ECLI:NL:RBGEL:2026:788

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
ARN 23_6508 e.a.
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 3:40 AwbArt. 3:41 AwbArt. 5:33 AwbArt. 5:37 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling invordering dwangsommen wegens illegale bouwwerken, hondenfokkerij en dierenverhuur

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft de invordering van meerdere dwangsommen opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal vanwege overtredingen van het bestemmingsplan, waaronder illegale bouwwerken, een illegale hondenfokkerij, het ontbreken van een asbestinventarisatierapport en illegale verhuur van dieren op percelen in de gemeente.

Eisers, waaronder een curator in faillissement, betwisten de invordering van deze dwangsommen en voeren diverse beroepsgronden aan, zoals het ontbreken van overtredingen, disproportionele hoogte van de dwangsommen, niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan belang, en een beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelt dat het beroep in één zaak niet-ontvankelijk is omdat eisers geen belanghebbende zijn. In de andere zaken worden de beroepen ongegrond verklaard omdat de overtredingen zijn vastgesteld, de dwangsommen rechtsgeldig zijn verbeurd en de aangevoerde uitzonderingen niet slagen.

De rechtbank benadrukt dat de invordering van dwangsommen een zwaarwegend belang dient en dat gronden die tegen de last onder dwangsom konden worden aangevoerd, in de invorderingsprocedure in beginsel niet meer kunnen worden betwist. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen omdat er geen toezegging is waarop eisers redelijkerwijs mochten vertrouwen. De dwangsommen blijven derhalve in stand en eisers worden veroordeeld tot betaling zonder vergoeding van proceskosten of griffierecht.

De uitspraak is gedaan door rechter M.J.M. Verhoeven en griffier M.M. Verschuren op 4 februari 2026 te Arnhem. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep in één zaak niet-ontvankelijk en wijst de beroepen in de andere zaken ongegrond, waardoor de invordering van dwangsommen in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/6508, ARN 23/6510 en 24/1568

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen
[curator/eiser 1], kantoorhoudend in [plaats 1] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van
[naam bedrijf] , [eiser 2] en [eiseres]uit [plaats 2] , eisers, [1]
(gemachtigde: mr. C.J. Driessen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Maas en Waal

