Art. 30a Wet WOZArt. 1 Twaalfde Protocol EVRMArt. 2, derde lid Besluit proceskosten bestuursrechtWet waardering onroerende zakenWet WOZ
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging uitspraak op bezwaar WOZ wegens gezamenlijke beslissing voor meerdere belanghebbenden
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waardebeschikking en aanslag onroerendezaakbelasting 2023. De heffingsambtenaar deed op 29 februari 2024 in één geschrift uitspraak op bezwaar voor meerdere belanghebbenden tegelijk. Belanghebbende stelde dat dit niet rechtsgeldig was en startte beroep.
De rechtbank oordeelt dat de brief van 29 februari 2024 wel een voor beroep vatbare beschikking is, maar dat de heffingsambtenaar onjuist heeft gehandeld door in één document uitspraken voor meerdere belanghebbenden te combineren. Daarom wordt de uitspraak op bezwaar vernietigd en wordt de heffingsambtenaar opgedragen binnen zes weken afzonderlijk uitspraak te doen.
Het beroep wegens niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitspraak binnen redelijke termijn is gedaan. De rechtbank kent een proceskostenvergoeding toe van €17,52 per zaak voor de beroepsfase, met toepassing van de extra vermenigvuldigingsfactor uit artikel 30a Wet WOZ. Een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt niet beoordeeld omdat de termijn nog niet is geëindigd.
De rechtbank benadrukt dat de kostenvergoeding niet rechtstreeks aan de gemachtigde kan worden betaald en wijst op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De gezamenlijke uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de heffingsambtenaar moet binnen zes weken afzonderlijk uitspraak doen; proceskostenvergoeding van €17,52 per zaak wordt toegekend.
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5951
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 5 juni 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
(gemachtigde: mr. J.W. Vugts),
en
de heffingsambtenaar van Meerinzicht, de heffingsambtenaar.
Inleiding
In april 2024 heeft de gemachtigde van belanghebbende beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar inzake de waardebeschikking 2023 voor het object aan de [locatie] gelegen in [plaats].
In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar door de heffingsambtenaar en over het beroep tegen de brief met de titel uitspraak op bezwaar van 29 februari 2024.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Belanghebbende heeft op het verweerschrift gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de heffingsambtenaar dr. [persoon A] en taxateur [persoon B]. De gemachtigde van belanghebbende is met voorafgaande kennisgeving aan de rechtbank niet op de zitting verschenen.
De rechtbank heeft tijdens de zitting in totaal acht zaken gelijktijdig behandeld, waaronder deze zaak. Het gaat om de zaken met de volgende zaaknummers: 24/5951, 24/5959, 24/6114, 24/6142, 24/6229, 24/6230, 24/6231 en 24/6233. In elke zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan, omdat het verschillende belanghebbenden betreft.
Feiten
1. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak gelegen aan de [locatie] in [plaats] (de woning) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 584.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag onroerendezaakbelastingen van de gemeente Ermelo voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag).
2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de waardevaststelling en de aanslag.
3. De heffingsambtenaar heeft in één stuk van 29 februari 2024 op meerdere bezwaren tegelijk beslist dat het bezwaar ongegrond is.
Beoordeling door de rechtbank
Beroep niet tijdig beslissen
4. Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij brief van 15 februari 2024 in gebreke gesteld wegens het niet-tijdig doen van uitspraak op het bezwaar. Vervolgens heeft belanghebbende op 4 april 2024 beroep ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift. Volgens belanghebbende kan de brief van 29 februari 2024 niet als een uitspraak op bezwaar aangemerkt worden. De gemachtigde van belanghebbende heeft zich bij aanvullend beroepschrift van 4 april 2024 op het standpunt gesteld dat de maximale dwangsom verbeurd is. Verder heeft belanghebbende verzocht om een vergoeding van proceskosten in bezwaar en beroep, waarbij de gemachtigde stelt dat deze kosten aan de gemachtigde overgemaakt moeten worden. Belanghebbende heeft ten slotte verzocht om een schadevergoeding voor immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
5. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat hij bij brief van 29 februari 2024 uitspraak op het bezwaar heeft gedaan.
6. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de brief van 29 februari 2024 kwalificeert als een voor beroep vatbare beschikking en dus als een uitspraak op bezwaar. De brief bevat namelijk alle uiterlijke èn inhoudelijke kenmerken van een uitspraak op bezwaar. In de brief heeft de heffingsambtenaar immers niet alleen de ontvangst van diverse bezwaarschriften bevestigd, maar ook in de aanhef is duidelijk geschreven dat het gaat om een uitspraak op bezwaar over meerdere objecten en aanslagbiljetten en er is een rechtsmiddelenclausule opgenomen. Verder is in de brief onder het tussenkopje “Beoordeling bezwaar” vermeld dat de bezwaren ongegrond worden verklaard en dat de waardevaststellingen en de aanslagen worden gehandhaafd met verwijzing naar bijgaande adviesformulieren. De omstandigheid dat in beroep aan de orde is of de uitspraak op bezwaar rechtmatig is, omdat moet worden beoordeeld of de heffingsambtenaar in één document uitspraken op bezwaar mocht opnemen voor meer belanghebbenden, maakt het oordeel niet anders. De beoordeling of een voor beroep vatbare beschikking is genomen, staat namelijk los van de inhoudelijke beoordeling van de juistheid of rechtmatigheid van de uitspraak op bezwaar. [1] De vraag of een beschikking rechtmatig is, komt aan de orde in de inhoudelijke procedure, maar die speelt geen rol bij de vraag òf de beschikking genomen is.
7. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat belanghebbende geen procesbelang heeft bij het ingestelde beroep wegens niet-tijdig beslissen, aangezien de heffingsambtenaar bij brief van 29 februari 2024 uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Dat betekent dat de rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk zal verklaren.
8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding of toekenning van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen, aangezien de heffingsambtenaar uitspraak op bezwaar heeft gedaan binnen twee weken na de ingebrekestelling.
Beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 29 februari 2024
9. Belanghebbende heeft onder meer aangevoerd dat de heffingsambtenaar niet in één geschrift uitspraak kan doen op bezwaren van meerdere belanghebbenden.
10. De heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat met de toezending van de uitspraak op bezwaar van 29 februari 2024 aan de vereisten is voldaan. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar echter erkend dat de uitspraak op bezwaar voor iedere belanghebbende apart gedaan had moeten worden en heeft zij toegezegd dat in de toekomst niet meer bij één geschrift uitspraak op bezwaren van meerdere belanghebbenden zal worden gedaan.
11. De rechtbank is van oordeel dat de uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd. Gelet op de uitlatingen van de heffingsambtenaar ter zitting hoeft de rechtbank dit oordeel niet nader te motiveren. Een motivering is te vinden in eerdere uitspraken van de rechtbank Gelderland. [2]
12. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de uitspraak op bezwaar van 29 februari 2024 vernietigen en de heffingsambtenaar opdragen alsnog in een afzonderlijk stuk uitspraak te doen op het bezwaar van belanghebbende.
13. De rechtbank stelt een termijn van zes weken voor het doen van de nieuwe uitspraak op bezwaar. De rechtbank vindt deze termijn passend gelet op alle betrokken belangen en de toezegging van de heffingsambtenaar ter zitting dat een termijn van zes weken haalbaar is.
Proceskostenvergoeding
14. Belanghebbende is van mening dat hij recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase en de beroepsfase. Belanghebbende verzoekt de rechtbank om de extra vermenigvuldigingsfactor uit artikel 30a van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) buiten toepassing te laten wegens strijd met het discriminatieverbod.
15. De heffingsambtenaar is van mening dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), op grond waarvan bij de berekening van de proceskostenvergoeding moet worden afgeweken van de forfaitaire vergoeding. De acht zaken die gelijktijdig zijn behandeld, zijn namelijk vrijwel identiek. Gemachtigde heeft in elke zaak dezelfde proceshandelingen verricht en stukken ingediend met vrijwel dezelfde inhoud.
15. De rechtbank vindt aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
17. De rechtbank is van oordeel dat een wegingsfactor van 1 moet worden gehanteerd voor de zwaarte van de zaak. Gelet op het richtsnoer van de hoven [3] zou de rechtbank een wegingsfactor van 0,5 moeten hanteren, maar gezien de omstandigheden van deze zaak en de complexiteit van de vragen hanteert de rechtbank een wegingsfactor van 1.
18. De rechtbank is verder van oordeel dat bij de berekening van de proceskostenvergoeding in de beroepsfase de extra vermenigvuldigingsfactor van 0,1 van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ moet worden toegepast. Dit oordeel berust op het feit dat de uitspraak op bezwaar na 1 januari 2024 is gedaan en op de omstandigheid dat het beroep gegrond wordt verklaard vanwege een formele reden, waarbij weliswaar de bestreden uitspraak op bezwaar wordt vernietigd, maar de inhoud van de WOZ-beschikking niet is getoetst en onjuist is bevonden. [4] De Hoge Raad heeft in het arrest van 17 januari 2025 [5] artikel 30a Wet WOZ al getoetst aan artikel 1 vanPro het Twaalfde Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en heeft geoordeeld dat deze bepaling geen ongerechtvaardigde ongelijke behandeling oplevert. Van strijd met het discriminatieverbod is dus geen sprake. Verder heeft gemachtigde van belanghebbende niet gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in het arrest van 17 januari 2025, zodat ook hierom artikel 30a van de Wet WOZ niet buiten toepassing moet blijven.
