ECLI:NL:RBGEL:2026:5463

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
AWB-25_4561
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22.6 Omgevingsplan gemeente AaltenArt. 22.16 Omgevingsplan gemeente AaltenArt. 22.17 Omgevingsplan gemeente AaltenArt. 3.106 Besluit bouwwerken leefomgevingArt. 3.113 Besluit bouwwerken leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging last onder dwangsom en invordering wegens achterstallig onderhoud pand in Aalten

Eiser is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten een last onder dwangsom opgelegd om binnen zes maanden onderhoudswerkzaamheden aan zijn pand te verrichten. Bij niet-naleving verbeurt eiser een dwangsom van maximaal €60.000. Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan tegen de last en het invorderingsbesluit, waaronder gebrekkige motivering, bijzondere omstandigheden, misbruik van bevoegdheid, onvoldoende gemotiveerde begunstigingstermijn en betalingsonmacht.

De rechtbank oordeelt dat de juridische grondslag van de last voldoende is en dat het college terecht handhavend optreedt, ook gezien het ontbreken van bijzondere omstandigheden die handhaving zouden kunnen verhinderen. De onderhandelingen over verkoop van het pand ontslaan eiser niet van zijn onderhoudsverplichting. Misbruik van bevoegdheid is niet aannemelijk gemaakt. De begunstigingstermijn van zes maanden is redelijk en voldoende gemotiveerd.

Ten aanzien van het invorderingsbesluit stelt de rechtbank vast dat eiser niet tijdig aan de last heeft voldaan en dat het college bevoegd is de dwangsom te innen. De door eiser gestelde betalingsonmacht is onvoldoende onderbouwd. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit in stand blijven.

Uitkomst: De rechtbank handhaaft de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit wegens achterstallig onderhoud en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/4561

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aalten

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aan eiser opgelegde last onder dwangsom en een invorderingsbesluit vanwege achterstallig onderhoud van het pand aan de [adres] in Aalten . Eiser is het niet eens met de last en het invorderingsbesluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit in stand blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen.
  • Is de juridische grondslag van de last gebrekkig?
  • Zijn er bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien?
  • Is sprake van misbruik van bevoegdheid?
  • Is de duur van de begunstigingstermijn voldoende gemotiveerd?
  • Heeft het college de dwangsom mogen invorderen?
Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Bij besluit van 1 april 2025 heeft het college aan eiser gelast [1] om binnen zes maanden te zorgen dat het pand aan de [adres] in Aalten niet langer zichtbaar verwaarloosd is en geen gevaar vormt voor de omgeving door in ieder geval de volgende werkzaamheden aan het pand uit te voeren:
  • houten platen voor ruiten en deuren verwijderen;
  • kapotte ruiten en deuren herstellen;
  • rotte houtconstructies herstellen;
  • kozijnen en ander houtwerk zoals de gevel herstellen door deze te schuren en verven dan wel te vervangen;
  • gootconstructies te herstellen;
  • loshangende planken en - metalen steunen vastzetten; en
  • loshangende elektrabedrading verwijderen en verwijderd houden.
Als eiser na afloop van de begunstigingtermijn niet (geheel) aan de last heeft voldaan, verbeurt een dwangsom van € 3.000,- per dag met een maximum van € 60.000,-.
2.1.
Bij beslissing van 2 september 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college de last in stand gelaten met aanvulling van de motivering over de begunstigingstermijn.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.3.
Bij besluit van 6 januari 2026 heeft het college de volgens hem volledig verbeurde dwangsom van € 60.000,- ingevorderd. [2]
2.4.
Eiser heeft gronden ingediend tegen het invorderingsbesluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Nagekomen stukken
3. De rechtbank stelt vast dat eiser binnen tien dagen voor de zitting nog aanvullende stukken heeft ingediend. Het college verzet zich niet tegen de indiening van deze stukken. Gelet op de beperkte omvang van de stukken, ziet de rechtbank aanleiding om deze bij de beoordeling van de zaak te betrekken.

Last onder dwangsom

Is de juridische grondslag van de last gebrekkig?
4. De gemachtigde van eiser betoogt dat de last vernietigd moet worden omdat deze onvoldoende is gemotiveerd. Hij voert aan dat de juridische grondslag van de besluitvorming gebrekkig is.
4.1.
Een last onder dwangsom wordt slechts opgelegd als de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven. [3]
4.2.
Nog daargelaten dat de gemachtigde van eiser de beroepsgronden niet heeft onderbouwd, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank de artikelen 22.6, 22.16 en 22.17 van het Omgevingsplan van de gemeente Aalten en de artikelen 3.106 en 3.113 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) ten grondslag kunnen leggen aan de overtredingen. De Commissie Omgevingskwaliteit van de gemeente Aalten heeft aan het college advies uitgebracht en is van mening dat er sprake is van een exces volgens het welstandsbeleid vanwege de verwaarloosde en verpauperde indruk van het pand. Vervolgens heeft het college eiser aangeschreven om de strijdige situatie ongedaan te maken omdat sprake zou zijn van een overtreding van de artikelen 22.6, 22.16 en 22.17 van het Omgevingsplan. Ook heeft het college aan de hand van het controlerapport van 22 januari 2025 geconstateerd dat het pand een gevaar vormt voor de omgeving. Het pand heeft zichtbaar achterstallig onderhoud, wat eiser ook niet betwist. Het college heeft verder toegelicht dat aan de linkerzijde van het pand (gezien vanaf de openbare weg) bij het gedeelte met het platte dak boven het trottoir een ijzeren/metalen steun en planken los hangen. Daarnaast zijn er losse elektradraden zichtbaar aan de buitenkant van het pand wat brandgevaarlijk is en gevaar voor mensen vormt (overtreding artikel 3.106 van het Bbl). Ook is de regenpijp niet lucht- en waterdicht (overtreding artikel 3.113 van het Bbl). De gemachtigde van eiser heeft niet onderbouwd in hoeverre deze wettelijke grondslag gebrekkig is, of op welk punt de last niet voldoende zou zijn gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Beginselplicht tot handhaving
4.3.
Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden evenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [4]
Zijn er bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien?
5. De gemachtigde van eiser betoogt dat het college niet onderkent dat eiser het pand aan de gemeente heeft willen verkopen, omdat partijen het erover eens zijn dat er iets met het pand moet gebeuren. Na een onderhoud met de gemeente in juli 2021 is er vanuit de gemeente niet meer verder gesproken en werd de last opgelegd. Dat is volstrekt onrechtmatig.
5.1.
Partijen hebben onderhandeld over de verkoop van het pand vanwege herontwikkelingsplannen voor de hoek [adres] en [straatnaam] . Van 30 mei 2018 tot 29 mei 2021 heeft er een voorkeursrecht zoals bedoeld in de (inmiddels vervallen) Wet voorkeursrecht gemeenten op het pand gelegen. Eind juli 2020 zijn er ramen en deuren van het pand ingeslagen en zijn er houten platen aangebracht. In oktober 2020 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd om te zorgen dat er herstelwerkzaamheden aan het pand werden verricht. Die last is in december 2020 ingetrokken vanwege de onderhandelingen tussen partijen. Vervolgens is het voorkeursrecht in 2021 verlopen en hebben de onderhandelingen niet geleid tot overeenstemming over de verkoop van het pand. Het college heeft toegelicht dat er een visie is ontwikkeld over de hoek [adres] en [straatnaam] , maar dat het college de locatie niet zelf actief ontwikkelt. Het is aan de ondernemers om een herontwikkelingsplan in te dienen.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank geeft het betoog van de gemachtigde van eiser geen aanleiding voor het oordeel dat er bijzondere omstandigheden zijn om van handhaving af te zien. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat het gegeven dat partijen in het verleden hebben onderhandeld over de verkoop van het pand eiser niet ontslaat van zijn verplichting om het pand te onderhouden. Vaststaat dat het pand al zeker sinds 2020 in verslechterde staat is en dat de onderhandelingen niet hebben geleid tot verkoop van het pand. Dat partijen nog in onderhandeling zouden zijn zoals de gemachtigde van eiser stelt, wordt ontkend door het college en blijkt nergens uit. Het college stelt verder terecht dat er geen causaal verband is tussen de horecafunctie en de slechte staat van het pand. De stelling van eiser dat hij de horecafunctie op dit moment niet rendabel kan exploiteren is geen reden om geen onderhoud te plegen aan het pand.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van misbruik van bevoegdheid?