(gemachtigden: mr. S.E. de Wit en mr. A. de Zeeuw).
In de zaak met zaaknummer ARN 24/1568 neemt als derde-partij aan de zaak deel:
Stichting House of Animals Foundation(gemachtigde: mr. M. van Duijn).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de invordering van meerdere dwangsommen vanwege overtreding van meerdere opgelegde lasten uit de besluiten van 3 en 17 januari 2023 vanwege illegale bouwwerken, een illegale hondenfokkerij, het ontbreken van een asbestinventarisatie-onderzoek en illegale verhuur van dieren aan de [locatie 1] en [locatie 2] in [plaats 2] (de percelen). Eisers zijn het niet eens met de invordering van deze dwangsommen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten tot invordering.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep in de zaak met zaaknummer ARN 23/6510 niet-ontvankelijk is waardoor de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling van dit beroep. In de andere twee zaken heeft het college kunnen besluiten tot invordering van de dwangsommen
.Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hadden een bedrijf waarbij dieren werden verhuurd. Daarnaast fokten zij honden. Bij controles heeft het college geconstateerd dat diverse overtredingen van het bestemmingsplan plaats vonden op de percelen van eisers. Het bedrijfsmatig fokken van honden en de verhuur van dieren is in strijd met het bestemmingsplan. Dat geldt ook voor enkele aanwezige bouwwerken. Daarnaast is geconstateerd dat eisers vanwege mogelijke verontreiniging van een deel van hun perceel een asbestinventarisatierapport moesten overleggen.
In de zaak met zaaknummer ARN 23/6508:
3. Op 3 januari 2023 heeft het college eisers gelast:
  • containers van ongeveer 2,5 bij 5 meter, containers met damwanden van ongeveer 6 bij 15 meter en een bouwwerk van 5 bij 7 meter te verwijderen en verwijderd te houden voor 15 februari 2023, waarbij zij een dwangsom verbeuren van € 10.000 per bouwwerk ineens als zij dit niet tijdig doen;
  • de bedrijfsmatige illegale hondenfokkerij te beëindigen en beëindigd te houden voor 15 februari 2023, waarbij zij een dwangsom van € 40.000 ineens verbeuren als zij dit niet tijdig doen;
  • de illegale verhuur van dieren te beëindigen en beëindigd te houden voor vóór 18 januari 2023, waarbij zij een dwangsom van € 75.000 ineens verbeuren als zij dit niet tijdig doen.
Deze lasten zijn onherroepelijk.
3.1.
Op 17 januari 2023 heeft het college eisers gelast om een asbestinventarisatierapport over te leggen vóór 1 februari 2023 omdat niet duidelijk is of er sprake is van vervuiling van een deel van hun perceel met asbest. Als zij niet tijdig aan deze last voldoen verbeuren zij een dwangsom van € 5.000 ineens. Deze last is onherroepelijk.
3.2.
Bij besluit van 3 april 2023 heeft het college € 75.000 aan dwangsommen ingevorderd:
  • € 40.000 voor het hebben van meer dan acht honden,
  • drie maal € 10.000 voor het niet verwijderen van drie bouwwerken (nummer 2, 3 en 4),
  • € 5.000 voor het niet indienen van een aanvullend asbestinventarisatierapport.
3.3.
Bij beslissing op het bezwaar van eisers van 22 augustus 2023 is het college bij het invorderingsbesluit gebleven.
In de zaak met zaaknummer ARN 23/6510:
3.4.
Op 3 januari 2023 heeft het college aan [persoon A] gelast:
  • een afhang van 5 bij 7 meter, en bouwwerken van 2,5 bij 2,5 meter, 8 bij 2 meter en 3 bij 3 meter te verwijderen en verwijderd te houden voor 15 februari 2023, waarbij zij een dwangsom van € 10.000 per bouwwerk ineens verbeurt als zij niet tijdig aan deze last voldoet;
  • de bedrijfsmatige illegale hondenfokkerij te beëindigen en beëindigd te houden vóór 15 februari 2023, waarbij zij een dwangsom van € 40.000 ineens verbeurt als zij niet aan deze last voldoet.
3.5.
Bij besluit van 3 april 2023 heeft het college van [persoon A] dwangsommen ingevorderd die zijn verbeurd vanwege het niet voldoen aan de last van 3 januari 2023. Het gaat in totaal om € 80.000 aan dwangsommen vanwege het houden van meer dan acht honden en het niet verwijderen van de vier bouwwerken.
3.6.
Bij beslissing op het bezwaar van [persoon A] van 22 augustus 2023 heeft het college het invorderingsbesluit in stand gelaten.
In de zaak met zaaknummer ARN 24/1568:
4. Op 23 april 2023 heeft derde-partij verzocht om over te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsom. [2] Bij besluit van 20 juni 2023 heeft het college een dwangsom van € 75.000 ingevorderd vanwege het niet stoppen met verhuren van dieren.
4.1.
Bij beslissing op het bezwaar van eisers van 6 februari 2024 heeft het college het invorderingsbesluit in stand gelaten.
In de drie zaken:
5. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de drie beslissingen op bezwaar.
5.1.
Het college heeft verweerschriften ingediend.
5.2.
Bij uitspraak van 31 oktober 2023 zijn [naam bedrijf] , [eiser 2] en [eiseres] door deze rechtbank in staat van faillissement verklaard. In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden die uitspraak in stand gelaten. [3] De curator heeft op 24 juli 2025 met toestemming van de rechter-commissaris aangegeven de beroepen voort te zetten waarbij eisers en hun gemachtigde de procedures feitelijk kunnen blijven voeren. [4]
5.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld, tegelijk met de zaken ARN 23/6503, ARN 23/6505, ARN 23/6514, ARN 23/8097, ARN 24/1573 en ARN 24/7083. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 2] en [eiseres] en hun gemachtigde, en de gemachtigden van het college. De curator heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

In de zaak met zaaknummer ARN 23/6510:
Is het beroep van eisers ontvankelijk?
6. Uit artikel 8:1 in Pro combinatie met het bepaalde in artikel 7:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat alleen een belanghebbende bezwaar kan maken tegen een besluit.
Uit artikel 1:2 van Pro de Awb volgt dat alleen diegene wiens belang rechtstreeks bij een besluit
is betrokken als belanghebbende wordt aangemerkt.
6.1.
Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen. Daarbij dient dit belang rechtstreeks door het besluit te worden geraakt. [5]
6.2.
Het invorderingsbesluit is niet gericht aan eisers maar aan [persoon A] , hun (schoon)moeder. Namens haar is ook bezwaar gemaakt. Zij heeft echter geen beroep ingesteld tegen de beslissing op haar bezwaar, maar eisers hebben dit gedaan. Eisers hebben echter geen eigen, persoonlijk belang bij het invorderingsbesluit. De familierechtelijke relatie of het feit dat partijen dichtbij elkaar wonen is onvoldoende om te spreken van een eigen belang. Ook is niet gebleken dat zij namens [persoon A] optreden in deze zaak. Nu de eigen belangen van eisers niet direct bij het besluit betrokken zijn, zijn zij geen belanghebbende. Daarom is het beroep op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb van eisers niet-ontvankelijk.
In zaak met zaaknummer 23/6508:
7. De rechtbank beoordeelt de invordering aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Heeft het college ervan kunnen uitgaan dat eisers het invorderingsbesluit hebben ontvangen?
8. Eisers betogen dat zij het invorderingsbesluit nooit hebben ontvangen. Eisers stellen dat de verzendcontrole bij de gemeente West Maas en Waal slechts door één persoon wordt uitgevoerd. Hierdoor is geen sprake van een deugdelijke verzendadministratie. r door een persoon.
8.1.
Een besluit treedt niet in werking voordat het bekend is gemaakt op de voorgeschreven wijze. [6] In dit geval geschiedt de bekendmaking door toezending aan de belanghebbenden. [7] De bekendmaking van een besluit is echter geen voorwaarde voor de totstandkoming ervan. Een eventuele onregelmatigheid kan niet als het ware met terugwerkende kracht de rechtmatigheid van dat besluit aantasten, [8] maar is met name van belang voor de aanvang van de bezwaartermijn. [9] In deze zaak staat echter vast dat eisers tijdig bezwaar hebben gemaakt. Deze beroepsgrond kan daarom geen doel treffen.
Is sprake van een overtreding waarvoor een last mocht worden opgelegd?
9. Eisers betogen dat er bij het opleggen van de last evident geen sprake was van een overtreding. De bouwwerken staan er al tientallen jaren en dateren zelfs van de tijd dat er nog geen bouwvergunningsplicht was. Verder vallen volgens eisers de zeer oude bouwwerken onder het overgangsrecht. Eisers betogen tot slot dat zij tijdens de coronaperiode uit nood meer honden hebben gefokt om financieel te kunnen overleven. Ook hiervoor had het college dus geen last mogen opleggen.
9.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat eisers in de procedure tegen een invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kunnen brengen die zij tegen de last onder dwangsom hadden kunnen aanvoeren. [10] Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. Daarvan is hier geen sprake. Eisers hebben namelijk op geen enkele wijze onderbouwd dat de bouwwerken onder het overgangsrecht vallen of om andere redenen niet vergunningplichtig zouden zijn. Ook de gronden over het fokken van honden tijdens de coronaperiode vanwege financiële noodzaak hadden tegen de lasten onder dwangsom aangevoerd kunnen worden. Nu niet is betwist dat eisers niet tijdig hebben voldaan aan de lasten heeft het college kunnen concluderen dat sprake is van een overtreding. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien?
10. Eisers betogen dat er bijzondere omstandigheden zijn om van invordering af te zien. Eisers stellen dat er binnen een redelijke termijn asbestinventarisatie-onderzoeken zijn uitgevoerd. Dat dit mede door de coronaperiode meer tijd in beslag heeft genomen, kan hen niet worden verweten. Invordering is daarom volgens eisers onredelijk en onevenredig tegenover het belang van handhaving.
10.1.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht dient te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (
Kamerstukken II2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.. [11]
10.2.
Het alsnog na het verstrijken van de definitieve begunstigingstermijn voldoen aan de last kan, blijkens vaste rechtspraak van de Afdeling, geen reden zijn om van invordering af te zien. [12] Andere bijzondere omstandigheden om geheel of gedeeltelijk van invordering af te zien zijn niet aangevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.
In de zaak met zaaknummer ARN 24/1568:
11. De rechtbank beoordeelt de invordering aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Is er sprake van een overtreding?
12. Eisers betogen dat de verhuur van dieren aan Jeugddienst Bree in Belgie op 19 april 2023 niet heeft plaatsgevonden vanaf de percelen. Daarom is er geen sprake van een overtreding van de last. De factuur in het dossier zegt iets over verhuur van dieren op 19 april 2023, maar niets over de locatie waarvandaan die feitelijke verhuur heeft plaats gevonden.
12.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat op 19 april 2023 dieren zijn verhuurd door eisers aan een jeugddienst in Bree (België). In geschil is of deze dieren vanaf de percelen van eisers zijn verhuurd. Het is aan het college om aannemelijk te maken dat sprake is van een overtreding van het bestemmingsplan omdat de verhuur van de dieren heeft plaatsgevonden vanaf de percelen. [13] Naar het oordeel van de rechtbank is het college hierin geslaagd. De dieren werden namelijk sinds jaar en dag op die locaties gehouden. Het is dan aan eisers om een begin van bewijs te leveren dat zijn in dit geval toch vanaf een andere locatie hebben verhuurd. [14] Eisers hebben geen begin van een onderbouwing geleverd dat de dieren op 19 april 2023 vanaf een andere locatie zouden zijn verhuurd. Het college heeft daarom terecht vastgesteld dat sprake is van een overtreding. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de dwangsom van rechtswege verbeurd?
