vallen. Omdat het college eiser en zijn zoon de kans willen geven om de komende ontwikkelingen af te wachten, zijn de begunstigingstermijnen verlengd tot 1 januari 2027, aldus het college.
10.2.
Zoals hiervoor is overwogen, is het gebruiken van de recreatiewoningen voor niet-recreatief verblijf in strijd met het tijdelijk deel van het omgevingsplan - Bad Hulckesteijn. Het college is niet bereid voor dat illegale gebruik een omgevingsvergunning in afwijking van het tijdelijk deel van het omgevingsplan - Bad Hulckesteijn te verlenen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering van de overtreding aanwezig is. [10] Het college heeft toegelicht dat recreatieverblijven zijn bedoeld voor recreatie en toerisme, dat toerisme belangrijk is voor de gemeente Nijkerk en dat het college verder het natuurgebied waarin het vakantiepark ligt, wil beschermen tegen intensief gebruik. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het door het college ingenomen standpunt rechtens onjuist is.
10.3.
De omstandigheid dat er in de landelijke politiek aandacht was en is voor het mogen bewonen van recreatiewoningen, leidt niet tot een ander oordeel. Op het moment van de primaire besluiten maar ook ten tijde van het nemen van de besluiten op bezwaar was geen sprake van een ophanden zijnde inwerkingtreding van gewijzigde regelgeving over permanente bewoning van recreatiewoningen. Het college kon daarmee in de besluitvorming dus geen rekening houden. Bovendien is het de vraag of de in de brief van Keijzer aangekondigde wijziging van de regelgeving tot gevolg zal hebben dat de permanente bewoning van deze recreatiewoning in dit geval zal moeten worden toegestaan door het college. De voorwaarden waaronder permanente bewoning van recreatiewoningen mogelijk moet worden gemaakt, moeten, zo volgt ook uit die brief nog verder worden uitgewerkt. Het gaat daarbij om aspecten als bestaande plannen voor revitalisering, transformatie, minimumeisen aan de bouwkwaliteit en milieuonderwerpen. [11] De beroepsgrond slaagt niet.
Handhavend optreden onevenredig?
11. Eiser betoogt dat handhavend optreden onevenredig is. Eiser stelt dat sprake is van een tijdelijke noodoplossing, omdat zijn zoon niet volledig zelfstandig kan wonen en er geen voorzieningen of vervangende woonruimte is in de gemeente Nijkerk . Verder stelt eiser dat het niet duidelijk is welk algemeen belang wordt gediend met handhavend optreden. Volgens eiser is niet aangetoond dat permanente bewoning van recreatiewoningen op het recreatiepark leidt tot intensievere belasting van het nabijgelegen natuurgebied en is ook niet gebleken dat handhavend optreden een financieel voordeel oplevert. Tot slot stelt eiser dat het doel van de lasten onder dwangsom wordt ondermijnd door het herhaaldelijk verlengen van de begunstigingstermijnen. Het voortbestaan van de ontstane situatie heeft voor eiser financiële en juridische risico’s, aldus eiser.
11.1.
De rechtbank oordeelt dat handhavend optreden tegen eiser in dit geval niet onevenredig is. De door eiser aangevoerde omstandigheden kunnen niet als zodanig bijzonder gekwalificeerd worden dat het college moet afzien van handhavend optreden. De stellingen van eiser over het algemeen belang dat al dan niet wordt gediend met handhaving brengen hierin geen verandering. Het college heeft namelijk in de primaire besluiten uitvoerig uiteengezet waarom het algemeen belang wordt geschaad door permanente bewoning van recreatiewoningen in strijd met het omgevingsplan. Voor zover eiser stelt dat handhavend optreden onevenredig is gelet op de (medische) toestand van zijn zoon, merkt de rechtbank dat eiser deze toestand niet met stukken heeft onderbouwd. Tot slot neemt de rechtbank in acht dat het college verschillende keren de begunstigingstermijn heeft verlengd om eiser en zijn zoon extra tijd te geven om vervangende woonruimte te zoeken. De bereidheid van het college om meerdere malen de begunstigingstermijnen te verlengen heeft niet tot gevolg dat het voortzetten van het handhavend optreden door het college onevenredig is. De stelling dat door deze verlengingsbesluiten de werking van de lasten onder dwangsommen is komen te vervallen volgt de rechtbank niet. Zo blijkt uit de meest recente verlengingsbesluiten dat de begunstigingstermijnen zijn verlengd met het oog op de mogelijke inwerkingtreding van de hierboven aangehaalde instructieregel van Keijzer. De beroepsgrond slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
12. Eiser betoogt dat het college in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel door tegen hem handhavend op te treden. Eiser stelt dat meerdere eigenaren en huurders van recreatiewoningen op het vakantiepark vergunningen hebben gekregen waarin is besloten om de permanente bewoning van de recreatiewoningen te gedogen. Verder stelt eiser dat voor één huurder op het vakantiepark wél met voorrang een oplossing is geboden. Volgens eiser is dit verschil in behandeling zonder objectieve rechtvaardiging in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
12.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moet sprake zijn van rechtens vergelijkbare zaken, die het college ongelijk heeft behandeld. [12] Eiser heeft met de enkele stelling dat het college voor verschillende andere eigenaren en huurders gedoogbeslissingen heeft genomen dan wel met voorrang een oplossing heeft gezocht niet aannemelijk gemaakt dat dit vergelijkbare situaties zijn. Eiser heeft nagelaten om te onderbouwen welke gevallen dit betreffen en waarom dit vergelijkbare gevallen zijn. Het enkel stellen dat sprake is van andere gevallen op het vakantiepark is hiervoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
Ten onrechte een verhoging van de dwangsom?