19. De rechtbank stelt verder vast dat sprake is van acht zaken die in beroep gelijktijdig zijn behandeld en waarin exact dezelfde formele rechtsvragen spelen, zodat deze zaken in deze beroepsfase vrijwel identiek zijn, ook al gaan de zaken inhoudelijk over verschillende WOZ-objecten. De gemachtigde van belanghebbende heeft in elke zaak nagenoeg dezelfde proceshandelingen verricht en stukken ingediend met vrijwel dezelfde inhoud. In elk beroepschrift heeft gemachtigde alleen de namen, adresgegevens en data aangepast en voor het overige – en in de nadere stukken – dezelfde standpunten naar voren gebracht. De zaken zijn dus aan te merken als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 vanPro het Bpb. Omdat het meer dan vier zaken zijn, is de wegingsfactor voor samenhang 1,5.
20. De rechtbank kent voor de bezwaarfase geen kostenvergoeding toe, omdat de heffingsambtenaar opnieuw uitspraak op bezwaar moet doen. De heffingsambtenaar zal in de nieuwe uitspraak op bezwaar opnieuw een beslissing moeten nemen over het bezwaar tegen de WOZ-beschikking en over de kostenvergoeding in de bezwaarfase. [6]
21. De rechtbank kent gezien het voorgaande en met toepassing van het Bpb aan belanghebbende een proceskostenvergoeding voor de beroepsfase toe van € 17,52. Het totale bedrag voor acht samenhangende zaken bedraagt namelijk € 140,10 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 1 voor de zwaarte van de zaak, de extra vermenigvuldigingfactor van 0,1 en de wegingsfactor van 1,5 vanwege de samenhang). Gedeeld door acht zaken komt de vergoeding dan uit op € 17,52 per zaak.
Uitbetaling proceskostenvergoeding
22. Gemachtigde heeft de rechtbank verzocht om de kostenvergoeding rechtstreeks aan hem te betalen. De belastingrechter is echter niet bevoegd om te oordelen over de vraag of de proceskostenvergoeding moet worden overgemaakt naar de rekening van een ander dan van belanghebbende. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd om over een dergelijke vraag te oordelen. [7]
Verzoek immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
23. Belanghebbende heeft op 4 april 2024 verzocht om een schadevergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift ontvangen in maart 2023.
24. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn op de datum van het wijzen van het ‘bagatelarrest’ van de Hoge Raad [8] (14 juni 2024) nog niet was overschreden. Dit betekent dat deze zaak valt onder de nieuwe regels van dit arrest, hoewel het verzoek wel voor 14 juni 2024 is gedaan.
25. Omdat de rechtbank de zaak terugwijst en de heffingsambtenaar opnieuw uitspraak op bezwaar moet doen, eindigt de termijn voor de berechting in eerste aanleg echter niet met deze uitspraak van de rechtbank. [9] Die termijn loopt door tot het moment waarop definitief over de juistheid van de WOZ-beschikking is beslist. Om die reden kan de rechtbank op dit moment geen oordeel geven over het verzoek om schadevergoeding .
Conclusie en gevolgen
26. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten van € 17,52.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep inzake het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 29 februari 2024 gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar van 29 februari 2024;
draagt de heffingsambtenaar op om binnen zes weken na de dag van de verzending van deze uitspraak, uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 17,52;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.A. Wildenbeest, griffier.
Uitgesproken op 5 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Vergelijk Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 17 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7771.
3.Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024, onder andere neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 augustus 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5335.
4.Zie voor het overgangsrecht artikel IV van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, Stb. 2023, 507. Zie voor de vermenigvuldigingsfactor van 0,1 de tekst van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ. Deze situatie valt onder de categorie “alle overige gevallen” als bedoeld in het tweede lid onder b. Het bestreden besluit als bedoeld in het tweede lid onder a moet namelijk worden opgevat als het primaire besluit: de WOZ-beschikking. Die beschikking is niet vernietigd of gewijzigd. Zie ook de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van A-G Wattel voor ECLI:NL:HR:2025:156 in ECLI:NL:PHR:2024:1141 onder punten 6.15 en 6.16, met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2023/24, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 11, 12 en 25 en nr. 6 (NnavV), p. 7).