Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De feiten
[naam 1] te leggen.
3.Het geschil
4.De beoordeling
Tijdigheid indienen verzoeken
19 september 2013 staat vermeld dat in het takenpakket van [verzoekster, verweerster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] de nadruk op receptiemedewerker zou komen te liggen;
op zichzelf genomenniet beslissend zijn). Voorts volgt uit de toelichting op art. 13 Ontslagregeling Pro dat bij het ontbreken van een schriftelijke functiebeschrijving (waarvan in deze procedure moet worden uitgegaan, nu die beschrijvingen op geen enkele wijze zijn geduid en toegelicht) moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie.
functies(en niet van medewerkers).
medewerkerinterne zaken en receptie’ (in tegenstelling tot de functiebenaming in de arbeidsovereenkomst: ‘
managerinterne zaken en receptiemedewerker’) beter op haar plaats was geweest. In ieder geval volgt uit de functiebenaming in de arbeidsovereenkomst dat [verzoekster, verweerster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] interne zaken diende uit te voeren en ook feitelijk heeft uitgevoerd. De omstandigheid dat het deel van de functiebenaming ‘manager’ niet correspondeerde met de werkelijkheid (‘medewerker’), maakt dat niet anders. Voorts heeft GBM voldoende gemotiveerd toegelicht dat de functie van [verzoekster, verweerster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] slechts in ondergeschikte mate zag op het verrichten van receptietaken. Aldus moet worden vastgesteld dat het overgrote deel van de werkzaamheden van [verzoekster, verweerster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] - zowel op basis van de functiebenaming als op basis van de feitelijk invulling van de arbeidsovereenkomst - (coördineren van) interne zaken betrof, met in ondergeschikte mate algemene receptietaken.
functiesvan [naam collega 2] en/of [naam collega 1] . De door [verzoekster, verweerster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] aangehaalde notitie van [naam voormalig general manager] d.d. 19 september 2013 en brief van [naam managing director] d.d. 20 maart 2017 leggen onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen. Uit de enkele omstandigheid dat ook de functie van [verzoekster, verweerster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] in functiegroep 3 is ingedeeld, kan niet de door [verzoekster, verweerster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] gewenste conclusie getrokken worden dat er geen sprake is van een unieke functie. GBM heeft voldoende gemotiveerd toegelicht dat, ondanks het feit dat dit niet tot uitdrukking kwam in haar functiegroep, de functie(taken) van [verzoekster, verweerster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek] wel een seniorniveau impliceerde(n).
Van Tuinen / Taxicentrale L. Wolters, hierna: ‘Van Tuinen-arrest’) heeft gegeven. Deze criteria sluiten aan bij de maatstaf die de Hoge Raad in zijn arrest van 24 oktober 1986 (ECLI:NL:HR:1986:AC9537) heeft gehanteerd ter beantwoording van de vraag of een proeftijd door een opvolgend werkgever mag worden overeengekomen. De twee cumulatieve voorwaarden uit het Van Tuinen-arrest luiden: