ECLI:NL:RBGEL:2026:4933

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
ARN 24/8413
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3a WaboArt. 1:3 AwbArt. 22.2.2 bestemmingsplan Buitengebied Nijkerk 2017Art. 1.19 bestemmingsplan Buitengebied Nijkerk 2017Art. 3, onderdeel 8, bijlage II Bor
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing last onder dwangsom voor illegale bijgebouwen in voorerf

Eisers zijn eigenaren van een perceel met drie bijgebouwen zonder omgevingsvergunning, gelegen in het voorerf. Het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk legde op 29 april 2024 drie lasten onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 2.3a Wabo. Eisers voerden beroep aan tegen de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024, waarin het college de dwangsommen in stand hield.

De rechtbank oordeelt dat de derde-partij belanghebbende is en dat het college bevoegd was tot handhaving. De bijgebouwen waren niet aannemelijk aanwezig in de huidige omvang vóór de Woningwet 1901 en zijn niet vergund in 2005. Het overgangsrecht biedt geen bescherming. Er is geen concreet zicht op legalisatie omdat geen aanvraag om vergunning is ingediend.

Het college heeft het vertrouwensbeginsel onvoldoende gemotiveerd beantwoord, wat een motiveringsgebrek oplevert. Ook is de hoogte van de dwangsommen niet gemotiveerd, hoewel de rechtbank deze niet te hoog acht. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar wegens motiveringsgebreken, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: De beslissing op bezwaar wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek, maar de last onder dwangsom blijft gehandhaafd en het college moet proceskosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8413

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres], uit [plaats], eisers

(gemachtigde: mr. J.W. Verhoeven),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk

(gemachtigde: mr. N.L.H. Teijema).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] uit [plaats]

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de drie lasten onder dwangsom die het college aan eisers heeft opgelegd voor het in stand laten van drie zonder omgevingsvergunning gebouwde bijgebouwen. Met de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024 heeft het college de lasten in stand gelaten. Eisers zijn het hier niet mee eens en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de lasten onder dwangsom.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat de beslissing op bezwaar in strijd is met het motiveringsbeginsel. Toch wordt de uitkomst van het beroep niet anders, omdat de rechtbank de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand laat
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 29 april 2024 heeft het college drie lasten onder dwangsom opgelegd. Met de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024 is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook schriftelijk gereageerd. Eisers hebben een nader schriftelijk stuk ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] namens eisers, de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college, de derde-partij en de gemachtigde van de derde-partij.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. De derde-partij woont aan de [locatie 1] in [plaats]. Eisers wonen hiernaast aan de [locatie 2] in [plaats]. Eisers zijn sinds 2013 eigenaren van het perceel. Op
21 december 2023 heeft de derde-partij het college verzocht om handhavend op te treden op het adres [locatie 2] in [plaats], omdat er bijgebouwen zonder omgevingsvergunning zijn gebouwd. Ook is volgens de derde-partij de woning van eisers zonder omgevingsvergunning verbouwd. Verder worden de gronden met een agrarische bestemming gebruikt ten behoeve van de woning. Dat is volgens de derde-partij niet toegestaan. Ook zou een deel van de gronden van de derde-partij door eisers in gebruik zijn.
3.1.
De toezichthouder van het college heeft op 31 januari 2024 een controle uitgevoerd op het perceel van eisers. Er is geconstateerd dat de woning verbouwd is in overeenstemming met de vergunning die op 11 maart 2005 is verleend. Volgens de toezichthouder is op de gronden met een agrarische bestemming een houtsingel aanwezig. Het behoort als zodanig niet bij de tuin. Over het gebruik van de gronden van eisers geeft de toezichthouder aan dat dit een privaatrechtelijke kwestie is, waar het college geen bevoegdheden voor heeft. Verder heeft de toezichthouder geconstateerd dat er binnen de woonbestemming drie bijgebouwen op het perceel staan met een totale oppervlakte van 328,20 m2. [1] Deze bijgebouwen zijn voor de voorgevel gesitueerd.
3.2.
Het college heeft voor de drie bijgebouwen geconstateerd dat sprake is van een overtreding van artikel 2.3a, eerst lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarom heeft het college op 19 maart 2024 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom gestuurd. Eisers hebben hun zienswijze hiertegen kenbaar gemaakt op 29 maart 2024.
3.3.
Op 29 april 2024 heeft het college drie lasten onder dwangsom opgelegd:
3.4.
Met het besluit van 24 mei 2024 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de beslissing op het bezwaar.
3.5.
Met de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024 heeft het college de lasten onder dwangsom in stand gelaten.
3.6.
Met het besluit van 25 november 2024 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot zes weken na de uitspraak in beroep of de intrekking van het beroepschrift.
Is er sprake van een aanvraag door een belanghebbende?
4. Eisers betogen dat de derde-partij geen belanghebbende is. Het handhavingsverzoek kan daarom niet worden beschouwd als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De derde-partij heeft een bedrijfswoning op perceel I 1059. Dit perceel grenst niet aan het perceel van eisers waar de bijgebouwen op staan. Ook heeft de derde-partij volgens eisers geen zicht op de drie bijgebouwen door de tussenliggende bebouwing en beplanting. Verder is er geen actueel belang bij handhaving aanwezig, omdat de derde-partij er sinds 2005 woont. Pas 18 jaar later dienen zij een handhavingsverzoek in tegen de drie bijgebouwen. Tot slot betogen eisers dat de derde-partij geen enkel (milieu)gevolg ondervindt van de aanwezigheid van de drie bijgebouwen.
4.1.
De rechtbank oordeelt dat de derde-partij belanghebbende is. Er is vanaf het perceel van de derde-partij direct zicht op de bijgebouwen. De afstand van het perceel tot de bijgebouwen bedraagt minder dan 100 meter. Er zijn daarmee feitelijke gevolgen die van enige betekenis zijn. Het tijdsverloop maakt niet dat er geen gevolgen van enige betekenis zijn. Omdat de derde-partij belanghebbende is, is er met het handhavingsverzoek ook sprake van een aanvraag in de zin van de Awb. De beroepsgrond slaagt niet.
Is op alle bezwaargronden beslist?
5. Volgens eisers ziet het handhavingsverzoek van de derde-partij op drie onderdelen. Namelijk de verbouwing van de woning van eisers, het gebruik van de gronden en de drie bijgebouwen op het perceel van eisers. In de zienswijze tegen het voornemen hebben eisers expliciet verzocht om op alle drie de onderdelen een beslissing te nemen. Dat heeft het college volgens eisers met de last onder dwangsom niet gedaan. Daarom hebben eisers in bezwaar hier wederom om verzocht. Opnieuw beslist het college alleen over de drie bijgebouwen. Eisers betogen daarom dat het college niet op de bezwaargrond heeft beslist.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat het college met het besluit van 23 mei 2024 op het handhavingsverzoek van de derde-partij heeft beslist. Daarin staat dat het verzoek voor wat betreft de drie bijgebouwen wordt toegewezen. Voor het overige is het handhavingsverzoek afgewezen. De rechtbank stelt verder vast dat in de last onder dwangsom die aan eisers is opgelegd, het college inhoudelijk op de zienswijze heeft gereageerd. Hierin staat dat de verbouwing van de woning en het grondgebruik van het perceel geen onderdeel uitmaken van de last onder dwangsom. De rechtbank oordeelt dat het college niet in de beslissing op bezwaar gericht tegen de last onder dwangsom niet op de twee onderdelen van het handhavingsverzoek hoeft in te gaan, die met het besluit van 23 mei 2024 zijn afgewezen. Die onderdelen maken namelijk geen onderdeel uit van het handhavingsbesluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van een overtreding?
6. De rechtbank stelt voorop dat de bijgebouwen niet zonder omgevingsvergunning gebouwd konden worden. De bijgebouwen zijn gesitueerd in het voorerfgebied. Alleen in het achtererfgebied zijn mogelijkheden om zonder omgevingsvergunning een bijgebouw te bouwen. [2] Aan de hand van de beroepsgronden bespreekt de rechtbank hierna of er sprake is van de ten laste gelegde overtredingen van artikel 2.3a van de Wabo.
Bijgebouwen aanwezig voor inwerkingtreding Woningwet 1901
7. Eisers betogen primair dat voor bijgebouwen 2 en 3 geen omgevingsvergunning is vereist. Deze bijgebouwen waren al op het perceel aanwezig voordat de Woningwet 1901 in werking is getreden. Voor die tijd gold er geen bouwvergunningplicht. De bijgebouwen zijn volgens eisers met de inwerkingtreding van de Woningwet 1901 niet alsnog vergunningplichtig geworden. [3] Volgens eisers zijn de twee bijgebouwen te zien op de eerste openbare beschikbare kaart uit 1870:
Ook op de kadastrale kaart uit 1882 zijn de bijgebouwen volgens eisers duidelijk waarneembaar. Bijgebouw 2 is ingetekend recht voor de woning en bijgebouw 3 is ingetekend op het perceel waar het getal ‘72’ staat:
Verder volgt volgens eisers uit een notariële akte uit 1906 dat minstens vier bijgebouwen aanwezig waren. Dat waren twee schuren en twee hooibergen. Notariële akten uit 1920 en 1972 vermelden de bijgebouwen ook.
7.1.
De rechtbank oordeelt dat uit de openbare kaart uit 1870 en de kadastrale kaart uit 1882 niet voldoende blijkt dat bijgebouw 2 en 3 voor de inwerkingtreding van de Woningwet 1901 aanwezig waren in de omvang zoals de bijgebouwen er nu staan. De kaarten laten namelijk een andere vorm en grootte zien dan de nu aanwezige bijgebouwen. Zo is bijgebouw 3 op de kaarten nagenoeg vierkant, terwijl dat in werkelijkheid een lang en smal bijgebouw is. Ook bijgebouw 2 is kleiner weergegeven op de kaarten, dan de omvang die het bijgebouw nu heeft. Daarmee komt onvoldoende vast te staan dat bijgebouw 2 en 3 op het perceel aanwezig waren voordat er een bouwvergunningplicht gold. Eisers hebben ook niet op andere wijze aangetoond, met bijvoorbeeld foto’s of materiaalgebruik, dat de bijgebouwen in de huidige omvang aanwezig waren voor 1901 en nadien niet zijn veranderd of vergroot. In zoverre slaagt de beroepsgrond niet.
Bijgebouwen in 2005 vergund
8. Eisers betogen verder dat geen sprake kan zijn van een overtreding, omdat alle drie de bijgebouwen in 2005 zijn vergund. Op de tekening behorende bij de vergunning van 11 maart 2005 staan de drie bijgebouwen ingetekend.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat de vergunning uit 2005 ziet op “het veranderen van de woonboerderij op het adres [locatie 2] te [plaats]”. Dat volgt ook uit het aanvraagformulier van 11 februari 2005. Uit de tekeningen bij de vergunning blijkt ook dat het alleen gaat om het veranderen van de woonboerderij. De bijgebouwen maken geen onderdeel uit van de vergunning. Dat de bijgebouwen op de situatietekening zijn ingetekend, maakt niet dat ze ook zijn vergund. Het is gebruikelijk om bij een aanvraag om een omgevingsvergunning alle aanwezige bouwwerken op de situatietekening te vermelden. Dat volgt ook uit het in 2005 geldende Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning. [4] Dat zegt echter niets over de legaliteit ervan. In zoverre slaagt de beroepsgrond niet.
Overgangsrecht
9. Eisers betogen tot slot dat de drie bijgebouwen onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan vallen. Volgens eisers heeft het college niet onderzocht in hoeverre het overgangsrecht onderscheid maakt tussen legale en illegale situaties.
9.1.
Uit artikel 38.1 onder c van het bestemmingsplan “Buitgengebied Nijkerk 2017” (bestemmingsplan) volgt dat het overgangsrecht niet van toepassing is op bouwwerken die gebouwd zijn zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
9.2.
De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat de bijgebouwen 2 en 3 niet voor de inwerkingtreding van de Woningwet 1901 in de huidige omvang aanwezig waren. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de drie bijgebouwen niet in 2005 vergund zijn. Het overgangsrecht leidt er niet toe dat illegale bebouwing legaal wordt. Eisers hebben ook geen planbepaling overgelegd uit een ouder bestemmingsplan waar dat wel uit zou volgen. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.
