Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 augustus 2016 in de zaak tussen
[naam eiser], te [woonplaats] eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
De aard van de werkzaamheden gaf geen aanleiding om deze anders dan op basis van een ambtelijke aanstelling te laten verrichten. Volgens eiser moeten de aangegane overeenkomsten geduid worden als een viertal opeenvolgende payrollovereenkomsten met twee verschillende payrollbedrijven. Feitelijk vervulde de gemeente Heerlen echter het werkgeversgezag. Transfer Werk en d’r Sjalter werden louter ingezet om de salarisadministratie te verzorgen.
De arbeidsovereenkomsten dienen gelijk te worden gesteld met een ambtelijke aanstelling.
De ‘werving en selectie’ was aldus reeds gedaan door verweerder. Verweerder heeft voorts niet (gemotiveerd) betwist dat de overgang naar d’r Sjalter naadloos verliep, in die zin dat er geen onderbreking van de werkzaamheden plaatsvond, dat de contacten met en aanmelding bij d’r Sjalter geregeld werden door de gemeente en dat er geen sollicitatiegesprek heeft plaatsgevonden. Gelet hierop is van enige allocatieve functie van d’r Sjalter niet gebleken. Ten slotte merkt de rechtbank op dat de detacheringsovereenkomst zelfs letterlijk over payrollkosten spreekt (in artikel 7).
De rechtbank ziet geen aanleiding om op dit punt tot een ander oordeel te komen.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond, herroept het primaire besluit voor zover daarin het standpunt is ingenomen dat eiser nooit een aanstelling als ambtenaar is verleend, vult de motivering van het primaire besluit zoals overwogen in deze uitspraak aan, laat dit besluit in stand voor zover daarin is geweigerd eiser per 14 mei 2014 of per 4 oktober 2010 een (vaste) ambtelijke aanstelling te verlenen en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.984,-.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2016. De griffier is niet in de gelegenheid geweest deze uitspraak te ondertekenen.