Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4223

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
ARN 25/4012
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 7:4 AwbArt. 7:13 AwbArt. 8:88 AwbArt. 9:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Handhaving permanente bewoning recreatiewoning op vakantiepark Bad Hulckesteijn

Eiseres, huurster van een recreatiewoning op vakantiepark Bad Hulckesteijn in Nijkerk, betwist het door het college opgelegde handhavingsbesluit wegens permanente bewoning in strijd met het omgevingsplan. Het college legde een last onder dwangsom op aan de derde-partij, eigenaar van de woning, en verlengde de begunstigingstermijn meerdere malen.

De rechtbank toetst uitsluitend de beslissing op bezwaar en oordeelt dat het college bevoegd was tot het opleggen van de last onder dwangsom. De mandaatverlening aan de Omgevingsdienst De Vallei voor het primaire besluit en de beslissing op bezwaar is rechtsgeldig. De inschrijving van eiseres in de Basisregistratie Personen op het adres van de recreatiewoning vormt een aanwijzing voor permanente bewoning.

Eiseres voert diverse beroepsgronden aan, waaronder schending van het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, en het evenredigheidsbeginsel, alsmede onrechtmatigheid van het handhavend optreden. De rechtbank verwerpt deze gronden, onder meer omdat geen concrete toezeggingen zijn gedaan, geen vergelijkbare gevallen zijn aangetoond, en het handhavend optreden proportioneel is gezien het algemeen belang en de verlengde begunstigingstermijnen.

Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat het besluit rechtmatig is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4012

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk, het college
(gemachtigde: A.D. Titaleij ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij], uit [woonplaats] , hierna: derde-partij.

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres tegen de aan de derde-partij opgelegde last onder dwangsom in verband met de permanente bewoning van een recreatiewoning op het vakantiepark ‘Bad Hulckesteijn’ in Nijkerk. Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college heeft kunnen besluiten tot het opleggen van de last onder dwangsom aan de derde-partij. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

1. Met het besluit van 27 november 2024 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan de derde-partij. Met de beslissing op bezwaar van 29 juli 2025 heeft het college de last onder dwangsom in stand gelaten (de beslissing op bezwaar).
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn eiseres samen met [betrokkene 1] en de gemachtigde van het college en de derde-partij. Omdat het beroep gelijktijdig is behandeld met de beroepen in zaaknummers 24/4025, 25/4026 en 25/5012, hebben ook deelgenomen: [betrokkene 2] en [betrokkene 3] .
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is huurster van de recreatiewoning en het daarbij behorende perceel aan de [locatie] (de recreatiewoning) in Nijkerk op het vakantiepark ‘Bad Hulckesteijn’ (het vakantiepark). De recreatiewoning is gelegen binnen de grenzen van het omgevingsplan ‘Omgevingsplan gemeente Nijkerk’ (het omgevingsplan). De recreatiewoning valt daarmee binnen het tijdelijke deel van het omgevingsplan, onderdeel ‘Bestemmingsplan Bad Hulckesteijn’ (tijdelijk deel van het omgevingsplan – Bestemmingsplan Bad Hulckesteijn’). In dit tijdelijke deel van het omgevingsplan hebben de gronden waarop de recreatiewoning is gesitueerd de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’.
2.1.
In het besluit van 27 november 2024 heeft het college de derde-partij gelast om de overtreding, bestaande uit het gebruiken of laten gebruiken van de recreatiewoning voor niet-recreatieve doeleinden, vóór 26 mei 2025 te beëindigen en beëindigd te houden, onder dreiging van een dwangsom van € 20.000,- ineens (het primaire besluit). [1]
2.2.
Op 21 mei 2025 heeft het college de begunstigingstermijn van de last verlengd tot 27 november 2025.
2.3.
In de beslissing op bezwaar van 29 juli 2025 heeft het college besloten om het primaire besluit in stand te laten en het bezwaar van eiseres ongegrond te verklaren.
2.4.
De begunstigingstermijn is meermaals verlengd door het college tot uiteindelijk 1 januari 2027. [2]