Tussenconclusie
10. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond niet. De rechtbank is daarom van oordeel dat er sprake is van een overtreding van artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo. Het college was daarom bevoegd om handhavend op te treden.
Is handhavend optreden onevenredig?
11. Uit vaste rechtspraak volgt dat bij handhavingsbesluiten voor de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak [5] geldt. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [6]
Concreet zicht op legalisatie
12. Eisers betogen dat er sprake is van concreet zicht op legalisatie. Het college heeft volgens eisers aangegeven dat 150 m2 aan bijgebouwen gelegaliseerd kan worden. Daarvoor moesten eisers voor 10 april 2024 een aanvraag om een omgevingsvergunning indienen. Eisers betogen dat uit vaste rechtspraak [7] volgt dat voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit geen aanvraag vereist is. Er is daarom direct zicht op concreet zicht op legalisatie.
12.1.
Op grond van artikel 22.2.2 onder j van het bestemmingsplan geldt dat bijgebouwen uitsluitend mogen worden op ten minste een meter achter het verlengde van de voorgevel van de betreffende wonen. Uit artikel 22.2.2 onder k volgt dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen, hooibergen en overkappingen maximaal 70 m2 mag bedragen. Als de bestaande oppervlakte meer bedraagt, dan geldt de bestaande oppervlakte tot maximaal 150 m2. Volgens artikel 1.19 van de begripsbepaling wordt bij bouwwerken onder bestaand verstaan een legaal bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat of wordt gebouwd.
12.2.
De rechtbank stelt voorop dat de last onder dwangsom ziet op artikel 2.3a van de Wabo. De overtreding ziet dus niet op het bouwen zelf, maar het in stand laten van de bouwwerken. In dit geval is er een omgevingsvergunning vereist en moet ook worden afgeweken van het bestemmingsplan. Het staat vast dat eisers nog geen aanvraag om een omgevingsvergunning hebben ingediend. In dit geval zijn de bijgebouwen in strijd met het bestemmingsplan. De bijgebouwen zijn alle drie voor de voorgevel gebouwd en de oppervlakte bedraagt meer dan 70 m2. Het maximum van 150 m2 geldt volgens het bestemmingsplan niet, omdat het dan moet gaan om legale bebouwing. Voor concreet zicht op legalisatie van met het bestemmingsplan strijdig gebruik (in dit geval de bouwwerken) moet op zijn minst al een begin zijn gemaakt met de voor verlening van die omgevingsvergunning vereiste procedure. Dat is niet mogelijk zonder aanvraag. Bovendien is niet bekend welke bijgebouwen eisers willen legaliseren en of daarvoor bereidheid bestaat bij het college. [8] De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.
Vertrouwensbeginsel
13. Eisers betogen dat zij in hun bezwaarschrift een beroep op het vertrouwensbeginsel hebben gedaan. Zowel de bezwaarschriftencommissie als het college zijn hier niet op ingegaan. Daarom bevat het besluit volgens eisers een motiveringsgebrek. Eisers hebben in 2012 een omgevingsvergunning gevraagd voor een nieuw bijgebouw van 84 m2. Op 23 februari 2012 hebben eisers van het college de volgende reactie ontvangen:
“op grond van onze gegevens hebben wij beoordeeld dat op dit moment ca. 300 m2 aan bijgebouwen aanwezig is.”
(…)
“het is overigens wel toegestaan aanwezige bijgebouwen op te knappen en gedeeltelijk te vernieuwen.”
Eisers betogen dat zij op basis van die brief er op mochten vertrouwen dat de bijgebouwen legaal aanwezig waren. Anders had het college daar op dat moment wel op geacteerd.
13.1.
De rechtbank stelt vast dat in het advies van de bezwaarschriftencommissie wel een melding wordt gedaan van de WOZ-waarde en een gerechtvaardigd vertrouwen dat daar niet mee gewekt kan zijn. In het advies van de bezwaarschriftencommissie wordt op geen andere wijze ingegaan op het beroep op het vertrouwensbeginsel. Het college heeft dat in de beslissing op bezwaar ook niet gedaan. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het college niet (volledig) op het bezwaarschrift heeft beslist. In zoverre slaagt de beroepsgrond.
