De werkgever verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werkneemster op grond van dringende redenen of subsidiair vanwege gewijzigde omstandigheden. De werkgever stelde dat de werkneemster zich obstructief gedroeg, de directie beledigde en een onwerkbare sfeer veroorzaakte. De werkneemster betwistte deze verwijten en stelde dat de vertrouwensbreuk door de werkgever was veroorzaakt.
De kantonrechter stelde vast dat de werkgever onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de werkneemster disfunctioneerde of de verwijten terecht waren. Valselijk opgemaakte gespreksverslagen en het ontbreken van concrete feiten speelden hierbij een rol. De woordenwisseling op 11 juni 2015 werd erkend, maar het verwijt dat de werkneemster de directie onterecht zou hebben verweten werd niet bewezen.
De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 september 2015 wegens de onwerkbare situatie. De kantonrechter oordeelde dat de werkgever de oorzaak was van de verstoorde arbeidsrelatie en kende daarom een billijke vergoeding van € 9.619,08 toe aan de werkneemster. Ontheffing van het non-concurrentie- en relatiebeding werd afgewezen. Proceskosten werden verdeeld afhankelijk van het al dan niet intrekken van het verzoek door de werkgever.