13. Eiser betoogt dat het college ten onrechte de hoogte van de dwangsom inzake de recreatiewoning [locatie 1] heeft verhoogd van € 20.000 naar € 25.000.
13.1.
Het college voert hierover aan dat in het verlengingsbesluit van 10 juli 2025 per abuis is opgenomen dat sprake is van een dwangsom van € 25.000,- in plaats van € 20.000,-. Dit is een kennelijke verschrijving en in het primaire besluit en de latere verlengingsbesluiten is wel de juiste hoogte van de dwangsom van € 20.000,- opgenomen, aldus het college.
13.2.
In het besluit van 10 juli 2025, waarin de begunstigingstermijn voor het beëindigen van de permanente bewoning van recreatiewoning [locatie 1] is verlengd tot 6 weken na de beslissing op bezwaar, is voor zover relevant, het volgende opgenomen:
‘Wat ging er vooraf?
U overtreedt artikel 5.1 lid 1 onder a van de Omgevingswet. Hiervoor hebben wij u op 14 januari 2025 een last onder dwangsom opgelegd. Wij verplichtten u om de bewoning van het recreatieverblijf op het perceel [locatie 1] in Nijkerk vóór 1 augustus 2025 te beëindigen en beëindigd te houden. Hieraan hebben wij een dwangsom gekoppeld van
€ 25.000,- ineens. Stopt u niet op tijd met de overtreding of niet helemaal? Dan moet u een dwangsom betalen.’
In het primaire besluit van 14 januari 2025 is, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

Besluit: Wij leggen u een last onder dwangsom op
(…) Als u de overtreding niet, niet tijdig en/of niet volledig beëindigd en beëindigd houdt, dan bent u verplicht een dwangsom te betalen van €20.000,- ineens.’
13.3.
De rechtbank overweegt dat van een schrijffout waaraan kan worden voorbijgegaan slechts sprake is bij een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel. Van belang is dat bij het bestuursorgaan en derden direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is. [13]
13.4.
De rechtbank oordeelt dat de onjuiste hoogte van de dwangsom in het verlengingsbesluit een kennelijke fout betreft die zich leent voor eenvoudig herstel en het voor het college en eiser direct duidelijk was of had moeten zijn dat sprake is van een vergissing. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat in het verlengingsbesluit van 10 juli 2025 uitdrukkelijk wordt verwezen naar het primaire besluit van 14 januari 2025. In dit primaire besluit is de hoogte van de dwangsom € 20.000,- en daarmee had het voor eiser direct duidelijk moeten zijn dat de hoogte van de dwangsom in het verlengingsbesluit van 10 juli 2025 een kennelijke fout betrof. Dat is door het college inmiddels ook bevestigd.
Conclusie
14. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de lasten onder dwangsom in stand blijven. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
II. Verzoek om schadevergoeding
15. Eiser verzoekt de rechtbank om het college te veroordelen in de door hem geleden materiële en immateriële schade. Deze schade heeft eiser ondervonden door de chaotische procedure, aldus eiser.
15.1.
Eiser heeft verzocht om veroordeling van het college tot een schadevergoeding. De rechtbank wijst dit verzoek af. Daargelaten dat eiser de hoogte van de gestelde immateriële en materiële schade niet heeft genoemd en onderbouwd, is niet gebleken van schade als gevolg van één van de in artikel 8:88 van Pro de Awb genoemde omstandigheden. Zoals onder 13 is geconcludeerd zijn de beroepen van eiser ongegrond en blijven de beslissingen op bezwaar in stand. Hiermee staat vast dat de beslissingen op bezwaar rechtmatige besluiten zijn. Omdat artikel 8:88 van Pro de Awb (voor zover hier van belang) alleen ruimte biedt voor een schadevergoeding op grond van een onrechtmatig besluit, is er in deze zaken in zoverre geen recht op vergoeding van schade.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst de verzoeken om schadevergoeding van eiser af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit is volgens het college in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, omdat het gebruiken van de recreatiewoningen in strijd is met artikel 4.1, aanhef en onder a, van het tijdelijke deel van het omgevingsplan –Bad Hulckesteijn).
2.Dit heeft plaatsgevonden met de volgende besluiten: Besluiten van 9 september 2025 waarin het college de begunstigingstermijn heeft verlengd tot 9 maart 2026; Besluiten van 24 februari 2026 waarin het college de begunstigingstermijn heeft verlengd tot 1 april 2026; en de besluiten van 26 maart 2026 waarin het college de begunstigingstermijn verlengde tot 1 januari 2027. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richten de beroepen van eiser zich van rechtswege ook tegen deze verlengingsbesluiten.
3.Zoals volgt uit onder meer rechtsoverweging 7.1 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3812.
4.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3681, r.o. 3.2.
5.Zoals overwogen in de uitspraak van de Afdeling 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:981, r.o. 3.2.
6.Zie hiervoor artikel 1.34 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan – Bad Hulckesteijn in samenhang met artikel 1 van Pro de Wet gemeentelijke basisadministratie.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
8.Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.
9.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2822, r.o. 10.2.
10.vergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4374, en 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4518
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:854, r.o. 9.2.
12.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3041, r.o. 6.1.
13.Uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1519, r.o. 3.1.