Beroepsgronden

Omvang van het geding
3. Eiseres betoogt dat de gevoerde klachtprocedure tegen een medewerker van de Omgevingsdienst De Vallei (ODDV) door het college is afgehandeld zonder hoor en wederhoor. Eiseres stelt ook dat aan deze betreffende medewerker geen gepaste straf is opgelegd en er ten onrechte geen formele excuses zijn aangeboden namen het college.
3.1.
De rechtbank overweegt dat de rechtbank in deze procedure alleen de beslissing op bezwaar toetst. Daarom beoordeelt de rechtbank niet of het college onzorgvuldig heeft gehandeld in de klachtprocedure. De klachtprocedure vormt namelijk geen onderdeel van de beslissing op bezwaar. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ingevolge artikel 9:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de ombudsman, bedoeld in artikel 9:17 van Pro deze wet, rechtstreeks kan worden geklaagd over de wijze waarop een klacht intern bij het bestuursorgaan is behandeld. [3]
Woo-verzoek
4. Bij aanvullend beroepschrift van 21 maart 2026 heeft eiseres aangevoerd dat door de Belangenvereniging Bad Hulckesteijn (de belangenvereniging) eind 2025 een verzoek is gedaan op grond van de Wet open overheid (Woo), strekkende tot openbaarmaking van alle relevante stukken en documentatie inzake de handhaving door de gemeente en de ODDV. Eiseres stelt dat het college niet binnen de beslistermijn een besluit heeft genomen naar aanleiding van het verzoek van de belangenvereniging. Dit voorgaande heeft volgens eiseres gevolgen voor onderhavige procedure omdat het Woo-verzoek betrekking heeft op documentatie over het contact met de voormalige wethouder en haar directe ondersteuning. Hierdoor is volgens eiseres in onderhavige procedure het procesdossier niet compleet en is het voor eiseres niet mogelijk om de rechtmatigheid en volledigheid van de besluitvorming en handhaving adequaat te toetsen.
4.1.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen toetst de rechtbank in deze procedure alleen de beslissing op bezwaar. Daarom beoordeelt de rechtbank niet of het college onzorgvuldig heeft gehandeld in de Woo-procedure. De stelling dat de handelswijze van het college in de Woo-procedure invloed heeft op onderhavige procedure volgt de rechtbank niet. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat het Woo-verzoek van de belangenvereniging een geruime tijd ná de beslissing op bezwaar is ingediend. Dit heeft tot gevolg dat de handelswijze van het college in de Woo-procedure geen invloed kan hebben gehad op de beslissing op bezwaar. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de door het college aan de rechtbank verstrekte op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiser zijn doorgestuurd. Daarnaast had eiser indien hij dat wilde op grond van artikel 7:4, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de fase tussen de primaire besluiten en de beslissingen op bezwaar een verzoek kunnen doen om afschriften te ontvangen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken.
Procedure bezwaarschriftencommissie
5. Eiseres betoogt dat het advies van de ‘commissie bezwaarschriften van de gemeente Nijkerk’ (bezwaarschriftencommissie), dat is overgenomen in de beslissingen op bezwaar, onvolledig is. Zo stelt eiseres dat zij geen schriftelijke transcriptie heeft ontvangen van de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie.
5.1.
Artikel 7:13, zesde lid, van de Awb luidt:
‘Het advies van de commissie wordt schriftelijk uitgebracht en bevat een verslag van het horen.’
5.2.
Het college heeft ter zitting toegelicht dat in september 2025 een zakelijke weergave van de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie aan eiseres is gestuurd. Dat eiseres een letterlijke weergave van de hoorzitting wenst heeft niet tot gevolg dat het college in strijd heeft gehandeld met artikel 7:13, zesde lid, van de Awb. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is een zakelijke weergave van de hoorzitting voldoende. [4] De beroepsgrond slaagt niet.
Is het besluit zonder daartoe strekkend mandaatbesluit genomen?
6. Eiseres betoogt dat de beslissing op bezwaar om meerdere redenen in strijd is met de Awb en het gegeven mandaat aan de ODDV door het college. Eiseres stelt ten eerste dat de beslissing op bezwaar door dezelfde medewerker van de ODDV is genomen als het primaire besluit. [5] Ten tweede stelt eiseres dat voorafgaand aan de beslissing op bezwaar ten onrechte geen instemming is verkregen van de betrokken wethouder. [6] Ten derde stelt eiseres dat de medewerker van de ODDV de beslissing op bezwaar niet in mandaat mocht nemen omdat het een aantoonbaar politiek en bestuurlijk gevoelige kwestie betreft. [7]
6.1.
Op grond van artikel 10:3, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen mandaatverlening verzet. Deze bepaling sluit de mogelijkheid van mandatering van een handhavingsbevoegdheid niet uit. Ook kan niet worden geoordeeld dat de aard van de bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen zich tegen mandaatverlening verzet. [8]
In artikel 10:3, derde lid, van de Awb is bepaald dat het mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen.
Artikel 3, eerste lid, van het besluit ‘Gemeente Nijkerk – Mandaatbesluit Omgevingsdienst De Vallei’ van 28 november 2023 (mandaatbesluit), luidt:

Het bestuursorgaan verleent, voor zover het bevoegd is, mandaat aan de directeur tot het uitoefenen van de (categorieën van) bevoegdheden in de lijst van bevoegdheden.’
Artikel 4, eerste lid, van het mandaatbesluit luidt:
‘De directeur kan ter uitoefening van een aan hem gemandateerde bevoegdheid
ondermandaat verlenen aan degenen die werkzaam zijn onder zijn verantwoordelijkheid of,
indien door het bestuursorgaan toegestaan, aan derden. In dat laatste geval dient degene aan wie ondermandaat is verleend, alsmede degene onder wiens verantwoordelijkheid hij
werkzaam is, schriftelijk met de verlening van het ondermandaat in te stemmen.’
Artikel 5, aanhef en onder a, vijfde lid, van het mandaatbesluit luidt:”

De volgende algemene instructies gelden voor de directeur: De directeur mag geen gebruik maken van het mandaat als te verwachten is dat het bestuursorgaan of de portefeuillehouder door de raad of raadsleden op zijn verantwoordelijkheid voor het te nemen besluit zal worden aangesproken. Om dit te bepalen dient tijdig overleg plaats te vinden tussen het bestuursorgaan en de directeur.’
Artikel 5, zevende lid, aanhef en onder a, van het mandaatbesluit luidt:

Bij het beslissen op bezwaar geldt: De directeur krijgt mandaat om te beslissen op bezwaarschriften en om deze besluiten te ondertekenen, mits dat conform advies van de bezwaarschriftencommissie van Nijkerk en met instemming van de verantwoordelijke wethouder gebeurt.’
6.2.
In de bijlage bij het mandaatbesluit met de titel ‘Besluitbevoegdheden’ is onder meer het volgende opgenomen:

In onderstaand overzicht is met een 'X' in de kolom 'Mandaat' aangegeven welke bevoegdheden het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk heeft gemandateerd aan de directeur van de Omgevingsdienst De Vallei waarbij een 'X' betekent dat de betreffende bevoegdheid is gemandateerd. In de kolom 'begrenzing' Is, indien van toepassing, vermeld tot welke omvang de gemandateerde bevoegdheid is begrensd.
Nr.
Algemene omschrijving te mandateren bevoegdheid
Nadere toelichting
Grondslag
Mandaat
Begrenzing
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
4.
(…) c. het opleggen en ten uitvoer leggen van een bestuurlijke sanctie vanwege enig handelen of nalaten in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Ow. Ook is gemandateerd de bevoegdheid tot het doen/nemen van eventueel benodigde procedurele handelingen en besluiten, zoals het onderzoeken van een veiligheidsrapport.
Dit betreft zowel het toezicht op vergunningvoorschriften als toezicht op informatie- en meldingsplichten en algemene regels
Art. 125 Gemeentewet Pro jo. Art. 18.1 Ow (en overige artikelen in afd. 18.1 Ow) en Awb (o.a. art. 5:20 lid 3 Awb Pro)
X
6.3.
In het ‘Ondermandaatbesluit directeur van de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst De Vallei 2024’ van 21 december 2023 (ondermandaatbesluit) is onder meer het volgende opgenomen:

De directeur van Omgevingsdienst De Vallei.
  • Gelet op afdeling 10.1.1 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)
  • Gelet op de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst De Vallei;
  • (…)
  • Gelet op Mandaatbesluit omgevingsdienst De Vallei – gemeente Nijkerk 2024.
(…)
Besluit:
1. Aan de managers van de Omgevingsdienst De Vallei op te dragen:
a. De uitoefening van de bij bovengenoemde mandaatbesluit aan de directeur van de Omgevingsdienst De Vallei Arnhem toegekende bevoegdheden.
b. De ondertekening van stukken bij de uitoefening van de onder A genoemde bevoegdheden.’
6.4.
Het primaire besluit is als volgt ondertekend:

namens burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk,
(…) Teammanager Juridisch advies Omgevingsdienst De Vallei.’
6.5.
De beslissing op bezwaar is als volgt ondertekend:
‘namens burgemeester en wethouders van Nijkerk,
(…) Directeur Omgevingsdienst de Vallei’
6.6.
De rechtbank oordeelt dat het primaire besluit en de beslissing op bezwaar berusten op een geldig mandaat en daarmee rechtmatig zijn. Blijkens het mandaatbesluit was de Teammanager Juridisch advies van de ODDV gemandateerd om het primaire besluit in naam van het college te nemen. Daaropvolgend was de directeur van de ODDV gemandateerd om de beslissing op bezwaar te nemen. Gelet hierop is ook geen sprake van strijdigheid met artikel 10:3, derde lid, van de Awb. Ook de stellingen van eiseres over het ontbreken van instemming door de betrokken wethouder gaan niet op. Nog daargelaten dat de directeur zelfstandig gemandateerd was, heeft de gemachtigde van het college namelijk ter zitting toegelicht dat de beslissing op bezwaar is afgestemd met de betrokken wethouder en deze ook heeft ingestemd met de beslissing op bezwaar. De beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van een overtreding?
7. Eiseres betoogt dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat sprake is van een overtreding. Eiseres stelt dat het is toegestaan om 364 dagen per jaar de recreatiewoning te gebruiken voor haar eigen gebruik. Verder stelt eiseres dat de enkele omstandigheid dat zij op het adres van de recreatiewoning is ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Nijkerk onvoldoende is.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat in het dossier een uitdraai uit de BRP van de gemeente Nijkerk is overgelegd van eiseres. Blijkens deze uitdraai staat eiseres sinds 1 september 2022 ingeschreven op het adres van de recreatiewoning. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat de inschrijving in het BRP in het algemeen al een aanwijzing oplevert dat de betrokkene zijn hoofdverblijf heeft op het adres waarop hij is ingeschreven, waarbij de voor die inschrijving gegeven reden niet relevant is. [9]
7.2.
De rechtbank oordeelt dat, voor zover het nog wordt betwist door eiseres, het college heeft kunnen besluiten dat eiseres de recreatiewoning permanent bewoonde. Het college heeft dat kunnen baseren op de inschrijving in de BRP en het gegeven dat eiseres geen andere woonadressen heeft overgelegd. Hierdoor heeft de derde-partij, door de vakantiewoning permanent te laten bewonen handelt in strijd met het tijdelijk deel van het omgevingsplan - Bad Hulckesteijn. Blijkens het tijdelijk deel van het omgevingsplan - Bad Hulckesteijn is permanente bewoning van de recreatiewoning niet toegestaan. De stelling van eiseres dat zij 364 dagen op het vakantiepark mag verblijven brengt in het voorgaande geen verandering. Uit de definitie van permanente bewoning uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan Bad Hulckesteijn, die is ontleend aan de Wet basisregistratie gemeenten, volgt dat het door eiser aangehaalde niet het criterium is voor de vaststelling of bewoning van een recreatiewoning permanent is. [10] De beroepsgrond slaagt niet.
Beginselplicht tot handhaving
8. Bij de beoordeling van het beroep stelt de rechtbank voorop dat het bestuursorgaan een beginselplicht tot handhaving heeft. Dit houdt in dat het bestuursorgaan dat bevoegd is om bij een overtreding van een wettelijk voorschrift op te treden met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevraagd dit niet te doen. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [11]
Is er in afwijking van het handhavingsbeleid handhavend opgetreden?
9. Eiseres betoogt dat de medewerkers van de ODDV, in afwijking van het handhavingsbeleid, zijn overgegaan tot handhavend optreden voordat waarschuwingen en andere maatregelen zijn getroffen.
9.1.
In het document ‘Handhavingsbeleid permanente bewoning op recreatieparken in Nijkerk’ (handhavingsbeleid) is onder meer het volgende opgenomen:

Flankerend optreden (verbijzondering)
Wanneer ons blijkt dat de gebruiker tevens eigenaar is van het recreatieobject, zal de gebruiker/eigenaar overeenkomstig hetgeen onder 2. Eigenaar grond en/of opstallen omschreven worden aangeschreven.
(…)
2. Eigenaar grond en/of opstallen Omschrijving van de overtreding:
(…)
Prioritering
Optreden tegen bovengenoemde gedragingen heeft hoge prioriteit.
Wijze van handhavend optreden
Wanneer wij handhavend optreden zal de volgende procedure worden gevolgd:
Vooraankondiging
De overtreder krijgt allereerst een vooraankondiging. Hierin wordt aangegeven dat geconstateerd is dat sprake is van een overtreding en dat overwogen wordt hiertegen op te treden. De overtreder krijgt de gelegenheid binnen twee weken zijn zienswijze schriftelijk of mondeling kenbaar te maken.
Last onder dwangsom
Wanneer wij ook na de beoordeling van de zienswijze van oordeel zijn dat sprake is van een overtreding zullen wij optreden door een last onder dwangsom op te
leggen. Deze last zal inhouden dat de niet-recreatieve activiteit(en) op het betreffende kadastrale perceel (dus voor alle opstallen op dat perceel) binnen zes maanden
moet worden beëindigd en beëindigd moeten worden gehouden. Na deze periode zal de dwangsom van €20.000 worden verbeurd. Wanneer de overtreding na het verbeuren van het maximumbedrag niet is beëindigd zal een nieuw handhavingsbesluit worden genomen, waarvan de inhoud afhankelijk is van de feiten en omstandigheden.’
9.2.
De rechtbank overweegt dat de door eiseres genoemde handelswijze, bestaande uit het eerst waarschuwen en het treffen van andere maatregelen voordat tot handhavend optreden wordt overgegaan, niet is neergelegd in het handhavingsbeleid. De beroepsgrond slaagt niet.
Kan eiseres een geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel?
10. Eiseres betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten om alsnog handhavend op te treden tegen de derde-partij. Eiseres stelt dat er door de wethouder aan de overblijvers en eigenaren van het vakantiepark toezeggingen zijn gedaan Verder stelt eiseres dat de oud-burgemeester heeft aangegeven dat in haar situatie strikte handhaving niet wenselijk is. Ter zitting heeft eiseres, bij monde van de heer [betrokkene 1] , medegedeeld dat er enkele dagen voor de zitting een gesprek is geweest tussen Europarcs, de belangenvereniging en de betrokken wethouder. Tijdens dit gesprek is volgens eiseres de situatie besproken en van dit gesprek is een verslag gemaakt. Eiseres en de derde-partij hebben in aanvulling op dit verslag twee aanvullende gespreksverslagen gemaakt, waarin de volgens hen gemaakte afspraken zijn weergegeven.
10.1.
Voor de bespreking van deze beroepsgrond hanteert de rechtbank het stappenplan zoals uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019. [12] Dat bestaat uit drie stappen. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating waarop de betrokkene zich beroept, namelijk de vraag of die uitlating kan worden gekwalificeerd als een toezegging. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. Die betreft de belangenafweging. In het kader daarvan moet de vraag worden beantwoord of geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de gewekte verwachtingen in de weg staan.
10.2.
De rechtbank overweegt dat wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk moet maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. [13]
10.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen geslaagd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel, omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een toezegging van de wethouder dat er niet handhavend wordt opgetreden tegen de derde-partij. De enkele stelling dat deze toezegging is gedaan is onvoldoende om deze toezegging aannemelijk te maken. Dit voorgaande is eveneens van toepassing op de gedane uitspraak door de oud-burgmeester. Met het verwijzen naar aanvullingen op een gespreksverslag van een recent gesprek tussen Europarcs, de belangenvereniging en de betrokken wethouder heeft eiseres eveneens niet aannemelijk gemaakt dat door de wethouder concreet en ondubbelzinnig is toegezegd dat er niet (meer) handhavend wordt opgetreden. Los van de omstandigheid dat deze aanvullende verslagen niet aan de rechtbank zijn gezonden, is ter zitting vast komen te staan dat deze aanvullende verslagen geen officiële gespreksverslagen zijn, maar dat die een weergave bevatten van wat volgens eisers is besproken. Het college heeft die weergave ter zitting betwist. Gelet hierop is de eigen weergave van hetgeen besproken zou zijn, onvoldoende om aannemelijk te maken dat een toezegging is gedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Concreet zicht op legalisatie?
