Conclusie
ADVOCAAT-GENERAAL
Rolnummers 24/00575 en 24/01942
margin of appreciationvan de nationale wetgever in belastingzaken en van feitenrechters over de effecten van ncnp-procesvertegenwoordiging in WOZ- en bpm-zaken
1.Overzicht
2.De feiten en het geding bij de feitenrechters
3.Het geding in cassatie
4.De algemene regeling van proceskostenvergoeding (pkv) in het bestuursrecht
ofrecht op pkv bestaat en de werklast van bepaling van de omvang ervan voorkomen wordt. [6]
BNB2011/180 [11] dat de rechter deze uitzondering terughoudend moet toepassen, maar u liet ’s Hofs toepassing ervan in die zaak wel in stand. De zaak was één van 67 over het Rekeningenproject van de belastingdienst (de KB-Lux zaken) met deels dezelfde gemachtigde en deels dezelfde advocaat. U liet ’s Hofs verlaging van de rechtsbijstandskosten in stand, nu het Hof haar kennelijk had gebaseerd op de vaststellingen dat het om een zeer groot aantal inhoudelijk sterk samenhangende zaken ging waardoor de proceshandelingen voor een zeer groot deel dezelfde waren en niet afgestemd op de bijzonderheden van de desbetreffende zaak. Mede gelet op het karakter van de pkv als tegemoetkoming, achtte u ’s Hofs oordeel rechtskundig niet onjuist en voor het overige feitelijk.
no cure, no pay(ncnp) geen bijzondere omstandigheid is die aanleiding geeft tot een lagere pkv, omdat ncnp niet onaanvaardbaar is als wijze van vaststellen van een door de belanghebbende verschuldigde vergoeding voor rechtsbijstand:
si le produit est gratuit, c’est vous le produit.
Toetsing van het onderscheid in het Bbp tussen (i) fiscale en andere bezwaar-procedures en (ii) WOZ/bpm-procedures en andere fiscale procedures
Toetsing van het onderscheid in het Bpb tussen de puntwaarde in WOZ- en bpm-beroepen en de puntwaarde in andere fiscale beroepen
BNB2022/106: [19]
BNB2022/106 dan ook dat het door de besluitgever gesignaleerde probleem van pkv-zoekende ncnp-gemachtigden wel degelijk bestond en snel groeide. Hij zag geen eenvoudige oplossing, maar suggereerde er wel enige:
AB2022/370 op het maatschappelijke probleem van oplopende pkv’s in WOZ-zaken:
NLF2022/1096 de nadruk op de intensiteit van uw toetsing van lagere wetgeving in verhouding tot die van toetsing van formele wetgeving:
zekere beoordelingsmargeheeft. Daarmee wil de Hoge Raad mijns inziens tot uitdrukking brengen dat hij een algemeen verbindend voorschrift, niet zijnde een wet in formele zin, indringender aan het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel toetst dan hij een wet in formele zin aan een verdragsrechtelijk gelijkheidsbeginsel toetst, waarbij immers doorgaans een
ruime beoordelingsmargegeldt. [24] Het is goed dat de Hoge Raad dit verschil in toetsingsintensiteit duidelijk neerzet.”
FED2022/82 op dat toetsing aan het discriminatieverbod in art. 14 EVRM Pro jo. art. 1 Protocol Pro I EVRM, art. 1 Protocol Pro 12 EVRM en art. 26 IVBPR Pro anders zou kunnen zijn uitgevallen, gelet op de ruime
margin of appreciationdie het EHRM nationale overheden toestaat. Hij was kritisch op uw oordeel dat het onderscheid onvoldoende onderbouwd zou zijn:
Toetsing van het puntwaarde-onderscheid in het Bpb tussen bezwaarbijstand in fiscale zaken en bezwaarbijstand in niet-fiscale zaken
BNB2022/106 uiteengezette toetsingskader (zie 5.2 hierboven) en een weergave van de totstandkomingsgeschiedenis van het verschil (r.o. 5.3), oordeelde u dat onvoldoende gegevens voorhanden waren om te kunnen beoordelen of gelijke gevallen ongelijk behandeld werden en zo ja, of dat gerechtvaardigd is. Voor fiscale bezwaren had de Besluitgever het lagere bedrag per punt wel onderbouwd, maar hij had die onderbouwing niet afgezet tegen enige onderbouwing van het hogere bedrag voor bezwaarbijstand op alle andere gebieden: [25]
BNB2022/106, maar de onderbouwing is anders. In de zaak HR
BNB2022/106 had de Besluitgever zijn lagere pkv in WOZ/bpm-zaken dan in andere fiscale zaken wel gemotiveerd, maar volgens u onvoldoende c.q. innerlijk tegenstrijdig. In die zaak lag de grond voor het buiten toepassing laten van de regeling erin dat de besluitgever verzuimd had een (voldoende) objectieve en redelijke rechtvaardiging aan te voeren voor het verschil in pkv-hoogte tussen WOZ/bpm-zaken en de volgens u daaraan gelijk te achten andere fiscale zaken. Voor het onderscheid in pkv tussen fiscale bezwaren en niet-fiscale bezwaren in de zaak van 12 juli 2024 daarentegen kwam u aan de vraag naar een rechtvaardiging niet toe omdat de eerste stap van de discriminatietoets (zijn het gelijke gevallen?) niet beantwoord kon worden bij gebrek aan gegevens over de kosten van bezwaar in niet-fiscale zaken. U zag daarom andere bezwaren tegen de regeling dan in HR
BNB2022/106, die echter volgens u evenzeer noopten tot buiten toepassing laten van de lagere vergoeding, nl. (i) “een (…) belemmering van de mogelijkheden tot effectieve rechterlijke toetsing” en (ii) “het gevaar (…) dat de rechter [de regeling] ten nadele van de belanghebbende toepast, hoewel die toepassing op grond van strijd met het verbod van discriminatie achterwege had moeten blijven.”
evidence basedvergoeding in fiscale zaken dan om het omgekeerde te doen.
prospectivete
overrulendoor hem een termijn te stellen voor ofwel een draagkrachtige motivering van het pkv-verschil tussen fiscale en andere bezwaarprocedures, [32] ofwel verlaging van de vergoeding in andere bezwaarprocedures of een andere gelijktrekking van de beide tarieven. R.o. 6.3 van uw arrest van 12 juli 2024 laat overigens ook de mogelijkheid open dat de Staatssecretaris zijn poot nog even stijf houdt door in een volgende zaak alsnog gegevens te produceren die het verschil in pkv kunnen verklaren tussen fiscale bezwaren en niet-fiscale bezwaren. [33] In de berechte zaak liet u dat niet toe omdat het de Inspecteur volgens u na cassatie niet meer vrij stond om nog gegevens in te brengen die de rechter alsnog in staat zouden moeten stellen om te beoordelen of onderdeel B2(1) van de Bijlage bij het Bpb verenigbaar is met art. 1 Grondwet Pro.
NTFR2024/1244) merkt op dat, nu de belanghebbende in uw arrest van 12 juli 2024 zich kennelijk pas in cassatie op het discriminatieverbod beriep en de fiscus volgens u kennelijk ook andere argumenten kan aanvoeren dan die in de ontoereikende toelichting bij het Besluit, het meer voor de hand zou hebben gelegen om het desbetreffende cassatiemiddel te verwerpen, nu voor de beoordeling van die argumenten kennelijk feitelijk onderzoek vereist is, waarvoor in cassatie geen plaats is:
BNB2022/106 nam geenszins de zorgen weg bij de belastingdienst, de feitenrechtspraak, de VNG en de gemeentelijke uitvoeringsorganisaties over de toegenomen en toenemende aantallen WOZ- en bpm-procedures en het grote en groeiende aandeel daarin van ncnp-rechtsbijstandsverlenders. [38] De formele wetgever heeft daarom per 1 januari 2024 de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv) in werking doen treden. Voor bezwaar- en beroepsprocedures over de toepassing van de Wet WOZ, de Wet bpm en (bij amendement [39] ) de Wet Mulder (Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften – Wahv) verlaagt die wet (i) de pkv en (ii) de immateriële schadevergoeding (ISV) bij termijnoverschrijding. Hij bepaalt bovendien dat pkv, ISV, dwangsommen wegens niet-tijdig beslissen en griffierechtvergoedingen nog uitsluitend uitbetaald worden op een bankrekening van de belanghebbende, met cessieverbod.
totaaluitgekeerde pkv in WOZ-zaken € 18 miljoen in 2021 en € 20 miljoen in 2022, maar dat is inclusief de kosten in zaken waarin beroepsgemachtigden optraden die niet op basis van ncnp werkten. [56] Welk deel van die bedragen aan ncnp-gemachtigden werd uitgekeerd, kan niet gepreciseerd worden. De totale kosten voor de gemeenschap liggen echter aanmerkelijk hoger dan de uitgekeerde pkv alleen. Zo zet de Belastingdienst circa 70 fte in om ingediende bezwaar- en beroepschriften bpm af te handelen, wat € 8 miljoen per jaar kost. Geschat wordt dat de kosten voor de afhandeling van WOZ-bezwaren door gemeenten (exclusief uitbetaalde proceskosten) zijn gestegen van € 54 miljoen in 2020 naar € 61 miljoen in 2022, en dat daarvan in 2022 zeker ruim € 30 miljoen toe te rekenen valt aan de afhandeling van ncnp-bezwaren. Zoals eerder opgemerkt, kostten ncnp-zaken de Rechtspraak (rechtbanken en gerechtshoven) in de jaren 2018 t/m 2022
gemiddeldcirca € 8 miljoen per jaar, waarbij door de jaren heen een stijgende lijn te zien is. [57]
BNB2022/106; PJW] ook voor bpm-zaken (en WOZ-zaken) wordt uitgekeerd. [71] De conclusie is dan ook dat ook voor de bpm geldt dat de proceskostenvergoeding dermate hoog uitvalt dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van het Bpb dat de vergoeding niet meer beoogt te zijn dan een tegemoetkoming in de werkelijk gemaakte proceskosten. Het leidt bovendien, zoals recentelijk nog overwogen in een uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, tot een systeem dat onder toenemende maatschappelijke druk is komen te staan en leidt tot uitkomsten die aan de samenleving niet goed meer zijn uit te leggen. [72] ”
BNB2022/106 is de medewetgever uitgebreid ingegaan op de vraag of het wetsvoorstel verenigbaar is met het discriminatieverbod in het EVRM en het IVBPR. De MvT beantwoordt die vraag bevestigend omdat de wetgever (i) WOZ- en bpm-procedures niet vergelijkbaar acht met andere bestuursrechtelijke procedures en (ii) voor het geval dat anders zou zijn, er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het pkv-onderscheid tussen WOZ/bpm-procedures en andere procedures: [84]
per seeen kwantitatieve: [97]
BNB2022/106 dat een lagere pkv voor WOZ- en bpm-zaken in strijd is met art. 1 Grondwet Pro. De staatssecretaris antwoordde op de eerste vraag als volgt: [98]
Gevolgen HR-arrest voor WOZ- en bpm-bezwaren
7.Rechtspraak
Toetsing van formele (belasting)wetten aan de volkenrechtelijke discriminatie-verboden
BNB2013/230 [113] betrof het 150-km-criterium dat op 1 januari 2012 in art. 10e(2)(b)(2) Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 werd ingevoerd als voorwaarde voor toepassing van de 30%-regeling in de loonbelasting. Volgens die regeling kan aan een ‘ingekomen werknemer’ zonder nader bewijs 30% van het (bruto)loon als onbelaste vergoeding voor ‘extraterritoriale kosten’ worden verstrekt. Die regeling beoogt de komst van schaarse buitenlandse kennis naar Nederland te vergemakkelijken. Het nieuwe criterium stelde als eis dat de werknemer in de 24 maanden vóór aanvang van de tewerkstelling in Nederland op meer dan 150 km afstand van de grens met Nederland woonde, om toegang tot de regeling uit te sluiten in gevallen waarin verondersteld kan worden dat de werknemer kan forenzen (grensarbeiders) en daarom geen of weinig extraterritoriale kosten heeft. Aldus moest de regeling ook concurrentieverstoring in de grensstreek tegengaan. De belanghebbende voldeed niet aan dit criterium maar wilde wel toegang tot de 30%-regeling omdat hij zich gediscrimineerd achtte, in strijd met (i) het vrije verkeer van werknemers ex art. 45 VWEU Pro en (ii) art. 26 IVBPR Pro, art. 14 EVRM Pro en Protocol 12 EVRM. Mijn voormalig ambtgenoot Niessen concludeerde: [114]
(not) devoid of reasonable foundation; een soort willekeurtoets):
margin of appreciationvoor die het EHRM de staten laat en vroeg naar de verhouding van die proportionaliteitstoets en ‘grove’ wetgeving waarvan de grofheid ingegeven kan zijn door uitvoerbaarheidseisen:
BNB2022/106 (zie 5.2 hierboven) – zeer weinig eisen stelt aan het realiteitsgehalte van de veronderstelling waarop de formele wetgever het onderscheidende criterium (in casu: 150 km van de grens) baseert, namelijk de veronderstelling dat de ‘extraterritoriale kosten’ significant lager zijn of niet bestaan als de belastingplichtige minder dan 150 km van de grens woont omdat hij in dat geval forenst.
BNB2022/106 (zie 5.2 hierboven) opmerkelijk. Dat u toch de formele-wet-toets aanlegde in de 150-km-zaak, wordt mogelijk verklaard door de achtergrond van het 150-km-criterium: [115] de Tweede Kamer verzocht de staatssecretaris van Financiën in 2011 om aanscherping van de 30%-regeling, onder meer door grensarbeiders uit te sluiten. De aanscherping was bovendien bij de behandeling van het Belastingplan 2012 met de Staten-Generaal besproken, waarbij ook een concept van de uitwerking in het Uitvoeringsbesluit LB 1965 aan de Tweede Kamer was gezonden. En de 30%-regeling zelf is wél neergelegd in een formele wet.
getrachtwas om de vrijstelling te laten aansluiten bij de werkelijke kosten:
BNB2022/106 zette u de met een enquête onder belanghebbenden vergelijkbare wensen en zorgen vanuit de gemeenten, de VNG en de belastingdienst immers weg als onvoldoende onderbouwing van het realiteitsgehalte van de door die gremia geuite ‘klachten en vrees’ over/voor parasitaire verdienmodellen die de ambtelijke en rechterlijke dienstverlening jegens serieuze rechtszoekenden frustreerden.
BNB2016/152 kritiek op het ontbreken van onafhankelijk onderzoek naar de aan de 30%-regeling ten grondslag liggende veronderstellingen. Hij wees op een kritisch rapport van de rekenkamer uit 2016 (de effectiviteit van de regeling was onduidelijk; de hoogte van de onbelaste vergoeding is nooit goed onderbouwd; onduidelijk was of de maatregelen om de uitgaven omlaag te brengen effectief waren; de informering van de Tweede Kamer liet te wensen over) en op een publicatie in NRC Handelsblad van 31 mei 2016 die vermeldde dat 52.000 werknemers gebruik maakten van de regeling, die jaarlijks € 700 miljoen belastinggeld kostte waarvan iets meer dan een kwart ging naar een kleine groep expats met een inkomen boven € 200.000 per jaar en dat veel expats na afloop van de regeling (maximaal acht jaar) weer uit Nederland vertrokken. Hij zag daarin aanwijzingen voor een duidelijke systematische overcompensatie.
BNB2014/30 [118] was u nóg minder kritisch op niet-onderbouwde stellingen van de formele wetgever. Die zaak betrof de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in de Successiewet (SW), die verkrijging van ‘ondernemingsvermogen’ vrijstelt. Aanvankelijk bestond een – veel meer voor de hand liggende [119] - betalingsregeling voor de liquiditeitsproblemen die kunnen ontstaan door erf- of schenkbelasting bij schenking of vererving van ondernemingsvermogen, maar die was vervangen door een minder voor de hand liggende grondslagvrijstelling die - nog minder voor de hand liggend - steeds verder verhoogd werd en daardoor op den duur geen enkel verband meer hield met enig liquiditeitsproblemen. De belanghebbende in die zaak had ander vermogen geërfd dan ‘ondernemingsvermogen’, maar wilde uiteraard dezelfde enorme vrijstelling als verkrijgers van ‘ondernemingsvermogen’. Hij beriep zich op het discriminatieverbod in art. 26 IVBPR Pro en art. 14 EVRM Pro jo. art. 1 Protocol Pro I EVRM. U zette eerst het bekende toetsingskader uiteen (r.o. 3.3.1):
geschiktis om die gestelde doelen te bereiken. Dat een enorme vrijstelling voor de verkrijging en handhaving van een 5%-aandelenbezit ondernemerschap zou stimuleren in voldoende mate om de vergaand ongelijke behandeling van verkrijgers van niet-ondernemingsvermogen te kunnen rechtvaardigen, lijkt uiterst onwaarschijnlijk; gestimuleerd worden eerder belastingvrij schenken en voorspelbaar oneigenlijk gebruik. U ging alleen in op de enge proportionaliteitstoets. Op dat punt betoogde de belanghebbende dat de voortdurende verhoging van het vrijstellingspercentage niet steunde op enig gedegen onderzoek naar de noodzaak ervan. U oordeelde:
overinclusivenessvan deze vrijstelling – die daarmee een fiscaal privilege inhoudt – achtte u daarom geen discriminatie van de verkrijgers van niet-ondernemingsvermogen, ook niet ten opzichte van het ‘aanzienlijke’ aantal wél vrijgestelde verkrijgers die geen of een veel kleiner liquiditeitsprobleem hadden, omdat volgens u ‘niet ontkend kan worden’ dat de maatregel wel ‘een bijdrage levert’ aan vermijding van liquiditeitsproblemen (ik merk op dat dat bij geen enkele vrijstelling, teruggaaf of vermindering van belasting ‘ontkend kan worden’) en ‘mede tot doel had’ ondernemerschap te stimuleren. Aan die laatste bewering van de wetgever (dat de vrijstelling bij overlijden of schenken in enige significante mate ‘ondernemerschap’ zou stimuleren) lag
überhauptgeen spoor van enig ‘onderzoek’ ten grondslag. Wat de rechtvaardiging wegens liquiditeitsproblemen betreft, verwees u slechts naar de parlementaire geschiedenis, die slechts verwees naar ‘uitgebrachte rapporten’ met ‘signalen en wensen uit de praktijk’, die ‘aandringen’ op verhoging van de vrijstelling. Ik maak hieruit op dat de klacht van de belastingplichtige dat het onderscheid niet op enig gedegen onderzoek berustte, gegrond was.
overinclusiveness(= disproportionaliteit) te beëindigen, en dat als de wetgever de enorme vrijstelling toch zou willen handhaven vanwege haar beweerdelijke ondernemerschapstimulerende kwaliteiten, hij daaraan minstens
enigeonderbouwing ten grondslag zou moeten leggen die de rechter in staat zou stellen om de geschiktheid en proportionaliteit van de vrijstelling voor c.q. in verhouding tot dat gestelde doel te beoordelen. U vergelijke uw arrest van 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060 (zie 5.8 e.v. hierboven): “Aangezien de mogelijkheid niet valt uit te sluiten dat de hier omstreden regeling (…) in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 1 van Pro de Grondwet, is het naar het oordeel van de Hoge Raad aangewezen dat de rechter die bepaling bij gebreke van een toetsbare motivering buiten toepassing laat”. [120]
BNB2010/3 [122] verondersteldeu veronderstellingen van de wetgever over misbruik. De wetgever had geen bepaalde reden gegeven voor een onderscheid in aftrekbaarheid van de afkoop van alimentatieverplichtingen in de Wet IB 1964 tussen enerzijds ex-gehuwden en ex-geregistreerde partners en anderzijds andere ex-samenwonende partners. De staatssecretaris stelde in cassatie dat zijns inziens de achtergrond van het onderscheid moest zijn de vrees van de wetgever voor misbruik en dat die vrees het onderscheid rechtvaardigde. Het Hof had dat verschil als discriminatoir aangemerkt en had daarom de afkoopsom van
f100.000 die de belanghebbende zijn ex-partner moest betalen in aftrek toegelaten hoewel zij noch echtgenoten, noch geregistreerde partners waren geweest. [123] U overwoog op het cassatieberoep van de staatssecretaris:
FED2009/41) achtte de discriminatoire gevolgen van de veronderstelling van veronderstelde vrees voor misbruik onevenredig omdat haars inziens die veronderstelde vrees ongegrond was en het discriminatoire onderscheid dan geen zinvol doel diende (ik laat voetnoten weg):
BNB2013/230 (30%-regeling), HR
BNB2014/30 (bedrijfsopvolgingsvrijstelling) en HR
BNB2010/3 (afkoop alimentatieverplichting) liet u de fiscale wetgever aldus op grond van de
wide margin of appreciation-doctrine van het EHRM op sociaal-economisch – waaronder fiscaal – terrein een vrijwel ongelimiteerde (politieke) beoordelingsruimte. Ook de WHpkv WOZ en bpm ligt op dat sociaal-economische terrein en lijkt mij heel ver verwijderd van het verdachte terrein van onderscheidingen op basis van aangeboren of persoonskenmerken of privé-samenlevingsvormen, waarvoor de grondrechten gelden die de EVRM- en IVBPR-opstellers voor ogen hadden. [124]