13.2.
Uit vaste rechtspraak volgt dat wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk moet maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja, hoe (stap 1). Vereist is dat de toezegging, of andere uitlating of gedraging afkomstig is van het bevoegde bestuursorgaan of aan het bevoegde bestuursorgaan moet worden toegerekend (stap 2). Van toerekening van een onbevoegde uitlating is sprake als de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.
Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen, betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Andere belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen zwaarder wegen (stap 3). [9]
13.3.
De rechtbank stelt voorop dat de brief van 23 februari 2012 waar eisers naar verwijzen, een verzoek om aanvullende gegevens betreft over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een schuur/berging. Uit de brief volgt dat het college de aanvraag getoetst heeft aan de regels van het bestemmingsplan:
“Het perceel [locatie 2] heeft volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan Buitengebied 2009 de bestemming Wonen. Op grond van artikel 19.2.2 onder g, onder 1. mag de oppervlakte aan bijgebouwen bij de bestemming Wonen niet meer bedragen dan 70 m2, of indien de bestaande oppervlakte meer bedraagt, niet meer dan 150 m2. Aan de vrijstellingsbepaling zoals beschreven in artikel 19.4.2 om meer oppervlakte terug te bouwen is goedkeuring onthouden.
Op grond van onze gegevens hebben wij beoordeeld dat op dit moment ca. 300 m2 aan bijgebouwen aanwezig is. op grond van het hierboven vermelde betekent dat maximaal 150 m2 bijgebouwen zijn toegestaan. De nieuwe schuur van 84 m2 kan daarom alleen worden gebouwd indien u zoveel oppervlakte aan bijgebouwen sloopt dat daarvan maximaal 66 m2 overblijft.”
13.4.
Nu het gaat om een aanvraag voor een nieuw bijgebouw, is het college niet gehouden om te beoordelen of de bestaande bebouwing legale bebouwing betreft. Dat valt namelijk buiten de reikwijdte van de aanvraag. Het college moet op de aanvraag beslissen, zoals deze is ingediend. Bovendien is voor de vraag of bebouwing legaal aanwezig is, meer onderzoek nodig dan de enkele toets aan het bestemmingsplan. Uit de brief blijkt dat het college de aanvraag getoetst heeft aan de regels van het bestemmingsplan en de uitkomst daarvan. Uit de brief blijkt niet dat het college getoetst heeft of de bijgebouwen legaal aanwezig zijn. Dat in de brief staat dat de bijgebouwen wel opgeknapt mogen worden, betekent ook niet dat de bijgebouwen volgens het college legaal zijn. Dat dit is toegestaan, volgde namelijk uit artikel 3, onderdeel 8, van bijlage II bij het Bor. De rechtbank is daarom van oordeel dat uit de brief van 23 februari 2012 niet een (impliciete) toezegging van het college volgt dat de drie bijgebouwen legaal aanwezig zijn.
13.5.
Omdat niet voldaan is aan de eerste stap van de beoordeling van het vertrouwensbeginsel, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de tweede en derde stap van het vertrouwensbeginsel. Er is wel sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank gaat in de conclusie van de uitspraak in op de gevolgen hiervan.
Tijdsverloop
14. Eisers betogen dat handhavend optreden onevenredig is, mede gelet op het tijdsverloop en het feit dat zij de bijgebouwen niet hebben gebouwd. Het college wist volgens eisers al vanaf 1975 van het bestaan van de bijgebouwen. Deze stonden immers al ingetekend op de plankaart van het bestemmingsplan uit 1975. Daar komt bij dat het college in 2005 en 2012 ook al wist dat de bijgebouwen aanwezig waren. Er zijn nooit eerder klachten geuit tegen de bijgebouwen.
14.1.
De rechtbank oordeelt dat het enkele tijdsverloop voorafgaand aan een besluit tot handhaving op zichzelf geen bijzondere omstandigheid is op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien. Dat is ook niet het geval als het college op de hoogte was van de overtreding. [10] Eisers hebben, anders dan de hiervoor besproken punten, verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die handhavend optreden mede in het licht van het tijdsverloop onevenredig maken.
Tussenconclusie
15. Gelet op het voorgaande zijn er geen bijzondere omstandigheden die maken dat het college heeft moeten afzien van handhavend optreden.