11. Eiseres betoogt dat er een concreet zicht op legalisatie van de overtreding bestaat en er daarom een bijzondere omstandigheid bestaat om van handhavend optreden af te zien. Eiseres stelt dat er voormalig minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Keijzer (Keijzer) een instructieregel heeft voorgesteld om niet meer handhavend op te treden tegen permanente bewoning van recreatiewoningen en dit te gedogen voor de aankomende tien jaren.
11.1.
Het college voert hierover aan dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Het college stelt dat het college de handhaving niet kan staken, omdat de voorgestelde instructieregel van Keijzer nog niet definitief is en daarom de regeling nog gewijzigd kan worden. Het is daarom niet mogelijk om te bepalen of eiseres onder de toekomstige regeling gaat vallen volgens het college. Omdat het college eiseres de kans wil geven om de komende ontwikkelingen af te wachten, is de begunstigingstermijn verlengd tot 1 januari 2027, aldus het college.
11.2.
Zoals hiervoor is overwogen, is het gebruik van de recreatiewoning voor niet-recreatief verblijf in strijd met het tijdelijk deel van het omgevingsplan - Bad Hulckesteijn. Het college is niet bereid voor dat illegale gebruik een omgevingsvergunning in afwijking van het tijdelijk deel van het omgevingsplan - Bad Hulckesteijn te verlenen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van het bestemmingsplan voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering van de overtreding aanwezig is. [14] Het college heeft toegelicht dat recreatieverblijven zijn bedoeld voor recreatie en toerisme, dat toerisme belangrijk is voor de gemeente Nijkerk en dat het college verder het natuurgebied waarin het vakantiepark ligt, wil beschermen tegen intensief gebruik. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het door het college ingenomen standpunt rechtens onjuist is.
11.3.
De omstandigheid dat er in de landelijke politiek aandacht was en is voor het mogen bewonen van recreatiewoningen, leidt niet tot een ander oordeel. Op het moment van opleggen van de last onder dwangsom in het primaire besluit maar ook ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar was geen sprake van een ophanden zijnde inwerkingtreding van gewijzigde regelgeving over permanente bewoning van recreatiewoningen. Het college kon daarmee in de besluitvorming dus geen rekening houden. Bovendien is het de vraag of de in de brief van Keijzer aangekondigde wijziging van de regelgeving tot gevolg zal hebben dat de permanente bewoning van deze recreatiewoning in dit geval zal moeten worden toegestaan door het college. De voorwaarden waaronder permanente bewoning van recreatiewoningen mogelijk moet worden gemaakt, moeten, zo volgt ook uit die brief, nog verder worden uitgewerkt. Het gaat daarbij om aspecten als bestaande plannen voor revitalisering, transformatie, minimumeisen aan de bouwkwaliteit en milieuonderwerpen. [15] De beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheidsbeginsel
12. Eiseres betoogt dat handhavend optreden onevenredig is. Eiseres stelt dat sprake is van een tijdelijke noodoplossing. Verder stelt eiseres dat het voor haar niet duidelijk is welk algemeen belang wordt gediend met het handhavend optreden. Volgens eiseres is niet aangetoond dat permanente bewoning van recreatiewoningen op het vakantiepark leidt tot intensievere belasting van het natuurgebied en is ook niet gebleken dat handhavend optreden een financieel voordeel oplevert. Tot slot stelt eiseres dat het doel van de last onder dwangsom wordt ondermijnd door het herhaaldelijk verlengen van de begunstigingstermijn. Het voortbestaan van de ontstane situatie heeft voor eiseres en de derde-partij financiële en juridische risico’s, aldus eiseres.
12.1.
De rechtbank oordeelt dat handhavend optreden tegen de derde-partij in dit geval niet onevenredig is. De door eiseres aangevoerde omstandigheden kunnen niet als zodanig bijzonder gekwalificeerd worden dat het college moet afzien van handhavend optreden. De stellingen van eiseres over het algemeen belang dat al dan niet wordt gediend met handhaving brengen hierin geen verandering. Het college heeft namelijk in het primaire besluit uitvoerig uiteengezet waarom het algemeen belang wordt geschaad door permanente bewoning van recreatiewoningen in strijd met het omgevingsplan. Ook neemt de rechtbank in acht dat het college verschillende keren de begunstigingstermijn heeft verlengd om eiseres extra tijd te geven om vervangende woonruimte te zoeken. De bereidheid van het college om meerdere malen de begunstigingstermijnen te verlengen heeft niet tot gevolg dat het voortzetten van het handhavend optreden door het college onevenredig is. De stelling dat door deze verlengingsbesluiten de werking van de lasten onder dwangsommen is komen te vervallen volgt de rechtbank niet. Zo blijkt uit het meest recente verlengingsbesluit dat de begunstigingstermijn is verlengd met het oog op de mogelijke inwerkingtreding van de hierboven aangehaalde instructieregel van Keijzer. De beroepsgrond slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
