ECLI:NL:RBHAA:2008:BC7754
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- D.P. Ruitinga
- L.F. Roseval
- C.A.M. van de Rest-van der Heijden
- Rechtspraak.nl
Voorrang preferente vordering Ontvanger boven concurrente vordering uit onrechtmatige daad bij verduistering
In deze civiele zaak vordert eiseres [Z] dat de rechtbank verklaart dat haar vordering uit onrechtmatige daad voorgaat op de preferente vordering van de Ontvanger tot betaling van inkomstenbelasting over verduisterde gelden. [Z] stelt dat sprake is van een extreem schrijnend geval met een duidelijk humanitair karakter en dat de belastingaanslagen niet geldig zijn.
De feiten betreffen verduistering door [A] en zijn echtgenote van gelden van [Z], die als pensioenvoorziening voor [B] waren bestemd. De verduistering werd ontdekt in 2002, waarna [A] op staande voet werd ontslagen en veroordeeld tot terugbetaling. De Ontvanger legde executoriaal beslag op panden van [A] en zijn echtgenote in verband met openstaande belastingschulden.
De rechtbank oordeelt dat de preferente vordering van de fiscus voorrang heeft op de concurrente vordering uit onrechtmatige daad, conform artikel 21 Invorderingswet Pro en jurisprudentie. Van een extreem schrijnend humanitair geval is geen sprake, mede omdat [Z] een onderneming is en er geen adequaat toezicht was binnen [Z]. De aanslagen zijn rechtsgeldig opgelegd en hebben formele rechtskracht. [Z] is geen direct materieel belanghebbende bij de aanslagen, zodat haar vordering uit onrechtmatige daad faalt.
De rechtbank wijst de vorderingen van [Z] af en veroordeelt haar in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van [Z] af en bevestigt de voorrang van de preferente fiscale vordering van de Ontvanger boven de civiele vordering uit onrechtmatige daad.