Is de last te verstrekkend?
16. Eisers betogen dat de last verder strekt dan noodzakelijk. De last strekt namelijk tot het verwijderen van alle bijgebouwen, terwijl volgens het bestemmingsplan in ieder geval 150 m2 aan bijgebouwen is toegestaan.
16.1.
De rechtbank heeft onder 12.2. geoordeeld dat de bijgebouwen in strijd zijn met het bestemmingsplan en dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Daarvoor is ook een nadere beoordeling van het college nodig. De drie bijgebouwen staan er illegaal en onzeker is of en welke van de bijgebouwen vergund kunnen worden. Het college kan op voorhand ook niet de invulling geven welk bijgebouw gesloopt moet worden en welke mag blijven staan. De last strekt daarom niet verder dan noodzakelijk. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de dwangsom te hoog?
17. Eisers betogen dat niet gemotiveerd is waarom een dwangsom van € 10.000,- ineens per bijgebouw is opgelegd. De hoogte van de dwangsommen is volgens eisers onevenredig hoog. Eisers betogen verder dat zij dit ook in bezwaar hebben aangevoerd, maar dat het college hier niet op is ingegaan. Er is volgens eisers daarom ook sprake van een motiveringsgebrek.
17.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de hoogte van de dwangsommen gebaseerd is op de ernst van de overtredingen en de hoogte van de dwangsommen. Ook is het gebaseerd op de bestendige gedragslijn die het college hanteert. In gelijke gevallen wordt een soortgelijke dwangsom per bouwwerk opgelegd.
17.2.
Het opleggen van een last onder dwangsom heeft als doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. [11]
17.3.
De rechtbank stelt vast dat in de last onder dwangsom de hoogte van de dwangsommen niet gemotiveerd zijn. In de beslissing op bezwaar en het advies van de bezwaarschriftencommissie is hier niet op gereageerd. Omdat dit wel een uitdrukkelijke bezwaargrond is geweest, heeft het college dit niet goed gemotiveerd. In zoverre slaagt de beroepsgrond.
17.4.
De rechtbank oordeelt dat het in stand laten van de zonder omgevingsvergunning gebouwde bijgebouwen, die ook in strijd zijn met het bestemmingsplan, geen overtreding is van geringe aard. Gelet op de ernst en aard van de overtreding, en de bedoeling dat de dwangsom een prikkel moet zijn om de overtreding daadwerkelijk te beëindigen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de dwangsommen te hoog te achten. Eisers hebben verder ook geen omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat de dwangsommen te hoog zijn. Gelet op wat in 17.3 is overwogen, is er wel sprake van een motiveringsgebrek. In de conclusie van de uitspraak gaat de rechtbank in op de gevolgen hiervan.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is gegrond vanwege de in overwegingen 13.1. en 17.3. geconstateerde motiveringsgebreken. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024. De rechtbank heeft in overweging 13.4. geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. In overweging 17.4. heeft de rechtbank geoordeeld dat de opgelegde dwangsommen niet te hoog zijn. Het college hoeft niet een nieuw besluit op bezwaar te nemen, omdat de rechtbank de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand laat.
18.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgen eisers een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar van 23 oktober 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand blijven;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bijgebouw 1 is 55,50 m2, bijgebouw 2 is 160,50 m2, bijgebouw 3 is 112,20 m2.
2.Op grond van artikel 2, onderdeel 3, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).
3.Artikel 8, eerste lid, van bijlage II bij het Bor.
4.Dit is voor wat betreft het bouwen de voorganger van de Ministeriële regeling omgevingsrecht.
5.Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
6.Uitspraak van de Afdeling van 15 april 2026. ECLI:NL:RVS:2026:2027.
7.Eisers verwijzen hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2019.
8.Uitspraak van de Afdeling van 11 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1791.
9.Uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1528.
10.Uitspraken van de Afdeling van 28 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:448 en 1 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1829. Zie ter vergelijking ook de uitspraken van rechtbank Gelderland van 16 december 2025 ECLI:NL:RBGEL:2025:10966 en van de voorzieningenrechter van rechtbank Gelderland van 4 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1633.
11.Uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3496.