13. Eiseres betoogt dat het college in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel door tegen de derde-partij handhavend op te treden. Eiseres stelt dat meerdere eigenaren en huurders van recreatiewoningen op het vakantiepark vergunningen hebben gekregen waarin is besloten om de permanente bewoning van de recreatiewoningen te gedogen. Verder stelt eiseres dat voor één huurder op het vakantiepark wél met voorrang een oplossing is geboden. Volgens eiseres is dit verschil in behandeling zonder objectieve rechtvaardiging in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
13.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moet sprake zijn van rechtens vergelijkbare zaken, die het college ongelijk heeft behandeld. [16] Eiseres heeft met de enkele stelling dat het college voor verschillende andere eigenaren en huurders gedoogbeslissingen heeft genomen dan wel met voorrang een oplossing heeft gezocht niet aannemelijk gemaakt dat dit vergelijkbare situaties zijn. Eiseres heeft nagelaten om te onderbouwen welke gevallen dit betreffen en waarom dit vergelijkbare gevallen zijn. Het enkel stellen dat sprake is van andere gevallen op het vakantiepark is hiervoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de last onder dwangsom in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
II. Verzoek om schadevergoeding
15. Eiser verzoekt de rechtbank om het college te veroordelen in de door haar geleden materiële en immateriële schade. Deze schade heeft eiseres onder meer ondervonden door de chaotische procedure, aldus eiseres. Eiseres verzoekt de rechtbank om aan haar en de derde-partij afzonderlijk een schadevergoeding van €20.000,- toe te kennen.
15.1.
Eiseres heeft verzocht om veroordeling van het college tot een schadevergoeding. De rechtbank wijst dit verzoek af. Daargelaten dat eiseres de hoogte van de gestelde immateriële en materiële schade niet heeft onderbouwd, is niet gebleken van schade als gevolg van één van de in artikel 8:88 van Pro de Awb genoemde omstandigheden. Zoals onder 13 is geconcludeerd is het beroep van eiseres ongegrond en blijft de beslissing op bezwaar in stand. Hiermee staat vast dat de beslissing op bezwaar een rechtmatig besluit is. Omdat artikel 8:88 van Pro de Awb (voor zover hier van belang) alleen ruimte biedt voor een schadevergoeding op grond van een onrechtmatig besluit, is er in deze zaken in zoverre geen recht op vergoeding van schade.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding van eiseres af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit is volgens het college in strijd met artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, omdat het gebruiken van de recreatiewoningen in strijd is met artikel 4.1, aanhef en onder a, van het tijdelijke deel van het omgevingsplan –Bad Hulckesteijn).
2.Dit heeft plaatsgevonden met de volgende besluiten: het besluit van 17 november 2025 waarin het college de begunstigingstermijn heeft verlengd tot 1 april 2026 en het besluit van 27 maart 2026 waarin het college de begunstigingstermijn heeft verlengd tot 1 januari 2027. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt het beroep van eiseres zich van rechtswege ook tegen deze verlengingsbesluiten.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5880, r.o. 3.1.
4.Zoals volgt uit onder meer rechtsoverweging 7.1 van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3812.
5.Dit is volgens eiseres in strijd met artikel 10:3, derde lid, van de Awb.
6.Dit is volgens eiseres in strijd met artikel 5, zevende lid, van het mandaatbesluit.
7.Dit is volgens eiseres in strijd met artikel 5, vijfde lid, van het mandaatbesluit.
8.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3681, r.o. 3.2.
9.Zoals overwogen in de uitspraak van de Afdeling 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:981, r.o. 3.2.
10.Zie hiervoor artikel 1.34 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan – Bad Hulckesteijn in samenhang met artikel 1 van Pro de Wet gemeentelijke basisadministratie.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
12.Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.
13.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2822, r.o. 10.2.
14.vergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4374, en 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4518
15.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:854, r.o. 9.2.
16.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3041, r.o. 6.1.