13. Eisers betogen er geen verbeurdverklaring van rechtswege heeft plaatsgevonden en dat het invorderingsbesluit daarom de vereiste grondslag mist.
13.1.
De verbeurte van een dwangsom wegens het niet naleven van een last onder dwangsom en de verplichting een verbeurde dwangsom te betalen, volgen rechtstreeks uit de Awb. [15] Een dwangsom verbeurt van rechtswege wanneer niet aan de last is voldaan, niet pas na controle door het college. Hierboven is vastgesteld dat de last is overtreden door de verhuur op 19 april 2023. Vervolgens heeft het college op 20 juni 2023 een invorderingsbesluit genomen. De rechtbank oordeelt dat de invordering voldoet aan de wettelijke eisen. De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen eisers een geslaagd beroep doen op het vertrouwensbeginsel?
14. Eisers betogen dat toezeggingen zijn gedaan ter legalisatie van de activiteiten van eisers middels een bestemmingsplanwijziging, waarbij onder meer de verhuur van dieren vanaf de percelen van eisers gelegaliseerd zou worden. Uiteindelijk is er geen ontwerp-bestemmingsplan ter inzage gelegd omdat er essentiële stukken zouden ontbreken. Eisers zijn in redelijkheid niet in de gelegenheid gesteld eventuele tekortkomingen te herstellen. Dat is volgens eisers een schending van het vertrouwensbeginsel en daarmee handelt de gemeente schadeplichtig.
14.1.
Zoals hierboven onder 9.1. is overwogen, volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat eisers in de procedure tegen een invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kunnen brengen die zij tegen de last onder dwangsom hadden kunnen aanvoeren. [16] Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. Daarvan is hier geen sprake. Eisers hadden deze grond kunnen aanvoeren tegen de last onder dwangsom, die inmiddels onherroepelijk is. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het voortraject van een procedure voor een nieuw bestemmingsplan geen toezegging is waarop eisers redelijkerwijs hebben mogen vertrouwen. Het college heeft verder voldoende toegelicht dat de bestemmingsplanprocedure is beëindigd omdat eisers ondanks herhaald verzoek van het college de ontbrekende onderzoeken niet heeft overgelegd. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat er geen sprake is van een toezegging en dat eisers daarom geen geslaagd beroep kunnen doen op het vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
In de zaken met zaaknummers 23/6508 en 24/1468:
Zijn de dwangsommen te hoog?
15. Eisers betogen in beide zaken dat de dwangsommen disproportioneel hoog zijn en strijdig met het gemeentelijke handhavingsbeleid. De afwijking van het handhavingsbeleid is ten onrechte niet gemotiveerd.
15.1.
Zoals hierboven onder 9.1. reeds overwogen, volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat eisers in de procedure tegen een invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kunnen brengen die zij tegen de last onder dwangsom hadden kunnen aanvoeren. [17] Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. Daarvan is hier geen sprake. Eisers hadden de hoogte van de dwangsommen in de procedures over de lasten onder dwangsom ter discussie kunnen stellen.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep in de zaak met zaaknummer ARN 23/6510 is niet-ontvankelijk en de beroepen in de zaken met zaaknummers 23/6508 en 24/1568 zijn ongegrond. Dat betekent dat de invorderingsbesluiten in stand blijven en dat eisers de dwangsommen van € 75.000 voor het hebben van meer dan acht honden, illegale bouwwerken en het niet indienen van een aanvullend asbestinventarisatie-onderzoek en € 75.000 voor het illegaal verhuren van dieren moeten betalen. Ook het invorderingsbesluit aan [persoon A] van € 80.000 vanwege het houden van meer dan acht honden en het niet verwijderen van vier bouwwerken blijft in stand. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk in de zaak met zaaknummer ARN 23/6510;
  • verklaart de beroepen ongegrond in de zaken met zaaknummers ARN 23/6508 en ARN 24/1568.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Verschuren, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoewel de curator in deze zaken de eiser is, spreekt de rechtbank omwille van de leesbaarheid over ‘eisers’.
2.Artikel 5:37, tweede lid van de Awb maakt dit mogelijk.
3.Tussenarrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 december 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:10714 en eindarrest van 28 december 2013.
4.Dit is mogelijk ingevolge artikel 8:22 van Pro de Awb en respectievelijk artikel 27 van Pro de Faillissementswet (voor zaaknummers 23/6508 en 23/6510) en artikel 25 van Pro de Faillissementswet (voor zaaknummer 24/1568).
5.Uitspraak van de Afdeling van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3100.
6.Artikel 3:40 van Pro de Awb.
7.Artikel 3:41, eerste lid van de Awb.
8.Uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX9044.
9.Artikel 6:8 van Pro de Awb.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3015.
12.Uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:623.
13.Uitspraak van de Afdeling van 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1542.
14.Uitspraak van de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1695.
15.Artikel 5:33 van Pro de Awb; uitspraak van de Afdeling van 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1068.
16.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.
17.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.