6. De gemachtigde van eiser betoogt dat het college zijn handhavingsbevoegdheid misbruikt. Kennelijk heeft de gemeente de bedoeling om het pand aan te kopen voor een minder bedrag. Daarvoor is een dwangsombevoegdheid niet gegeven.
6.1.
Op grond van artikel 3:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gebruikt het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat het college zijn handhavingsbevoegdheid misbruikt omdat de gemeente het pand voor een lager bedrag zou willen aankopen. Het college heeft toegelicht dat de onderhandelingen niet hebben geleid tot een overeenkomst en dat partijen al langere tijd niet meer in gesprek zijn over de aankoop van het pand. De gemeente wil het pand niet aankopen. Tijdens de zitting heeft het college verder toegelicht dat de gemeente de locatie niet actief zelf gaat ontwikkelen. Er ligt een visie, maar het is aan de ondernemers om een concreet plan in te dienen. Anders dan de gemachtigde van eiser naar voren heeft gebracht, is er geen verband tussen de eerdere onderhandelingen en de handhaving wegens achterstallig onderhoud. Van misbruik van bevoegdheid is geen sprake.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is de duur van de begunstigingstermijn voldoende gemotiveerd?
7. De gemachtigde van eiser betoogt dat het college de lengte van de begunstigingstermijn onvoldoende heeft gemotiveerd. Die termijn kent geen grondslag in beleid en is vastgesteld zonder de feiten te kennen en zonder ambtelijke inschatting over offertes, opdrachten en termijn van uitvoering van werkzaamheden.
7.1.
Uit artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb volgt dat bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn wordt gesteld waarbinnen de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Aan het college komt bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn geldt als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen beëindigen. Voor de vraag of een begunstigingstermijn in redelijkheid kan worden gesteld, is alleen van belang of binnen die termijn aan de last kan worden voldaan. [5]
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college de begunstigingstermijn van zes maanden voldoende onderbouwd heeft bepaald. Bij beslissing op bezwaar heeft het college nader onderbouwd hoe het college aan de hand van de door hem gehanteerde Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen (de Leidraad) is gekomen tot de begunstigingstermijn. Op grond van de Leidraad wordt voor dit soort overtredingen normaal gesproken een begunstigingstermijn van drie maanden opgelegd. Het college heeft eiser een twee keer zo lange termijn gegeven vanwege het opvragen van offertes, het verstrekken van opdrachten en het laten uitvoeren van de werkzaamheden. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat de geboden begunstigingstermijn desondanks te kort was. Zoals het college terecht stelt heeft de gemachtigde van eiser dat niet gedaan Zo heeft de gemachtigde van eiser alleen maar ongefundeerd gesteld dat deze termijn zonder ambtelijke inschatting over offertes, opdrachten en termijn van uitvoering van werkzaamheden is gesteld. Uit het bestreden besluit volgt echter expliciet dat de termijn wel degelijk met inachtneming van deze omstandigheden is vastgesteld en de gemachtigde van eiser heeft niet onderbouwd waarom het bestreden besluit op dit punt niet deugt. Bovendien heeft hij zelf geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat eiser niet binnen de begunstigingstermijn kon voldoen aan de last.
De beroepsgrond slaagt niet.
Tussenconclusie
8. De rechtbank concludeert dat het college bevoegd is tot handhaving en dat het ook van deze bevoegdheid gebruik mocht maken. Het beroep tegen de last onder dwangsom is ongegrond. Hierna zal de rechtbank het invorderingsbesluit beoordelen aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