De widemargin of appreciationin de EHRM-rechtspraak over onderscheid in fiscale wetgeving
Della Ciaja v Italy, [125] over ongelijke erfbelastingheffing, oordeelde het EHRM voor het eerst [126] dat de wetgever een
wide margin of appreciationgeniet bij het fiscaal verschillend behandelen van overigens vergelijkbare gevallen:
Stec a.o. v UK [127] overwoog het EHRM dat de nationale autoriteiten, vanwege hun kennis van hun maatschappij en dier behoeften, in principe beter dan het EHRM kunnen beoordelen wat op sociaal-economisch terrein in het algemeen belang is, en dat hij daarom differentiërende keuzes van de nationale wetgever in
general measures of economic or social strategyrespecteert, tenzij zij manifest van redelijke grond zijn ontbloot. Voor onderscheidingen op basis van persoonskenmerken daarentegen zal de nationale wetgever
very weighty reasonsmoeten kunnen aanvoeren. Ook overwoog hij dat het discriminatieverbod ook geschonden kan worden door gelijke behandeling (over één kam scheren) van ongelijke gevallen:
Burden and Burden v UK [128] achtte de grote kamer van het EHRM het successierechtelijke verschil in behandeling tussen enerzijds gehuwden en geregistreerde partners (vrijstelling) en anderzijds samenlevende familieleden (geen vrijstelling) niet in strijd met het discriminatieverbod van art. 14 EVRM Pro jo. art. 1 Protocol Pro I EVRM, omdat de nationale wetgever, gegeven diens ruime beoordelingsvrijheid op sociaal-economisch terrein mocht menen dat twee bejaarde en sinds hun geboorte in hun geboortehuis samenlevende zusters voor de erfbelasting niet vergelijkbaar waren met gehuwd samenwonenden of samenwonende geregistreerde partners. Hij overwoog dat bij hun erfbelasting-vrijstellingbeleid voor verschillende categorieën van langstlevenden “States, in principle, remain(..) free to devise different rules in the field of taxation policy”:
Enige rechtspraak van feitenrechters over ncnp-bijstand in WOZ- en bpm-zaken
Geachte heer [naam 1],
…,
8.Rapporten van onderzoeken naar ncnp-verdienmodellen in WOZ- en bpm-zaken
Van beroep in bezwaar. Werkwijze en verdienmodel ‘no cure no pay’ bedrijven WOZ en BPM, rapport van onderzoek door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie-centrum (WODC), uitgevoerd in opdracht van de minister voor Rechtsbescherming en gepubliceerd in februari 2021; [151]
De hoogte en de structuur van de kostenvergoeding voor bedrijven die helpen bij het maken van bezwaar tegen woz-beschikkingenrapport van onderzoek door het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO), uitgevoerd in opdracht van de VNG en gepubliceerd in november 2021; [152] en
Op (proces)kosten gejaagd? Onderzoek naar ‘oneigenlijk gebruik’ van bestuurs-rechtelijke procedures met het oog op proceskostenvergoedingen, uitgevoerd door het WODC in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, gepubliceerd in juni 2024. [153]
devoid of reasonable foundationzijn (zie 7.3 en 7.11 hierboven). Rapport C is gebaseerd op jurisprudentie- en literatuuronderzoek en interviews met onder meer ncnp-bureaus, de Waarderingskamer, het Centraal Justitieel Incassobureau, de belastingdienst, gemeenten, de VNG, bestuursrechters en academici. Het bevat dus geen kwantitatieve analyse, maar is wel véél beter, onafhankelijker en concreter dan de schimmige ‘uitgebrachte rapporten’ met alleen maar ‘signalen en wensen uit de praktijk’ die ‘aandrongen’ op verhoging van de vrijstelling voor ondernemingsvermogen die u in HR
BNB2014/30 voldoende grond achtte voor het oordeel dat de bedrijfsopvolgingsregeling geen discriminatie van de niet-geprivilegieerden zou zijn.