Invorderingsbesluit

Heeft het college de dwangsom mogen invorderen?
9. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet tijdig aan de last heeft voldaan. De rechtbank stelt vast dat het college daarom bevoegd is om de verbeurde dwangsommen in te vorderen.
9.1.
Volgens vaste rechtspraak moet bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115) gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [6]
9.2.
De gemachtigde van eiser betoogt dat hij een zienswijze tegen het voornemen tot invordering heeft ingediend, maar dat het college de zienswijze niet heeft meegewogen. De gemachtigde van eiser voert verder aan dat eiser geen geld heeft voor het betalen van dwangsommen, en heeft dat onderbouwd met brieven van zijn hypotheekverstrekker waaruit blijkt dat hij een hypotheekachterstand op zijn woning heeft gehad.
Zienswijze
9.3.
Op grond van artikel 4:8, eerste lid, van de Awb dient het college eiser voorafgaand aan de dwangsominvordering in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. [7]
9.4.
Vast staat dat eiser op 9 december 2025 een voornemen tot invordering heeft ontvangen en dat hij daarbij de mogelijkheid heeft gekregen om via een zienswijze te reageren. De gemachtigde van eiser stelt dat zijn brief van 7 december 2025 als zienswijze moet worden beschouwd. Het college heeft toegelicht dat die zienswijze niet gaat over invordering van deze last, maar over invordering vanwege een nieuw opgelegde last van november 2025 voor dezelfde overtreding die inmiddels ook is volgelopen en waarmee een bedrag van € 120.000 euro aan dwangsommen zou zijn verbeurd. De gemachtigde van eiser heeft dat als zodanig niet betwist, en ook geen nadere verklaring gegeven waarom hij twee dagen voorafgaand aan het ontvangen van het voornemen tot invordering een zienswijze zou hebben ingediend. De rechtbank oordeelt daarom dat de brief van 7 december 2025 niet kan worden beschouwd als zienswijze tegen het voornemen tot invordering. Anders dan de gemachtigde van eiser stelt heeft hij dus geen zienswijze tegen het voornemen tot invordering ingediend, en heeft het college daarom terecht geen zienswijze meegewogen.
Betalingsonmacht
9.5.
Het bestuursorgaan hoeft bij invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan namelijk in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen. Als hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat alleen aanleiding als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. De overtreder moet aannemelijk maken dat dit het geval is. Hij moet daarvoor informatie verstrekken waaruit blijkt dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben. [8]
9.6.
Als op voorhand duidelijk is dat eiser de dwangsommen nooit kan betalen, kan hij zich beroepen op een betalingsonmacht. De rechtbank oordeelt dat de gemachtigde van eiser met de overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser de dwangsommen nooit kan betalen. Weliswaar heeft hij aangetoond dat eiser een achterstand heeft opgelopen in zijn hypotheekverplichtingen, maar uit de stukken blijkt ook dat deze achterstand weer is ingelopen. Verder heeft de gemachtigde van eiser geen inzicht gegeven in de financiële situatie van eiser zodat er geen grond is voor het oordeel dat er evident geen financiële draagkracht is. De niet-onderbouwde stelling van de gemachtigde dat eiser geen geld heeft, is daarvoor onvoldoende.
9.7.
De beroepsgrond slaagt niet. Het beroep tegen het invorderingsbesluit is daarom ongegrond.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wegens overtreding van de artikelen 22.6, 22.16 en 22.17 van het omgevingsplan en de artikelen 3.106 en 3.113 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
2.Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt het bezwaar tegen het invorderingsbesluit van rechtswege onderdeel uit van deze procedure.
3.Artikel 5:4 tweede Pro lid van de Algemene wet bestuursrecht.
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3487.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2621, onder 7.1.
6.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3103, onder 13.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2956, onder 11.1.
8.Uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3627, onder 4.